HOOFDSTUK XVII.
Reading edition
Familiezaken.
Athos had eindelijk het woord gevonden, namelijk: van de zaak van Buckingham een familiezaak te maken. Immers, een familiezaak zou niet aan het onderzoek van den kardinaal onderworpen worden. Een familiezaak raakte niemand, en men kon zich met een familiezaak in tegenwoordigheid van de geheele wereld bezighouden. Aramis had het denkbeeld gevonden: den lakei. Porthos het middel: den diamant. Alleen d’Artagnan had niets gevonden, hij, gewoonlijk de vindingrijkste van allen; maar het moet ook gezegd worden, dat alleen de naam van milady voldoende was om hem te ontzenuwen. Maar neen, wij bedriegen ons, hij had een kooper voor den diamant gevonden.
Het ontbijt bij den heer de Tréville was zeer vroolijk. D’Artagnan bezat reeds zijn nieuwe uniform. Van bijna dezelfde grootte als Aramis zijnde, had deze, die, zooals men weet, zoo edelmoedig betaald was geworden door den boekverkooper, die zijn dichtstuk had gekocht, alles dubbel laten maken en zijn vriend een volledige uitrusting afgestaan. D’Artagnan zou het toppunt zijner wenschen hebben bereikt, indien hij niet milady als een donkere wolk aan den gezichteinder had zien opdagen.
Na het ontbijt maakte men afspraak, elkander bij Athos dienzelfden avond weder te vinden, alwaar men de zaak zou afhandelen.
D’Artagnan besteedde den dag met het vertoonen van zijn musketiersgewaad in al de straten van het legerkamp. Des avonds vereenigden zich de vier vrienden op het bepaalde uur; er bleven nog slechts drie punten ter overweging over: Wat men aan den broeder van milady zou schrijven. Wat men aan dien knappen persoon van Tours zou schrijven. En wie de lakeien zouden zijn, die de brieven moesten bezorgen. Elk bood den zijnen aan. Athos roemde de stilzwijgendheid Boulogne had gedragen. Die vier deugden betwistten elkander lang den prijs en gaven aanleiding tot redevoeringen, die wij, uit vrees voor langwijligheid, niet zullen mededeelen.
„Ongelukkiglijk,” zeide Athos, „zou hij, dien men zond, alleen die vier hoedanigheden bij elkander moeten bezitten.”—„Maar waar een dergelijken dienaar te vinden?”—„Die is niet te vinden,” zeide Athos, „dat weet ik wel; neem dus Grimaud.”—„Neem Mousqueton.”—„Neem Bazijn.”—„Neem Planchet. Planchet is trouw en behendig, dat zijn reeds twee hoedanigheden van de vier.”—„Mijne heeren!” zeide Aramis, „het voornaamste is niet te weten, wie van onze vier knechts de geheimhoudendste, de sterkste, de behendigste of de moedigste is; het voornaamste is te weten, wie het meest van geld houdt.”—„Hetgeen Aramis daar opmerkt, is zeer verstandig gezegd,” hernam Athos; „men moet met de gebreken der menschen zijn voordeel doen, en niet met hun deugden. Mijnheer de abt, gij zijt een groot zedenmeester!”—„Ongetwijfeld,” hernam Aramis, „want wij moeten niet alleen goed bediend worden, ten einde te slagen, maar ook om onze onderneming niet te doen mislukken; immers in het laatste geval is niet het hoofd van den lakei....”—„Spreek zachter, Aramis!” zeide Athos.—„Het is waar ook. Is niet het hoofd van den lakei, maar dat van den meester er mede gemoeid. Hebben onze knechts ons nu zoo lief, dat zij hun hoofden voor ons zouden wagen? Neen.”—„Wel,” zeide d’Artagnan, „ik zou bijna voor Planchet willen verantwoordelijk blijven.”—„Welnu, mijn beste vriend! voeg dan bij zijn natuurlijke genegenheid een goede som, die hem
„Ach, mijn God! gij zoudt u eveneens bedrogen vinden,” zeide Athos, die Optimist was wanneer het zaken, en Pessimist wanneer het menschen betrof: „zij zullen alles beloven voor geld, maar onderweg zal de vrees hen beletten te handelen. Eenmaal in handen, zal men hen knijpen; en geknepen, zullen zij bekennen. Wat duivel! wij zijn kinderen! Om naar Engeland te gaan (Athos begon zachter te spreken) moet men geheel Frankrijk door, dat wemelt van spionnen en aanhangers van den kardinaal; men moet Engelsch spreken, om in Londen den weg te vragen. Zie, ik beschouw de zaak als zeer moeilijk.”—„Wel, volstrekt niet,” zeide d’Artagnan, die er zeer op gesteld was, dat de zaak werd voortgezet; „ik, integendeel, beschouw ze als zeer uitvoerbaar. Het spreekt vanzelf, parbleu! dat wanneer men lord de Winter ongerijmdheden, afschuwelijkheden van den kardinaal schrijft....”—„Spreek toch zachter,” zeide Athos.—„Intrigues en staatsgeheimen,” ging d’Artagnan voort, de aanbeveling nakomende, „dan spreekt het vanzelf, dat men ons levend zal radbraken. Maar om Gods wil, vergeet niet, zooals gij het zelf hebt gezegd, Athos! dat wij over familiezaken schrijven; dat wij hem alleen schrijven, milady, zoodra zij in Engeland aankomt, buiten staat te stellen ons te schaden. Ik zal hem een brief in dien zin schrijven.”—„Laat hooren,” zeide Aramis, reeds bij voorbaat het gezicht van een recensent aannemende.
„Mijnheer en waarde vriend!....”
„Wel zeker! waarde vriend aan een Engelschman! Alleen om deze woorden zou men u vierendeelen, in plaats van levend radbraken.”—„Welnu, dan zal ik eenvoudig mijnheer schrijven.”—„Gij kunt wel mylord zeggen,” hernam Athos, die zeer op étiquette was gesteld.—„Mylord! herinnert gij u nog wel die kleine omheinde geitenweide bij het Luxembourg?”—„Nog fraaier! Nu het Luxembourg! men zal gelooven, dat men sacrebleu!” hernam Athos.—„Maar,” vervolgde Aramis, „die bijzonderheden zijn mij ontgaan.”—„En mij ook,” zeide Porthos.
D’Artagnan en Athos beschouwden elkander een poos zwijgend. Eindelijk gaf Athos, na overwogen te hebben, en nog bleeker geworden zijnde dan gewoonlijk, een teeken van toestemming. D’Artagnan begreep, dat hij mocht spreken.
„Welnu, ziehier wat er te schrijven is,” hernam d’Artagnan: „Mylord! uw schoonzuster is een slechte vrouw, die u heeft willen doen vermoorden om van u te erven; zij mocht trouwens met uw broeder niet Frankrijk....” D’Artagnan zweeg, als om het woord te zoeken, terwijl hij Athos aanzag.—„Door haar man was weggejaagd,” zeide Athos.—„Uit hoofde zij gebrandmerkt was,” vervolgde d’Artagnan.—„Och!” riep Porthos, „onmogelijk! zou zij haar schoonbroeder hebben willen doen vermoorden?”—„Ja.”—„Was zij reeds gehuwd?” vroeg Aramis.—„Ja.”—„En heeft haar man ontdekt, dat zij een lelie op den schouder had?” riep Porthos.—„Ja.”—Driemaal had Athos ja gezegd, met een trapsgewijze verdooving zijner stem.—„En wie heeft die lelie gezien?” vroeg Aramis.—„D’Artagnan en ik; of liever, om de chronologische volgorde in acht te nemen, ik en d’Artagnan,” antwoordde Athos.—„En leeft dat afschuwelijk schepsel nog?” vroeg Aramis.—„Het leeft nog.”—„Zijt gij er zeker van?”—„Ik ben er zeker van.”
Een oogenblik heerschte er een onaangename stilte, van welke ieder, volgens zijn aard, den indruk voelde.
„Nu, dezen keer,” hernam Athos, het eerst de stilte afbrekende, „heeft d’Artagnan ons een heerlijk voorschrift gegeven, en dat is het, wat wij vooreerst moeten schrijven.”—„Duivelsch! gij hebt gelijk, Athos!” hernam Aramis, „maar het opstel is moeilijk genoeg. Mijnheer de kanselier zoude zelfs in verlegenheid zijn een dergelijken brief op te stellen, en nochtans stelt hij zeer aardig een proces-verbaal op. Maar het doet er niet toe. Zwijgt nu een oogenblik en ik zal schrijven.”
Aramis nam de pen, peinsde eenige oogenblikken, schreef een acht- of tiental regels in een zeer net, klein vrouwenschrift; vervolgens las hij met een zachte stem en langzaam, alsof elk woord nauwkeurig ware overwogen, het volgende:
„Mylord!
De persoon, die u deze weinige regels schrijft, heeft de eer gehad den degen met u te kruisen in zekere kleine omheinde weide in de straat d’Enfer. Engeland, reeds in Frankrijk was gehuwd; maar de derde maal, hetgeen nu het geval is, zoudt gij kunnen bezwijken. Uw bloedverwante is van la Rochelle naar Engeland vertrokken. Bewaak haar bij haar aankomst, want zij wil groote en verschrikkelijke plannen volvoeren. Als gij volstrekt wilt weten, waartoe zij in staat is, lees dan haar verleden op den linkerschouder.”
„Wel, dat kan niet beter,” zeide Athos, „en gij hebt een stijl als van een staatssecretaris, mijn waarde Aramis! De Winter zal nu een waakzaam oog houden, althans indien de waarschuwing hem gewordt, en al mocht die brief in handen van Zijne Eminentie vallen, kan hij ons niet benadeelen. Maar dewijl de knecht, die vertrekken moet, ons zou kunnen wijsmaken, dat hij in Londen is geweest, en echter te Châtellerault kan gebleven zijn, moeten wij hem niet meer dan de helft der som geven, met belofte hem de andere helft voor het antwoord te geven. Hebt gij den diamant?”—„Ik heb iets beters dan dat, ik heb het geld,” zeide d’Artagnan, en hij wierp den zak op tafel.
Op den klank van het geld richtte Aramis de oogen hemelwaarts. Porthos sprong op, terwijl Athos onbeweeglijk bleef zitten.
„Hoeveel is er in dien kleinen zak?” vroeg de laatste.—„Zeven duizend franken, in louis van twaalf franken.”—„Zeven duizend franken?” riep Porthos; „was die kleine, nietige diamant zeven duizend franken waard?”—„Het schijnt wel, want daar zijn ze; ik kan toch niet veronderstellen, dat onze vriend d’Artagnan er van het zijne heeft bijgelegd?”—„Maar, heeren! bij dat alles wordt er niet aan de koningin gedacht; Tours bewoont, opstellen.”
Aramis vatte wederom de pen op, begon opnieuw te peinzen en schreef de volgende regels, die hij onmiddellijk aan de goedkeuring zijner vrienden onderwierp:
„Lieve nicht!”
„O, o!” riep Athos, „is die knappe persoon uw nicht?”—„Mijn volle nicht,” zeide Aramis.—„Laat het dan nicht zijn!”
Aramis vervolgde:
„Lieve nicht!
Zijne Eminentie de kardinaal, dien God behoede voor het heil van Frankrijk en het verderf der vijanden van het koninkrijk, is op het punt een einde aan de kettersche rebellen van la Rochelle te maken; het is waarschijnlijk, dat de Engelsche vloot, ter hulp gezonden, niet in het gezicht der stad zal komen; ik zou zelfs durven verzekeren, dat de hertog van Buckingham door een of andere groote gebeurtenis zal belet worden te vertrekken. Zijne Eminentie is de beroemdste staatkundige van den tegenwoordigen tijd, en misschien der toekomstige tijden. Hij zou de zon uitdooven, indien de zon hem hinderde. Deel die gelukkige tijding aan uw zuster mede, lieve nicht! Ik heb gedroomd, dat die vervloekte Engelschman dood was. Ik herinner mij niet meer, of zulks ten gevolge van staal of vergift was. Alleen, en hiervan ben ik zeker, is, dat hij dood was; en gij weet, mijn
„Kostelijk!” riep Athos; „gij zijt de koning der dichters, mijn waarde Aramis! Gij spreekt als de openbaring van Johannes, en gij zijt zoo waar als het evangelie. Er blijft nu slechts over, het adres op den brief te zetten.”—„Dat is zeer gemakkelijk,” zeide Aramis.
Hij maakte op sierlijke wijze den brief dicht, daarop keerde hij hem om en schreef er op:
„Aan mejuffrouw Michon, koopvrouw in lijnwaad te Tours.”
De drie vrienden zagen elkander lachend aan. Men had Aramis beet.—„Nu begrijpt gij wel, heeren!” zeide Aramis, „dat alleen Bazijn den brief naar Tours kan brengen. Mijn nicht kent niemand dan Bazijn en stelt alleen in hem vertrouwen. Elk ander zou de zaak doen mislukken. Bovendien is Bazijn eerzuchtig en geleerd. Bazijn kent de geschiedenis, mijne heeren! hij weet, dat Sixtus V, na varkenshoeder te zijn geweest, paus is geworden; en dewijl hij voornemens is tegelijk met mij zich aan de kerk te verbinden, laat hij de hoop ook niet varen nog eenmaal paus, ten minste kardinaal te worden. Nu begrijpt gij wel, dat iemand, die zulke vooruitzichten heeft, zich niet laat vangen, en gevangen wordende, liever martelaar wordt dan te spreken.”
„Zeer goed,” zeide d’Artagnan, „ik sta u van harte Bazijn af, maar laat mij Planchet. Milady heeft hem op zekeren dag met stokslagen de deur uit laten werpen. En dewijl Planchet een zeer goed geheugen heeft, sta ik u borg, indien hij de minste wraak als mogelijk beschouwt, dat hij zich liever levend zal doen radbraken dan er van af te zien. Indien de zaken van Tours de uwe zijn, Aramis! zijn die van Londen de mijne. Ik verzoek dus, dat men Planchet verkieze, die buitendien reeds met mij te Londen is geweest en zeer goed kan zeggen: ‚London, Sir if you please’, en ‚my master, lord d’Artagnan.’ Wees daarom gerust, hij zal zijn weg wel vinden heen en weer.”
„In dat geval,” zeide Athos, „moet Planchet zevenhonderd franken om te gaan en zevenhonderd franken, om terug te keeren hebben, en Bazijn driehonderd franken om te gaan en driehonderd franken om terug te keeren; dat zal de som tot vijf duizend franken verminderen. Wij zullen elk duizend franken nemen om die naar ons goedvinden te gebruiken, en een fonds van duizend franken houden, dat de abt zal bewaren voor buitengewone uitgaven of gemeenschappelijke benoodigdheden. Neemt gij hiermede genoegen?”—„Mijn waarde Athos!” zeide Aramis, „gij spreekt als een Nestor, die, zooals de geheele wereld weet, de wijste onder de Grieken was.”—„Welnu, het is bepaald,” hernam Athos, „Planchet en Bazijn zullen vertrekken. En alles wel beschouwd is het mij niet onaangenaam Grimaud te behouden; hij is aan mijn leefwijze gewoon en ik ben aan hem gehecht; de dag van gisteren heeft hem reeds moeten doen wankelen; die reis zou hem geheel verloren doen gaan.”
Men liet Planchet komen en gaf hem de noodige voorschriften; hij was door d’Artagnan reeds gewaarschuwd, die hem vooreerst roem, ten tweede geld en eindelijk gevaar had doen vooruitzien.
„Ik zal den brief tusschen de voering van mijn kleed steken,” zeide Planchet, „en dien inslikken, wanneer men mij aanhoudt.”—„Maar dan zult gij uw boodschap niet kunnen verrichten,” zeide d’Artagnan.—„Geef er mij van avond een afschrift van, en ik zal het morgen van buiten kennen.”
D’Artagnan beschouwde zijn vrienden als wilde hij vragen: „Wel, wat heb ik u gezegd?”
„En nu,” ging hij voort, zich tot Planchet wendende, „gij hebt aan acht dagen genoeg om u naar lord de Winter te begeven; gij hebt vervolgens wederom acht dagen om terug te keeren; dus in het geheel zestien dagen. Indien gij nu den zestienden dag na uw vertrek des avonds te acht uur niet terug zijt, dan krijgt
En Planchet begon te huilen; wij durven niet zeggen of zulks van angst voor de hem gedane bedreigingen was, of van verteedering op het zien dezer zoo nauw aan elkander verbonden vrienden. D’Artagnan vatte hem bij de hand.
„Ziet gij, Planchet!” zeide hij, „die heeren zeggen u dat alleen uit liefde voor mij; maar inderdaad houden zij veel van u.”—„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, „òf ik zal slagen, òf men zal mij vierendeelen; maar wees verzekerd, dat er geen stuk van mij zal spreken.”
Het was bepaald, dat Planchet den volgenden dag, des morgens te acht uur, zou vertrekken, ten einde, zooals hij had gezegd, des nachts den brief van buiten te kunnen leeren. Hij won juist twaalf uren bij die schikking, immers hij moest den zestienden dag daarna, des avonds te acht uur, terug zijn.
Des morgens, toen hij wilde te paard stijgen, nam d’Artagnan, die in zijn hart een zwak voor den hertog van Buckingham gevoelde, hem ter zijde en zeide hem: „Luister! Zoodra gij den brief aan lord de Winter zult hebben ter hand gesteld en hij dien gelezen heeft, zult
Bazijn vertrok den volgenden dag naar Tours en verkreeg acht dagen om zijn boodschap te verrichten.
De vier vrienden waren, gedurende al den tijd dat beiden afwezig waren, meer dan ooit werkzaam en scherpten hiertoe al hun zintuigen. Zij brachten den dag door in pogingen om te beluisteren wat er rondom hen gesproken werd, in het nagaan der gangen van den kardinaal en het uithooren der koeriers, die aankwamen. Meer dan eens overviel hen een onwillekeurige rilling, wanneer zij geroepen werden ter uitvoering van een onverwachten dienst. Zij waren buitendien genoodzaakt voor hun eigene zekerheid te waken; immers milady was een spookgedaante die, wanneer zij eenmaal aan de lieden was verschenen, hun een gerusten slaap niet meer vergunde.
Op den ochtend van den achtsten dag trad Bazijn, als naar gewoonte frisch en glimlachende, de herberg het Geuzennest binnen, terwijl de vier vrienden zaten te ontbijten, en volgens afspraak zich tot Aramis wendende, zeide hij: „Ziedaar, mijnheer! het antwoord van uw nicht.”
De vier vrienden wisselden een verheugden blik met elkander; de helft van het werk was verricht; het is waar, dat het de gemakkelijkste en kortste helft was. Aramis nam onwillekeurig blozende den brief, die zeer
„Goede God!” riep hij lachend uit, „nu wanhoop ik er voor altijd aan, dat die arme Michon ooit als de Heer Voiture zal schrijven.”—„Was sagst du doch, die arme Migeon?” vroeg de Zwitser, die met de vier vrienden in gesprek was, toen de brief kwam.—„Ach, mijn God! iets minder dan niets,” zeide Aramis, „het betreft een allerliefst linnenkoopstertje, die ik veel liefde toedraag en die mij ter gedachtenis eenige regels heeft gezonden.”—„Teufel!” zeide de Zwitser, „wenn sie eine ebengrosse Tame als ihr Schrift ist, dann bist du mein Freund ein glücklicher Mann.”—„Zie eens wat zij mij schrijft, Athos!”—Athos wierp een blik op den brief en om alle vermoedens te doen verdwijnen, die zouden hebben kunnen ontstaan, las hij luid:
„Neef! mijn zuster en ik kunnen zeer goed droomen uitleggen en zijn er vreeselijk benauwd voor, maar van den uwen zal men hoop ik kunnen zeggen: droomen is bedrog.... Vaarwel, houd u goed en tracht ons van tijd tot tijd eenige tijding van u te doen geworden.
Aglaé Michon.”
„En van welken droom spreekt zij?” vroeg de dragonder, die onder het lezen was genaderd.—„Ja, was träumte sie?” hernam de Zwitser.—„Wel, pardieu!” zeide Aramis, „van den droom, dien ik heb verhaald.”—„Ach ja! es ist ganz natürlich von sein Traum zu sprechen, aber ich träume nie.”—„Gij zijt wel gelukkig,” zeide Athos opstaande, „en ik zou gaarne zulks met u willen zeggen.”—„Nie!” hernam de Zwitser, verheugd dat een man als Athos hem iets benijdde, „nie! nie!”
D’Artagnan, ziende dat Athos opstond, deed evenzoo, nam zijn arm en vertrok. Porthos en Aramis bleven, om op de kwinkslagen van den dragonder en den Zwitser te kunnen antwoorden. Intusschen ging Bazijn op een bos stroo liggen slapen, en daar zijn verbeelding waakzamer was dan die van den Zwitser, droomde hij,
Maar, zooals wij zeiden, had Bazijn, door zijn gelukkige terugkomst, slechts een gedeelte der ongerustheid, die de vier vrienden prikkelde, weggenomen. Het wachten valt lang; en vooral d’Artagnan zou gezworen hebben, dat de dagen acht en veertig uren hadden. Hij vergat de noodwendige langzaamheid der scheepvaart, hij overdreef de macht van milady en schreef aan die vrouw, welke hem een helsche geest scheen, bovennatuurlijke bondgenooten toe, aan haar gelijk; hij verbeeldde zich bij het minste gerucht, dat men hem kwam halen en Planchet terugbracht, om dezen met hem en zijn vrienden te confronteeren. En wat meer is, zijn vertrouwen in den waardigen Picardiër verminderde dagelijks. Die ongerustheid was zoo sterk, dat zij ook Porthos en Aramis overviel; alleen Athos bleef zich zelven gelijk, alsof geen enkel gevaar hem dreigde en hij in zijn gewone sfeer verkeerde.
Vooral waren die teekenen van onrust den zestienden dag zoo zichtbaar bij d’Artagnan en zijn twee vrienden, dat zij niet stil konden blijven en steeds als schimmen op den weg dwaalden, langs welken Planchet moest terugkomen.
„Waarlijk,” zeide Athos, „gij zijt geen mannen, gij zijt kinderen, om u door een vrouw zooveel angst te laten aanjagen. En wat beteekent het in alle geval, gevangen te worden genomen? Welnu, men zal ons uit de gevangenis bevrijden, waaruit men juffrouw Bonacieux wel heeft bevrijd.... Te worden onthalsd? maar wij gaan immers dagelijks in de loopgraven ons nog meer blootstellen; want een kogel kan ons been verbrijzelen, en ik ben zeker, dat een wondheeler ons meer doet lijden, door ons een been af te zetten, dan een beul door ons het hoofd af te slaan. Weest dus gerust, binnen twee, vier of zes uren op het langst zal Planchet hier wezen; hij heeft beloofd hier te zijn, en ik stel veel vertrouwen in de beloften van Planchet, die merkwaardige13) vrouw!” riep Porthos hard lachende.
Athos ontroerde, bracht de hand aan het voorhoofd, om er het zweet af te wisschen, en stond op zijn beurt op met een zenuwachtige spanning, die hij niet kon bedwingen.
De dag liep ten einde, en de avond naderde langzaam, maar hij kwam toch; de kroegen vulden zich met drinkers. Athos, die zijn aandeel van den diamant had ontvangen, verliet het Geuzennest niet meer; hij had in den heer de Busigny, die den vrienden bereids een prachtig maal had gegeven, een hem waardigen drinkebroer gevonden. Zij waren met elkander, volgens gewoonte, aan het dobbelen, toen het zeven uur sloeg; men hoorde de patrouilles voorbijgaan, die de wachtposten gingen verdubbelen. Te half acht werd de taptoe geslagen.
„Wij zijn verloren,” zeide d’Artagnan, Athos in het oor fluisterende.—„Gij wilt zeggen, dat wij verloren
En Athos verliet het Geuzennest, gevolgd door d’Artagnan. Aramis kwam achterna, den arm aan Porthos gevende. Aramis zeide bij zich zelven verzen op, en Porthos trok zich van tijd tot tijd wanhopend eenige haren uit den knevel.
Maar daar verschijnt eensklaps in de duisternis een schim, van welke de gestalte aan d’Artagnan niet onbekend is, terwijl een ook bekende stem hem toeroept: „Mijnheer! ik breng u uw mantel, want het is koud van avond.”—„Planchet!” riep d’Artagnan buiten zich zelven van vreugd.—„Planchet!” riepen Porthos en Aramis.—„Welnu ja, wat is er aan Planchet wonders te zien?” zeide Athos. „Hij heeft beloofd te acht uur terug te zullen zijn, en ziedaar slaat het acht uur. Bravo, Planchet! gij zijt een man van uw woord, en indien gij ooit uw meester mocht verlaten, heb ik voor u een plaats in mijn dienst open.”—„Neen, nooit,” zeide Planchet, „nooit zal ik den heer d’Artagnan verlaten.”
En tegelijkertijd voelde d’Artagnan, dat Planchet hem een briefje in de hand stopte. D’Artagnan had veel lust Planchet te omhelzen; maar hij was bevreesd, dat dit bewijs van genegenheid midden op den weg, jegens zijn lakei betoond, den een of anderen voorbijganger zou opvallen, en hij bedwong zich.—„Ik heb het antwoord,” zeide hij tot Athos en zijn vrienden.—„Goed,” hernam Athos, „laat ons binnengaan, en wij zullen het lezen.”
Het briefje brandde in de hand van d’Artagnan; hij wilde zijn schreden verhaasten, maar Athos nam hem bij den arm, en de jongeling was genoodzaakt zijn stap naar dien van zijn vriend te regelen. Eindelijk trad men de tent binnen, men stak een lamp aan, en terwijl Planchet voor de deur bleef staan, ten einde te zorgen, dat de vier vrienden niet werden overvallen,
Hij behelsde slechts een halven regel echt Engelsch schrift, van een volkomen Spartaansche zakelijkheid:
„Thank you; be easy.”
Hetgeen wilde zeggen: ik dank u: wees gerust. Athos nam den brief uit de handen van d’Artagnan, stak hem in de vlam der lamp en liet hem niet los, voordat hij tot asch verteerd was. Vervolgens riep hij Planchet.
„Thans, mijn jongen!” zeide hij, „kunt gij de zevenhonderd franken eischen, maar gij waagdet niet veel met een dergelijk briefje.”—„Dat heeft niet belet, dat ik allerhande middelen heb moeten bedenken, om het goed te verbergen,” zeide Planchet.—„Welnu,” zeide d’Artagnan, „verhaal ons dat eens.”—„Duivelsch,” zeide Planchet, „dat vereischt veel tijd, mijnheer!”—„Gij hebt gelijk, Planchet! bovendien is de taptoe geslagen en men zou ons opmerken, indien men langer dan bij de anderen licht bij ons zag.”—„Goed,” zeide d’Artagnan, „laat ons gaan slapen, slaap wel, Planchet!”—„Op mijn woord, mijnheer! dat zal de eerste maal sedert zestien dagen zijn.”—„Voor mij ook,” zeide d’Artagnan.—„Voor mij ook,” hernam Aramis.—„Luistert, wilt gij dat ik u de waarheid zegge? Voor mij ook,” zeide Athos.