HOOFDSTUK XVIII.
Reading edition
Minnaar en echtgenoot.
„O, lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, door de deur binnenkomende, welke de jonge vrouw voor hem opende, „veroorloof mij het u te zeggen; gij bezit al een raren echtgenoot.”—„Hebt gij dan ons gesprek gehoord?” vroeg juffrouw Bonacieux haastig, d’Artagnan met ongerustheid beschouwende.—„Geheel en al.”—„Maar op welke wijze, mijn God!”—„Door een aan mij alleen bekend middel, en door hetwelk ik ook het meer geruchtmakend gesprek van u met de gerechtslieden des kardinaals hoorde.”—„En wat hebt gij verstaan van hetgeen wij zeiden?”—„Duizenderlei zaken: vooreerst, dat uw man een zot, een dwaas is; gelukkig, dat gij in verlegenheid zijt, waarover ik zeer verheugd ben, immers dit stelt mij in de gelegenheid u van dienst te zijn, en God is het bekend, hoe ik er naar streef, om voor u door het vuur te loopen, en eindelijk dat de koningin een moedigen, verstandigen en trouwen dienaar behoeft om voor haar een reis naar Londen te doen. Ik heb ten minste twee der hoedanigheden,
Juffrouw Bonacieux antwoordde niet; maar haar hart klopte van blijdschap en een heimelijke hoop schitterde in haar oogen.—„En welken waarborg zult gij mij geven, indien ik u met deze zending belast?” vroeg zij.—„Mijn liefde voor u. Welaan! spreek, beveel, wat moet ik doen?”—„Mijn God! mijn God!” mompelde de jonge vrouw, „moet ik u een dergelijk geheim toevertrouwen, mijnheer, gij zijt nog zoo jong.”—„Nu, ik zie, dat gij iemand verlangt, die voor mij verantwoordelijk blijft.”—„Ik beken, dat zulks mij zou gerust stellen.”—„Kent gij Athos?”—„Neen.”—„Porthos?”—„Neen.”—„Aramis?”—„Neen; wie zijn die heeren?”—„Musketiers van den koning. Kent gij den heer de Tréville, hun kapitein?”—„O ja, hem ken ik, wel niet persoonlijk, maar door dikwijls de koningin over hem te hebben hooren spreken, als van een moedigen en trouwen edelman.”—„Gij vreest niet, dat hij u aan den kardinaal zal verraden, niet waar?”—„O, neen, volstrekt niet.”—„Welnu, openbaar hem uw geheim en vraag hem of gij, hoe gewichtig, hoe vreeselijk, hoe kostbaar dit geheim ook zij, het mij kunt vertrouwen.”—„Maar dat geheim behoort mij niet; en ik mag het zoo maar niet openbaren.”—„Gij wildet het wel aan den heer Bonacieux mededeelen,” zeide d’Artagnan gebelgd.—„Zooals men een brief aan de holte van een boom, aan den vleugel eens vogels, of aan den halsband van een hond toevertrouwt.”—„En echter gij ziet wel, dat ik u bemin.”—„Gij zegt het.”—„Ik ben een man van eer.”—„Ik wil het gelooven.”—„Ik ben moedig.”—„O, hiervan ben ik overtuigd.”—„Welnu, stel mij dan op de proef.”
Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met een laatste weifeling. Maar in zijn oogen schitterde een zoo vurige gloed, in zijn stem lag zooveel overtuiging, dat zij zich eindelijk overgehaald voelde op hem te vertrouwen. Bovendien bevond zij zich in een dier omstandigheden, waarin men alles moet wagen. De
„Luister,” zeide zij. „Ik geloof uw betuigingen en onderwerp mij aan uw verzekering.... Maar ik zweer u voor God, die ons hoort, dat, indien gij mij verraadt en mijn vijanden mij al mochten vergeven, ik mij echter het leven zal ontnemen en u van mijn dood beschuldigen.”—„En ik zweer u voor God, mejuffrouw!” zeide d’Artagnan, „dat indien ik gevangen word genomen, terwijl ik de bevelen zal ten uitvoer brengen, welke gij mij geeft, ik liever zal sterven, dan iets te zeggen of te doen, wat iemand in gevaar zou kunnen brengen.”
Toen deelde de jonge vrouw hem het verschrikkelijke geheim mede, waarvan het toeval hem reeds een gedeelte vóór de Samaritaine had geopenbaard. Het was een wederzijdsche liefdesverklaring. D’Artagnan’s gelaat blonk van vreugde en hoogmoed. Dat geheim, hetwelk hij bezat, die vrouw, welke hij beminde, het vertrouwen en de liefde maakten hem tot een reus.
„Ik vertrek,” zeide hij, „ik vertrek oogenblikkelijk.”—„Hoe, gij vertrekt!” riep juffrouw Bonacieux, „en uw kompagnie? uw kapitein?”—„Op mijn eer, gij hebt mij dat alles doen vergeten, lieve Constance! ja, gij hebt gelijk, ik heb een verlof noodig.”—„Wederom een hinderpaal,” lispte juffrouw Bonacieux smartelijk.—„O, dien!” riep d’Artagnan, na een oogenblik van overweging, „dien zal ik weten te overkomen, wees gerust.”—„Op wat wijze?”—„Ik zal nog heden avond den heer de Tréville een bezoek brengen, ik zal hem belasten, die gunst voor mij van zijn schoonbroeder, den heer des Essarts, te verzoeken.”—„Maar nu iets anders!”—„Wat?”—„Gij hebt misschien geen geld.”—„Misschien, is te veel,” zeide d’Artagnan glimlachende.—„Dan,” hernam juffrouw Bonacieux, een kast openende en daaruit den zak halende, dien een half Pardieu!” riep d’Artagnan, „het zal voor mij dubbel vermakelijk zijn, de koningin te redden met het geld Zijner Eminentie.”—„Gij zijt een beminnelijk en bevallig jongeling,” zeide juffrouw Bonacieux, „geloof, dat Hare Majesteit niet ondankbaar zal zijn.”—„O, ik ben al rijkelijk beloond!” riep d’Artagnan; „ik bemin u, gij veroorlooft mij u zulks te zeggen, dat is al meer geluk dan ik durfde hopen....”—„Stil,” zeide juffrouw Bonacieux verschrikt.—„Wat?”—„Men spreekt op straat. Het is de stem van mijn man. Ja, ik heb haar herkend.”
D’Artagnan liep naar de deur en schoof den grendel er op.—„Hij zal niet eer binnenkomen, alvorens ik mij verwijderd heb,” zeide hij, „en dan kunt gij hem de deur openen.”—„Maar ik had ook moeten vertrokken zijn; en hoe de verdwijning van dien zak gelds te verklaren, indien ik er nog ben?”—„Gij hebt gelijk, gij moet ook van hier.”—„Maar hoe, hij zal ons zien uitgaan.”—„Dan moet gij in mijn kamer gaan.”—„O!” riep juffrouw Bonacieux, „gij zegt mij dit op een toon, die mij verschrikt.”
Juffrouw Bonacieux sprak deze woorden uit met tranen in de oogen. D’Artagnan zag die tranen en ontroerd, verteederd, wierp hij zich voor haar op de knieën.—„In mijn kamer zult gij zoo zeker als in een tempel zijn, op mijn woord van edelman!”—„Laat ons dan gaan,” zeide zij, „ik vertrouw mij aan u, mijn vriend!”
D’Artagnan schoof wederom den grendel van de deur en beiden, licht als schimmen, slopen door de binnendeur in de gang, klommen stil de trap op en Meung.
„Wat wilt gij doen?” riep juffrouw Bonacieux; „gij zult ons in het verderf storten!”—„Maar ik heb gezworen, dien man om het leven te brengen!” zeide d’Artagnan.—„Uw leven is op het oogenblik aan den dienst van een andere gewijd en behoort u niet. In naam der koningin, verbied ik u volstrekt, u in eenig gevaar te begeven, dat vreemd aan uw reis is.”—„En beveelt gij niets uit uw naam?”—„In mijn naam,” zeide juffrouw Bonacieux met levendige aandoening, „in mijn naam smeek ik u er om. Maar luister, het schijnt dat zij over mij spreken.”
D’Artagnan naderde het venster en luisterde. De heer Bonacieux had de deur geopend, maar het vertrek ledig ziende, was hij naar den man met den mantel teruggekeerd, welken hij een oogenblik te voren verlaten had.
„Zij is vertrokken,” zeide hij, „zij zal naar het Louvre zijn teruggekeerd.”—„Gij zijt immers zeker,” antwoordde de vreemdeling, „dat zij betreffende het oogmerk van uw uitgaan niets heeft vermoed?”—„Neen,” antwoordde Bonacieux vol vertrouwen, „zij is een al te onnoozele vrouw.”—„Is de kadet der gardes te huis?”—„Ik geloof neen; zooals gij ziet is het raam zijner kamer gesloten, en men ziet niet het minste licht door de reten schijnen.”—„Dat doet er niet toe, wij moeten er ons van overtuigen.”—„Op wat wijze?”—„Door aan zijn deur te kloppen, terwijl ik zijn knecht zal ondervragen.”—„Goed.”
Bonacieux keerde in huis terug, ging dezelfde deur binnen, door welke de beide vluchtelingen waren vertrokken,
„Er is niemand in zijn kamer,” zeide Bonacieux.—„Het doet er niet toe, gaan wij liever in huis, wij zullen daar vertrouwelijker kunnen spreken dan voor de deur.”—„Ach, mijn God!” lispte juffrouw Bonacieux, „wij zullen nu niets meer hooren.”—„Integendeel,” zeide d’Artagnan, „wij zullen nu te beter kunnen hooren.”
D’Artagnan lichtte de drie of vier vloersteenen op, wat van zijn kamer een soort van oor van Dionysius maakte, spreidde een tapijt over den grond, ging op de knieën liggen en wenkte juffrouw Bonacieux, om zich over de opening te buigen, zooals hij deed.
„Gij zijt zeker, dat ons niemand kan beluisteren?”—„Niemand, dat verzeker ik u,” antwoordde Bonacieux.—„En gij denkt, dat uw vrouw naar het Louvre is teruggekeerd, zonder iemand anders gesproken te hebben dan u?”—„Daarvan ben ik zeker.”—„Gij begrijpt, dat het een gewichtig punt is.”—„Dus heeft het nieuws, dat ik u heb medegedeeld, eenige waarde?”—„Een zeer groote, mijn waarde Bonacieux! dat ontveins ik u niet.”—„Dan zal de kardinaal ook zeker tevreden over mij zijn?”—„Daar twijfel ik niet aan.”—„Die groote kardinaal!”—„Zijt gij zeker, dat uw vrouw, met u sprekende, zich geen namen heeft laten ontvallen?”—„Ik meen van neen.”—„Heeft zij mevrouw de Chevreuse, noch den hertog van Buckingham of mevrouw de Vernet genoemd?”—„Neen, zij heeft mij niets anders gezegd, dan dat zij mij naar Londen wilde zenden met een boodschap van een doorluchtig personage.”
„De verrader!” mompelde juffrouw Bonacieux.—„Stil,”
„Wat er van zij,” ging de man met den mantel voort, „gij hebt dwaas gehandeld, den schijn niet aangenomen te hebben, die boodschap te willen doen, dan zoudt gij thans den brief hebben; de staat, die bedreigd is, zou gered zijn, en gij....”—„En ik?”—„Wel, de kardinaal zou u brieven van adeldom hebben verleend.”—„Heeft hij het u gezegd?”—„Ja, ik weet, dat hij u hiermede wilde verrassen.”—„Wees gerust,” hernam Bonacieux, „mijn vrouw aanbidt mij, en het is nog tijd.”
„Die zot!” mompelde juffrouw Bonacieux.—„Stil,” herhaalde d’Artagnan, haar nog sterker de hand drukkende.
„Hoe! is het nog tijd?” hernam de man met den mantel.—„Ik keer naar het Louvre terug en vraag om juffrouw Bonacieux te spreken, aan wie ik zal zeggen, dat ik van gedachten veranderd ben; ik knoop de zaak weder aan, verkrijg den brief en spoed mij naar den kardinaal.”—„Welnu, haast u dan; ik zal fluks terug zijn, ten einde te vernemen hoe de zaak is afgeloopen;” en de vreemdeling vertrok.
„Die eerlooze!” zeide juffrouw Bonacieux, wederom haar man dien naam gevende.—„Stil!” herhaalde d’Artagnan, haar hand nog vuriger drukkende.
Een afgrijselijk gebrul brak op dat oogenblik de overwegingen van d’Artagnan en van juffrouw Bonacieux af. Het kwam voort van haar man, die, bemerkt hebbende dat zijn zak met geld was verdwenen, begon te roepen: „Houdt den dief! houdt den dief!”
Bonacieux schreeuwde een geruime poos maar dewijl naar dergelijke kreten niemand in de Doodgraversstraat luisterde, en daarenboven het huis van den winkelier sedert eenigen tijd in geen goede faam stond en hij niemand zag verschijnen, liep hij het huis uit, al schreeuwende, terwijl men zijn stem hoorde, die in de verte, in de richting der straat du Bac, wegstierf.
„En thans, nu hij weg is,” zeide juffrouw Bonacieux,
Eenige oogenblikken later verwijderde d’Artagnan zich op zijn beurt, ook in een wijden mantel gehuld, die van onder werd opgeheven door de scheede van een langen degen. Juffrouw Bonacieux volgde hem met de oogen en met dien smachtenden liefdeblik, dien de vrouw, welke voor een man liefde voelt ontstaan, op dezen werpt, wanneer hij zich verwijdert; maar toen hij om den hoek der straat verdween, viel zij op de knieën, en de handen vouwende, riep zij: „O, mijn God! bescherm de koningin! bescherm mij!”