HOOFDSTUK XIII.
Reading edition
Het nut der kachelpijpen.
Het is blijkbaar, dat, zonder het te weten en alleen gedreven door hun ridderlijken en avontuurlijken aard, onze drie vrienden een dienst hadden bewezen aan iemand, die door den kardinaal met zijn bijzondere bescherming werd vereerd. Maar wie was die iemand?
Het was deze vraag, die de musketiers elkander het eerst deden, vervolgens, toen zij zagen dat geen der antwoorden, welke hun verstand hun ingaf, voldoende was, riep Porthos den kastelein en vroeg om dobbelsteenen. Porthos en Aramis zetten zich aan tafel en begonnen te spelen. Athos wandelde, al peinzende, heen en weer. Alzoo peinzende en wandelende, ging Athos telkens de half afgebroken kachelpijp voorbij, van welke het andere einde in de bovenkamer uitkwam, en telkens als hij er voor heen en weer ging, hoorde hij een fluisterend gesprek, dat eindelijk zijn aandacht wekte. Athos naderde en onderscheidde eenige woorden, die hem ongetwijfeld zoo belangrijk schenen, dat hij zijn vrienden een wenk gaf stil te houden, terwijl hij, zijn oor voor de opening der pijp houdende, luisterend bleef staan.
„Luister, milady!” zeide de kardinaal, „de zaak is van het grootste belang. Ga zitten en praten wij eens....”
„Milady!” mompelde Athos.
„Ik luister naar Uwe Eminentie met de grootste aandacht,” antwoordde een vrouwenstem, die den musketier deed ontroeren.—„Een klein vaartuig, Charente, nabij het fort la Pointe; het zal morgenochtend onder zeil gaan.”—„Ik moet dus nog hedennacht mij derwaarts begeven?”—„Oogenblikkelijk, dat is, na mijn voorschriften te hebben ontvangen. Twee mannen, die gij, hier uitgaande, voor de deur zult vinden, zullen u tot geleide verstrekken; ik zal het eerst vertrekken, vervolgens zult gij u een half uur daarna op uw beurt verwijderen.”—„Goed, Uwe Eminentie! Gelieve mij de zending mede te deelen, waarmede gij mij wilt belasten, en daar ik er prijs op stel, voortdurend met het vertrouwen van Uwe Eminentie vereerd te worden, zoo zou ik ze gaarne duidelijk, in bepaalde woorden van Uwe Eminentie vernemen, opdat er geen vergissing kan plaats hebben.”
Er ontstond voor eenige oogenblikken een diepe stilte tusschen de beide sprekers; blijkbaar overdacht de kardinaal de woorden, welke hij zou bezigen, terwijl milady al haar verstandvermogens inspande, om de zaken te begrijpen, die hij gereed was haar toe te vertrouwen, en na die gehoord te hebben, in haar geheugen te prenten.
Athos nam deze gelegenheid waar, om zijn vrienden te verzoeken de deur van binnen te sluiten, waarna hij hun een teeken gaf met hem te komen luisteren. De twee musketiers, die van hun gemak hielden, namen elk een stoel en een voor Athos. Alle drie zetten zich neder, de hoofden luisterend bij elkander stekende.
„Gij moet naar Londen vertrekken,” hernam de kardinaal; „daar gekomen zult gij Buckingham een bezoek brengen.”—„Ik moet Uwe Eminentie doen opmerken,” zeide milady, „dat sedert de zaak der diamanten haken, welke des hertogs vermoeden op mij heeft doen vallen, Zijne Genade mij wantrouwt.”—„Ook betreft het niet meer zijn vertrouwen te winnen, maar eerlijk en rondborstig in onderhandeling te treden.”—„Eerlijk en rondborstig?” herhaalde milady op een toon van onuitsprekelijke valschheid.—„Ja, rondborstig,” Grooten Mogol, dat de ridder de Guise moest hebben aan gehad, en hij het voor een som van drie duizend pistolen heeft gekocht.”—„Goed, Uwe Eminentie!”—„Al de bijzonderheden van zijn intrede en zijn uitgang des nachts, toen hij zich in het gewaad van een Italiaanschen waarzegger had verkleed, zijn mij bekend; gij zult hem zeggen, opdat hij wederom niet twijfele aan de echtheid mijner narichten, dat hij onder zijn mantel een ruim wit kleed aan had, bezaaid met zwarte tranen en doodshoofden op kruiselings gelegde doodsbeenderen, ten einde in geval van verrassing als de geest der Witte Dame te verschijnen, die, zooals algemeen bekend is, in het Louvre terugkeert, telkens wanneer een groote gebeurtenis ophanden is.”—„Is dat alles, Uwe Eminentie?”
„Zeg hem, dat ik al de bijzonderheden ken van zijn avontuur te Amiëns, dat ik er een kleinen, geestigen roman van zal doen schrijven met een platten grond van den tuin en de portretten der voornaamste acteurs van dat nachtelijk tooneel.”—„Ik zal het hem zeggen.”—„Zeg hem nog, dat Montaigu in mijn macht en in de Ré heeft verlaten, zekeren brief van mevrouw de Chevreuse in zijn kwartier heeft laten liggen, die op zonderlinge wijze de koningin verdacht maakt, daar hij niet alleen bewijst, dat Hare Majesteit de vijanden des konings kan beminnen, maar tevens dat zij met de vijanden van Frankrijk samenspant. Gij hebt alles, wat ik u gezegd heb, goed onthouden, niet waar?”
„Uwe Eminentie zal er over oordeelen: het bal van de vrouw des konnetabels, de nacht in het Louvre, de avond te Amiëns, de gevangenneming van Montaigu, de brief van mevrouw de Chevreuse.”—„Zoo is het,” zeide de kardinaal, „gij hebt een zeer goed geheugen, milady!”—„Maar,” hernam zij, tot wie de kardinaal dat compliment had gemaakt, „indien, ondanks al die redenen, de hertog zich niet onderwerpt en voortgaat Frankrijk te bedreigen?”—„De hertog is verliefd als een dwaas, of liever, als een onnoozele,” hernam Richelieu met bitterheid. „Zooals de oude ridders, heeft hij alleen dezen oorlog ondernomen om een blik zijner schoone te verkrijgen. Indien hij weet, dat die oorlog de eer en misschien de vrijheid van de dame zijner gedachten, zooals hij haar noemt, kan kosten, dan verzeker ik u zal hij zich bedenken.”—„En,” zeide milady met een aandrang, die bewees, hoe zij begeerde haar zending tot aan het einde helder in te zien, „en wanneer hij volhardt?”—„Indien hij volhardt!” zeide de kardinaal.... „dat is niet waarschijnlijk.”—„Dat is mogelijk,” hernam milady.—„Wanneer hij volhardt....”
De kardinaal zweeg een oogenblik en vervolgde toen: „Indien hij volhardt, welnu! dan zal ik op een dier gebeurtenissen hopen, welke het aanzicht der rijken veranderen.”—„Indien Uwe Eminentie mij uit de geschiedenis eenige dier gebeurtenissen wilde aanhalen,”
„Welnu! ziehier bijvoorbeeld,” zeide Richelieu: „Toen in 1610, voor een zaak bijna gelijk aan die, welke thans den hertog doet handelen, Hendrik IV, glorierijker gedachtenis, gelijktijdig Vlaanderen en Italië aanviel om Oostenrijk van beide zijden te treffen, welnu! is er toen niet iets gebeurd, waardoor Oostenrijk werd gered? Waarom zou de koning van Frankrijk niet een even goede kans hebben als de keizer van Oostenrijk?”—„Uwe Eminentie bedoelt den messteek in de straat la Féronnerie?”—„Ja,” zeide de kardinaal.—„Vreest Uwe Eminentie niet, dat de straf van Ravaillac hen zal afschrikken, die een oogenblik de gedachte mochten hebben hem na te volgen?”—„Er zijn in alle tijden en in alle landen, vooral wanneer die landen door verschillende godsdienstige sekten worden verdeeld, geestdrijvers, die niets liever begeeren dan als martelaars te sterven. En ziedaar, ik herinner mij juist, dat de Puriteinen woedend zijn op den hertog van Buckingham, en dat hun predikanten hem als den Antichrist voorstellen.”—„Welnu?” vroeg milady.
„Welnu,” ging de kardinaal op ongedwongen toon voort, „men zou voor het oogenblik, bijvoorbeeld, slechts een jonge, schoone, behendige vrouw moeten kennen, die zich op den hertog zou willen wreken. Zoodanige vrouw kan gevonden worden. De hertog is in de liefde een zeer gelukkig man, en indien hij door zijn belofte van eeuwige trouw veel liefde heeft gezaaid, heeft hij tevens veel haat moeten zaaien door zijn eeuwigdurende ongetrouwheden.”—„Zeker,” zeide milady koel, „een dergelijke vrouw kan gevonden worden.”—„Welnu! zoodanige vrouw, door het mes van Jacques Clement of van Ravaillac in de handen van een geestdrijver te stellen, zou Frankrijk redden.”—„Ja, maar zij zou de medeplichtige van een moordenaar zijn.”—„Heeft men ooit de medeplichtigen van Ravaillac of van Jacques Clement gekend?”—„Neen, want zij waren misschien te hooggeplaatst om hen te durven Mademoiselle de Montpensier of Maria de Médicis heette, ik minder voorzorgen zou nemen dan ik doe, omdat ik eenvoudig lady de Winter heet.”—„Dat is waar,” zeide Richelieu. „Wat begeert gij dan?”
„Ik begeer een volmacht, die vooraf alles goedkeurt, wat ik tot het welzijn van Frankrijk noodzakelijk acht te doen.”—„Maar ik zou eerst de vrouw moeten hebben gevonden, waarvan ik spreek, eene, die zich op den hertog zoude willen wreken.”—„Deze is gevonden,” zeide milady.—„Vervolgens zou die ellendige geestdrijver moeten worden gevonden, die der rechtvaardigheid Gods tot een werktuig moet strekken.”—„Men zal hem vinden.”—„Welnu!” zeide de kardinaal, „dan is het tijd genoeg de volmacht te vragen, die gij verlangt.”
„Uwe Eminentie heeft gelijk,” hernam milady, „en ik had ongelijk in de zending, waarmede zij mij vereert, iets anders te zien dan hetgeen werkelijk het geval is, namelijk: aan Zijne Genade vanwege Zijne Eminentie te berichten, dat gij de verschillende vermommingen kent, met behulp van welke hij er in geslaagd is de koningin te naderen gedurende het door de echtgenoot van den konnetabel gegeven feest; dat gij het bewijs hebt der samenkomst, door de koningin aan zekeren Italiaanschen waarzegger vergund, die niemand anders dan de hertog van Buckingham was; dat gij een zeer geestigen, kleinen roman hebt besteld, het avontuur te Amiëns tot onderwerp hebbende, met den platten grond van den tuin, waar het is voorgevallen, en de portretten der voornaamste acteurs, die er zich Frankrijk. Het is immers wel alles, Uwe Eminentie, en ik heb niets anders te doen?”—„Dat is alles,” hernam de kardinaal droogjes.
„En nu,” zeide milady, zonder den schijn aan te nemen de toonsverandering van den kardinaal jegens haar op te merken, „nu ik de voorschriften Uwer Eminentie ten aanzien zijner vijanden heb ontvangen, zal het mij wel veroorloofd zijn Uwe Eminentie twee woorden over de mijnen te zeggen?”—„Gij hebt dus vijanden?” vroeg Richelieu.—„Ja, Uwe Eminentie! vijanden tegen welke ik uw bijstand noodig heb; want zij zijn zulks jegens mij in uw dienst geworden.”—„En wie zijn dat?” vroeg de kardinaal.—„Vooreerst een kleine intriguante, zekere juffrouw Bonacieux.”—„Zij is in de gevangenis te Mantes.”—„Ja, zij is er geweest,” hernam milady; „maar de koningin heeft van den koning een bevelschrift weten te krijgen, met welks hulp zij haar naar een klooster heeft doen vervoeren.”—„In een klooster?” vroeg de kardinaal.—„Ja, in een klooster.”—„En in welk?”—„Dat weet ik niet; men heeft het geheim zeer goed bewaard.”—„Maar ik zal het weten.”—„En zal Uwe Eminentie mij dan zeggen in welk klooster die vrouw is?”—„Hierin zie ik geen bezwaar,” antwoordde de kardinaal.
„Goed, nu heb ik nog een anderen vijand, voor wien ik oneindig meer ben bevreesd dan voor dat juffertje Bonacieux.”—„En wie?”—„Haar minnaar.”—„Hoe heet hij?”—„O! Uwe Eminentie kent hem!” riep milady, door gramschap vervoerd; „dat is ons
„O, pardieu!” vervolgde hij, „ware het mij even gemakkelijk mij van mijn vijand te ontslaan als het gemakkelijk valt u van den uwen te bevrijden, en gij mij jegens dergelijke lieden straffeloosheid verzocht....”—„Uwe Eminentie!” hernam milady, „ruilen wij; leven voor leven, man voor man, geef mij hem, ik geef u den anderen.”—„Ik weet niet, wat gij wilt zeggen, en ik wil het ook niet weten,” zeide de kardinaal, „maar ik wensch u aangenaam te zijn en ik zie volstrekt geen beletsel u toe te staan, wat gij verlangt ten aanzien van een zoo nietig schepsel, te meer daar, zooals gij mij zegt, de jonge d’Artagnan een losbol, een voorvechter, een verrader is.”—„Een eerlooze! Uwe Eminentie! een eerlooze!”—„Geef mij dan papier, pen en inkt,” zeide de kardinaal.—„Ziehier, Uwe Eminentie!”—„Goed.”
Er heerschte een oogenblik stilte, welke bewees, dat de kardinaal bezig was de woorden te zoeken, welke het briefje, dat hij wilde schrijven, moest behelzen,
„Welnu!” zeide Porthos, „wat wilt gij en waarom laat gij ons niet naar het einde van het gesprek luisteren?”—„Stil,” zeide Athos, „wij hebben alles gehoord, wat wij noodig hadden te hooren; buitendien, ik belet u niet naar het overige te luisteren, maar ik moet vertrekken.”—„Gij moet vertrekken?” zeide Porthos; „en indien de kardinaal naar u vraagt, wat zullen wij antwoorden?”—„Gij zult niet wachten, totdat hij u vraagt; gij zult hem dadelijk zeggen, dat ik ter verkenning vooruit ben gegaan, dewijl eenige den kastelein ontvallen woorden mij hebben doen vermoeden, dat de weg niet veilig was; ik zal er overigens een paar woorden aan den stalmeester van den kardinaal over zeggen; laat het andere aan mij over; weest niet ongerust.”—„Wees voorzichtig, Athos!” zeide Aramis.—„Wees gerust,” hernam Athos, „gij weet, ik ben koelbloedig.”
Porthos en Aramis hernamen hun plaatsen bij de kachelpijp. Athos vertrok zonder de minste geheimhouding; ging zijn paard, dat met die zijner vrienden aan de vensterluiken was gebonden, losmaken, verzekerde den stalmeester van de noodzakelijkheid eener voorhoede om terug te keeren, onderzocht met geveinsde nauwkeurigheid de pan van zijn pistool, nam den degen tusschen de tanden en begaf zich als een verloren kind op den weg, die naar het legerkamp leidde.