← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXIV.

Reading edition

Het paviljoen.

Te negen uur was d’Artagnan in het hotel der gardes; hij vond Planchet onder de wapens. Het vierde paard was ook gekomen. Planchet was met zijn musket en een pistool gewapend.—D’Artagnan had zijn degen op zijde en stak twee pistolen in zijn gordel; vervolgens stegen beiden te paard en verwijderden zich in stilte. Het was volkomen nacht en niemand zag hen uitgaan. Planchet volgde zijn meester en reed tien schreden achter hem voort; d’Artagnan volgde de kaden, ging de poort de la Conférence door en den bekoorlijken weg langs, die naar St. Cloud leidt, en toen veel fraaier dan tegenwoordig was.

Zoo lang men in de stad was, bleef Planchet eerbiedig den afstand bewaren, dien hij zich had voorgeschreven; Boulogne zich ongemerkt naast zijn meester bevond. Wij moeten niet ontveinzen, dat inderdaad de beweging der groote boomen en het schijnsel der maan op de donkere kreupelboschjes hem een grooten angst veroorzaakten.

D’Artagnan bemerkte, dat er bij zijn lakei iets buitengewoons omging.—„Wel, wel, Planchet! wat mankeert er toch aan?”—„Vindt gij niet, mijnheer! dat de bosschen als kerken zijn?”—„Waarom, Planchet?”—„Omdat men in deze, evenmin als in gene, luide durft spreken.”—„Waarom durft gij niet luide spreken, Planchet? Is het, omdat gij bang zijt?”—„Uit vrees van gehoord te worden, mijnheer!”—„Uit vrees van gehoord te worden? Ons gesprek is echter zeer zedelijk, mijn waarde Planchet! en niemand zou er iets op hebben aan te merken.”—„O, mijnheer!” hernam Planchet, tot zijn oorspronkelijk denkbeeld terugkeerende. „O! wat heeft die mijnheer Bonacieux iets valsch in zijn oogen, en iets onaangenaams op de lippen.”—„Wat duivel doet u aan Bonacieux denken!”—„Mijnheer! men denkt aan hetgeen men kan, en niet aan hetgeen men wil.”—„Omdat gij bang zijt, Planchet!”—„Mijnheer! verwarren wij de voorzichtigheid niet met de lafhartigheid, de voorzichtigheid is een deugd.”—„En gij zijt deugdzaam, niet waar, Planchet?”—„Mijnheer! is dat niet de loop van een geweer, dat daar ginds blinkt? Als wij een weinig het hoofd bogen.”—„Inderdaad,” mompelde d’Artagnan, wien de aanbeveling van den heer de Tréville in het geheugen kwam; „inderdaad, die snaak zou mij eindelijk bang doen worden.”—En hij zette zijn paard in den draf.

Planchet volgde de beweging van zijn meester, volkomen alsof hij diens schaduw ware geweest, en draafde naast hem voort.—„Rijden wij op die wijze geheel den nacht door, mijnheer?” vroeg hij.—„Neen, Planchet! want gij zijt ter plaatse uwer bestemming

D’Artagnan klom van zijn paard, wierp den toom op den arm van Planchet en verwijderde zich haastig, zich in zijn mantel wikkelende.—„God! wat is het koud!” riep Planchet, zoodra hij zijn meester uit het oog had verloren; en ongeduldig zich te verwarmen, haastte hij zich aan de deur van een huis te kloppen, dat met al de kenteekenen eener dorpsherberg prijkte.

Intusschen had d’Artagnan een smallen binnenweg ingeslagen en St. Cloud bereikt; maar in plaats van de groote straat te volgen, sloeg hij achter het kasteel om, ging een soort van steeg door, en bevond zich dra voor het aangeduide paviljoen. Het was in een geheel eenzame plek gelegen. Een groote muur, aan welks hoek dat paviljoen stond, liep langs een der zijden van de steeg, terwijl aan de andere zijde een haag een kleinen tuin beschutte, aan welks einde een ellendige hut stond.

Hij was op de plaats der samenkomst gekomen, en dewijl men hem niet gezegd had, zijn tegenwoordigheid door een of ander teeken aan te kondigen, wachtte hij.—Geen enkel gerucht werd vernomen; men zou gemeend hebben op honderd uren afstands van de hoofdstad te zijn.

Parijs slaapt, die gapende, onafzienbare ruimte, waarin slechts eenige lichtende punten blonken, als even zoovele vonken uit de hel. Maar voor d’Artagnan namen alle gedaanten een liefelijken vorm aan; al zijn denkbeelden glimlachten hem toe; de dichtste duisternis was voor hem doorschijnend. Het uur der samenkomst zou slaan.

Inderdaad, na eenige oogenblikken deed de klok van St. Cloud langzaam tien slagen uit haar brullenden, gapenden muil klinken. Er lag iets akeligs in die bronzen stem, die dus weeklaagde te midden van den nacht.... Maar elk dier slagen, welke het verwachte uur aankondigde, trilde welluidend in het hart des jongelings. Zijn oogen waren gevestigd op het kleine paviljoen aan den hoek van den muur, welks vensters alle door luiken gesloten waren, behalve een der eerste verdieping. Door dit venster blonk een zacht licht, dat het trillende gebladerte van twee of drie lindeboomen verzilverde, die zich buiten het park groepsgewijze verhieven. Ongetwijfeld wachtte hem achter dat zoo liefelijk verlichte venster de lieve juffrouw Bonacieux.

Door die zoete gedachte gestreeld, wachtte d’Artagnan een half uur zonder het minste ongeduld, de oogen op dat klein bevallig verblijf gevestigd houdende, van hetwelk hij een gedeelte van de met verguld beeldwerk versierde zoldering kon zien, die de pracht van het overige der kamer deed vermoeden. De klok van St. Cloud sloeg half elf. Nu, zonder dat hij zich zulks kon verklaren, liep een rilling door d’Artagnan’s aderen. Misschien ook wel dat de koude hem overviel en hij als een zielsgewaarwording beschouwde, hetgeen slechts een lichamelijke aandoening was.

Vervolgens dacht hij, dat hij kwalijk had gelezen, en de samenkomst niet vroeger dan te elf uur was bepaald. Hij naderde het venster, plaatste zich onder een lichtstraal, haalde den brief uit zijn zak en herlas

D’Artagnan begon nu wezenlijk te vreezen, dat juffrouw Bonacieux eenig ongeluk mocht zijn overkomen. Hij klapte driemaal in zijn handen, het gewone sein der verliefden, maar niemand antwoordde hem, zelfs niet de echo. Toen dacht hij met zekere spijt, of misschien, al wachtende, de jonge vrouw in slaap gevallen was. Hij naderde den muur en beproefde dien te beklimmen; maar daar hij kortelings vernieuwd was, sleet d’Artagnan er tevergeefs zijn nagels op.

Op dat oogenblik bemerkte hij de boomen, welker bladeren het licht bleef verzilveren, en daar een hunner op den weg vooruitstak, dacht hij, te midden der takken, een blik in het paviljoen te kunnen werpen. De boom was gemakkelijk te beklimmen.... Buitendien, d’Artagnan was nauwelijks twintig jaar, en bijgevolg herinnerde hij zich nog zeer goed zijn bedrijf als schoolknaap. In een oogenblik was hij tusschen de takken en door de heldere glasruiten wierp hij een blik in het binnenste van het paviljoen. Het was iets zonderlings, dat d’Artagnan aanschouwde en dat hem van het hoofd tot de voeten deed beven. Dat zachte, kalme lamplicht verlichtte een tooneel van vreeselijke verwarring; een der glasruiten in het venster was gebroken, de deur der kamer ingetrapt, hing half gebroken aan haar hengsels; een tafel, waarop een heerlijk maal was aangericht geweest, lag omver; gebroken flesschen, vertrapte vruchten lagen op den vloer verspreid; alles getuigde in deze kamer van een hevige, wanhopige worsteling. D’Artagnan meende zelfs onder dat zonderlinge mengelmoes brokken van kleedingstukken en eenige bloedvlekken te bemerken, die het tafellaken en de gordijnen bezoedelden. Hij haastte zich den boom af te klimmen, terwijl zijn hart vreeselijk klopte; hij wilde nu zien, of hij niet meer sporen van gewelddadigheid zou vinden.

Parijs scheen te zijn gekomen, in de zachte aarde een diep spoor gegroefd, dat zich niet verder uitstrekte dan tot aan het paviljoen, en vandaar weder in de richting naar Parijs terugkeerde. Eindelijk vond d’Artagnan, zijn onderzoek voortzettende, bij den muur een gescheurden vrouwenhandschoen. Intusschen was die handschoen, overal waar hij niet door het slijk bezoedeld was geworden, van een onberispelijke frischheid. Het was een dier welriekende handschoenen, welke het den minnaars des te aangenamer doet zijn, een fraaie hand te drukken.

Naarmate d’Artagnan met zijn nazoekingen voortging, parelde een meer overvloedig en koeler zweet op zijn voorhoofd, zijn hart werd door een vreeselijken angst toegenepen, en zijn ademhaling was hijgende, echter zeide hij bij zich zelven, om zich gerust te stellen, dat dit paviljoen met juffrouw Bonacieux niets gemeens had; dat de jonge vrouw vóór dat paviljoen, maar niet er in de samenkomst bedoeld had; dat zij misschien, wegens dienstzaken, te Parijs had moeten blijven, of wellicht ook wel tengevolge der jaloezie haars mans. Maar al die redeneeringen vervielen, werden vernietigd, omvergeworpen door dat inwendige smartgevoel, hetwelk zich in sommige omstandigheden van ons geheele wezen meester maakt, en door alles wat bestemd is ons iets te kennen te geven, waarschuwt, dat er een groote ramp boven onze hoofden zweeft.

Toen werd d’Artagnan bijna waanzinnig; hij liep den grooten weg op, sloeg denzelfden weg in, dien hij reeds genomen had, begaf zich naar de overzetpont en ondervroeg den veerman. Omstreeks zeven uur had de veerman een vrouw in een zwarten mantel gehuld St. Cloud begaven en er belang bij hadden niet gezien te worden, en toch twijfelde d’Artagnan geen oogenblik, dat het juffrouw Bonacieux was geweest, die de veerman had opgemerkt.

D’Artagnan maakte gebruik van de lamp, die in de hut des veermans brandde, om nogmaals het briefje van juffrouw Bonacieux te herlezen en zich te verzekeren, dat hij zich niet bedrogen had, dat de samenkomst wel degelijk te St. Cloud en niet elders was bepaald; voor het paviljoen van den heer d’Estrées en niet in een andere straat. Alles vereenigde zich om d’Artagnan te bewijzen, dat zijn voorgevoel hem niet bedroog en er een groot ongeluk was voorgevallen.

Hij sloeg den weg naar het kasteel weer in, hard loopende; het was hem, alsof gedurende zijn afwezigheid in het paviljoen misschien iets nieuws zou zijn gebeurd en meer inlichtingen hem daar wachtten. De steeg was steeds eenzaam, en hetzelfde zachte, rustige licht verspreidde zich uit het venster. D’Artagnan dacht toen aan die stomme, blinde hut, die waarschijnlijk had gezien en misschien kon spreken. De deur der omheining was gesloten, maar hij sprong de heg over, en ondanks het geblaf van een hond aan den ketting, naderde hij de hut.

Zijn eerste geklop werd niet beantwoord. Een doodsche stilte heerschte zoowel in de hut als in het paviljoen; intusschen, daar die hut zijn laatste hulpmiddel was, bleef hij volharden. Dra meende hij een zwak gerucht van binnen te hooren, een angstig gerucht, dat zelfs scheen te beven gehoord te worden. Toen hield d’Artagnan op met kloppen en smeekte zoo angstig, zoo vriendelijk en vleiend, dat zijn stem in staat ware

Intusschen, hoe snel die beweging ook was geweest, had d’Artagnan echter den tijd gehad, even het hoofd eens grijsaards te zien.—„In ’s hemels naam!” zeide hij, „luister naar mij; ik wacht iemand, die niet komt, en ik sterf van angst. Zou er een ongeluk in de nabijheid zijn voorgevallen? spreek!”

Het venster werd wederom langzaam geopend, en hetzelfde gezicht vertoonde zich opnieuw; maar het was nog bleeker dan te voren. D’Artagnan verhaalde eenvoudig zijn geschiedenis, behalve de namen; hij zeide een afspraak te hebben gemaakt met een jonge vrouw, om elkander voor het paviljoen aan te treffen en hoe hij, haar niet ziende komen, in den lindeboom geklommen was, van waar hij, bij het schijnsel der lamp, de wanorde in de kamer heerschende gezien had.

De grijsaard luisterde aandachtig, terwijl zijn gebaren te kennen gaven, dat hij van de zaak iets wist. Vervolgens, toen d’Artagnan geëindigd had, schudde hij het hoofd op een wijze, die niets goeds voorspelde.

„Wat wilt gij zeggen?” riep d’Artagnan. „In ’s hemels naam! laat hooren, verklaar u!”—„Ach, mijnheer!” zeide de grijsaard, „vraag mij niets; indien ik u verhaalde, wat ik gezien heb, zou er voor mij zeker niets goeds uit voortspruiten.”—„Hebt gij dan iets gezien?” hernam d’Artagnan. „Zoo ja,” ging hij voort, hem een pistool toewerpende, „in ’s hemels naam! zeg, zeg mij dan, wat gij gezien hebt en ik geef u mijn woord als edelman, dat geen enkel uwer woorden over mijn lippen zal komen.”

De grijsaard las zooveel openhartigheid en smart op het gezicht van d’Artagnan, dat hij een teeken gaf te luisteren en tot hem met zachte stem zeide: „Het zal ongeveer negen uur zijn geweest, toen ik, eenig gerucht

„‚Ach, goede heeren!’ riep ik, ‚wat verlangt gij?’—‚Gij hebt zeker een ladder?’ zeide mij degene, die de aanvoerder scheen te zijn.—‚Ja, heeren! die waarmede ik mijn vruchten pluk.’—‚Geef ons die en ga in huis; ziedaar een kroon voor de moeite, die wij u veroorzaken. Herinner u echter, indien gij een woord spreekt over hetgeen gij zult zien en hooren, want welke bedreigingen wij u doen, zult gij toch zien en luisteren, hiervan ben ik zeker, zijt gij verloren.’

„Na dit gezegd te hebben, wierp hij mij een kroon voor de voeten, die ik opraapte, en hij nam mijn ladder. En werkelijk, na de deur der omheining achter hen gesloten te hebben, hield ik mij, alsof ik naar huis wilde terugkeeren, maar ik ging onmiddellijk de achterdeur weer uit en in de schaduw voortsluipende, bereikte ik de groep vlierboomen, uit welke ik alles kon zien zonder gezien te worden. De drie mannen hadden in stilte de koets doen naderen; zij lieten er een klein, dik, kort, grijs mannetje uit komen, die op een belachelijke wijze in een donkerkleurig gewaad was gekleed; deze klom behoedzaam de ladder op, zag gluipend de kamer in, klom weder stil af en mompelde half luid: ‚Zij is het!’ Onmiddellijk naderde toen degene, die mij had toegesproken, de deur van het paviljoen, opende die met een sleutel, dien hij bij zich had, sloot de deur weder en verdween. Tegelijkertijd klommen beide andere mannen de ladder op. De kleine man bleef bij het portier staan; de koetsier hield de teugels der koetspaarden en een lakei de gezadelde paarden vast. Eensklaps werd een luid geschreeuw uit het paviljoen

D’Artagnan, verpletterd door een zoo vreeselijke tijding, bleef onbeweeglijk, sprakeloos staan, terwijl al de duivels des toorns en der jaloezie in zijn hart brulden.

„Maar, edele heer!” hernam de grijsaard, op wien die stomme wanhoop zeker meer indruk maakte dan gekerm en geween hadden kunnen teweegbrengen, „kom, treur niet, zij hebben haar niet om het leven gebracht, en dat is het voornaamste.”—„Weet gij min of meer,” vroeg d’Artagnan, „wie de man is, die dien helschen aanslag aanvoerde?”—„Ik ken hem niet.”—„Maar dewijl gij hem gesproken hebt, moet gij hem gezien hebben.”—„O, gij meent hoe hij er uitzag?”—„Ja.”—„Een groot, mager, bruin man, met zwarte knevels, zwarte oogen, en al het uiterlijke van een edelman.”—„Hij is het!” riep d’Artagnan; „wederom hij! altijd hij! Hij is mijn duivel! naar het schijnt. En de andere?”—„Wie?”—„De kleine.”—„O, die was geen edelman, dat verzeker ik u; bovendien, hij droeg geen degen en de anderen behandelden hem zonder de minste onderscheiding.”—„Een lakei waarschijnlijk,” mompelde d’Artagnan. „Ach, arme vrouw, wat hebben zij met

D’Artagnan sloeg, met een door smart verbitterd hart, den weg naar de overzetpont weer in. Nu eens kon hij niet gelooven, dat het juffrouw Bonacieux was geweest en hij hoopte haar den volgenden dag in het Louvre weer te vinden, dan weder vreesde hij, dat zij, in liefdesbetrekking met een anderen staande, door een jaloerschen minnaar was verrast en ontvoerd. Hij was onzeker, bedroefde zich en wanhoopte.—„O, indien ik mijn vrienden bij mij had!” riep hij, „dan bleef mij ten minste eenige hoop over, haar weer te vinden; maar wie weet wat er van hen is geworden?”

Het was omstreeks middernacht, en Planchet moest worden opgezocht. D’Artagnan liet zich achtereenvolgens al de herbergen openen, in welke hij eenig licht bespeurde, maar in geen van alle ontmoette hij Planchet. Aan de zesde begon hij te overwegen, dat dergelijk zoeken eenigszins gewaagd was. Hij had zijn lakei niet vroeger dan tegen zes uur des morgens bescheiden, en waar hij zich ook mocht bevinden, hij was in zijn recht. Bovendien het kwam den jongeling in de gedachte, dat, zoo hij in den omtrek der plaats bleef, waar het tooneel was voorgevallen, hij misschien eenige nadere inlichting nopens die geheimzinnige zaak zou krijgen. In de zesde herberg, zooals wij zeggen, bleef hij, vroeg een flesch besten wijn, ging in den donkersten hoek zitten en besloot aldus den dag af te wachten; maar ook nu werd hij in zijn verwachting teleurgesteld, en hoewel hij met de grootste aandacht luisterde, hoorde hij onder het gevloek, het gelach en het getier der werklieden, lakeien en voerlieden, waaruit het achtbaar gezelschap bestond, waaraan hij deelnam, niets dat hem op het spoor der arme ontvoerde vrouw kon brengen.

Hij was dus genoodzaakt, uit tijdverdrijf en om geen vermoedens op te wekken, na zijn flesch te hebben

D’Artagnan was twintig jaar, zooals men zich herinnert, en op die jaren heeft de slaap een onbetwistbaar recht, dat hij zelfs op de wanhopigste harten doet gelden. Tegen zes uur des ochtends ontwaakte d’Artagnan met die onaangename gewaarwording, welke gewoonlijk het begin van den dag na een slechten nacht vergezelt. Hij had niet veel tijd noodig om zich te kleeden; hij onderzocht, of men van zijn slaap geen gebruik had gemaakt om hem te bestelen; maar zijn diamant aan zijn vinger, zijn beurs in den zak en zijn pistolen in den gordelriem vindende, stond hij op, betaalde zijn flesch en ging naar buiten, om te zien of hij in het terugvinden van zijn knecht des morgens niet gelukkiger zou zijn dan des nachts; en waarlijk, het eerste wat hij door den dikken grijzen nevel bespeurde, was de eerlijke Planchet, die, met beide paarden aan de hand, hem aan de deur van een onaanzienlijke kroeg wachtte, welke, zonder haar aanwezigheid te vermoeden, d’Artagnan was voorbijgegaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings