← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK I.

Reading edition

Een procureurs middagmaal.

Intusschen had het duel, waarin Porthos een zoo luisterrijke rol had gespeeld, hem het middagmaal niet doen vergeten, waarop de procureursvrouw hem had genoodigd. Den volgenden dag te één uur liet hij zich voor de laatste maal door Mousqueton afschuieren, en begaf zich naar de Berenstraat.

Zijn hart klopte, maar niet, als dat van d’Artagnan, van jeugdige, ongeduldige liefde. Neen, een meer lichamelijk gevoel dreef hem voort, hij zou eindelijk dien geheimzinnigen drempel gaan overschrijden, die onbekende trap gaan bestijgen, waarlangs een voor een de oude kronen van meester Coquenard in huis waren gebracht. Hij ging nu inderdaad de bewuste kast beschouwen, waarvan het beeld hem zoo dikwijls in zijn droomen was verschenen; de langwerpige, diepe, met sloten voorziene, verroeste en aan den vloer geklonken kast; de kast, van welke hij zoo dikwerf had hooren spreken, en die de hand van den procureur voor zijn opgetogen blik zou gaan openen. En vervolgens zou hij, de zwerveling op aarde, de man zonder fortuin, zonder bloedverwanten, de soldaat in herbergen, kroegen en posada’s verkeerende, de lekkerbek, meerendeels genoodzaakt zich met eenige toevallig opgedane maaltijden te vergenoegen, nu aan een huiselijken disch aanzitten, het genot van een huiselijk verkeer smaken.

In hoedanigheid van neef alle dagen aan een goed

De musketier stelde zich wel voor den geest de hier en daar verspreide geruchten nopens de procureurs, hun vrekkigheid, geldzucht en vastendagen; maar dewijl, alles wel beschouwd, behalve eenige oogenblikken van spaarzaamheid, die Porthos steeds zeer ontijdig vond, hij de procureursvrouw dikwijls tamelijk gul had gezien, wel te verstaan voor een procureursvrouw, hoopte hij derhalve een op een goeden voet ingericht huis te vinden.

Voor de deur echter begon de musketier eenigen twijfel te voeden; de toegang was niet geschikt om de lieden aan te moedigen; het was een vuile, donkere gang, waarvan de trap ternauwernood verlicht werd door het grijskleurig daglicht van een nabijzijnde binnenplaats, dat door traliën binnenviel.

Porthos klopte aan een voordeur, laag en met ijzeren spijkers beslagen, zooals de groote deur van het grand Châtelet;10) een groote, bleeke klerk, met een bos ongekamde haren op het hoofd, kwam de deur openen en groette als iemand, die gedwongen is een anderen te eerbiedigen, zoowel uit hoofde der groote gestalte, die kracht aanduidt, het krijgsgewaad, dat den staat doet kennen, als der blozende kleur, die de gewoonte van een goed leven te leiden aanduidt. Achter dezen klerk zag hij een tweeden, die kleiner was, daar achter een derden, van grooter afmeting, en een loopjongen van twaalf jaar achter den derden. In alles

Hoewel de musketier eerst te één uur moest komen, had echter de procureursvrouw een waakzaam oog gehouden en op het hart, en misschien ook wel op de maag van haar aanbidder gerekend, dat hij er voor het bepaalde uur zou wezen. Mevrouw Coquenard naderde dan door de deur van het vertrek, terwijl tegelijkertijd haar gast de deur van de trap binnentrad; de verschijning der waardige dame redde Porthos uit een groote verlegenheid; de klerken beschouwden hem met een nieuwsgierig oog, en hij, niet wetende wat tot die opklimmende klerkenrij te zeggen, bleef sprakeloos.

„Ha, neef!” riep de procureursvrouw, „kom toch binnen, kom toch binnen, mijnheer Porthos!”—De naam Porthos deed op de klerken zijn uitwerking, en zij begonnen te lachen; doch Porthos keerde zich om en alle gezichten hernamen hun ernst.

Men trad het kabinet van den procureur binnen, na de voorkamer, waar de klerken waren, en het kantoor, waar zij behoorden, te zijn doorgegaan. Het laatste was een donkere kamer, opgevuld met papieren. Het kantoor uitkomende, liet men de keuken rechts liggen, en men trad de gezelschapszaal binnen. Al de vertrekken, welke aan elkander verbonden waren, boezemden Porthos niet veel vertrouwen in. De gesprekken moesten van verre door al die opene deuren verstaan worden; bovendien had hij in het voorbijgaan een snellen, onderzoekenden blik in de keuken geworpen, en hij bekende het zich, tot schande zijner procureursvrouw en tot zijn innig leedwezen, dat hij dat vuur, de levendigheid, die beweging niet had gezien, die eenige oogenblikken vóór een goeden maaltijd gewoonlijk in het heiligdom der lekkerbekken heerscht.

De procureur was ongetwijfeld van dat bezoek verwittigd geworden, want hij toonde niet de minste verwondering op het zien van Porthos, die hem tamelijk ongedwongen naderde en hem beleefd groette.

„Wij zijn, naar het schijnt, neven, mijnheer Porthos!”

De grijsaard, in een wijden, zwarten kamerrok gewikkeld, waarin zijn uitgemergeld lichaam als verloren was, zag er nog krachtig, maar droog uit; zijn kleine, grijze oogen schitterden als karbonkels en schenen, met zijn krampachtig bewogen mond, het eenige gedeelte van zijn gezicht, waarin het leven was gebleven. Ongelukkig weigerden de beenen hun dienst aan dat knokachtige werktuig; sedert vijf of zes maanden, dat deze verzwakking zich had doen gevoelen, was van lieverlede de waardige procureur de slaaf zijner vrouw geworden.

De neef werd met onderwerping aangenomen, en dat was alles. Meester Coquenard, indien hij nog vlug ter been ware geweest, zou alle bloedverwantschap met den heer Porthos hebben verloochend.

„Ja, mijnheer! wij zijn bloedverwanten,” zeide Porthos, die trouwens nooit op een hartelijk onthaal van den echtgenoot had gerekend, zonder de minste verlegenheid.—„Door de vrouwen, geloof ik?” zeide de procureur boosaardig.

Porthos begreep die scherts niet en hield ze voor eenvoudigheid, over welke hij in zijn vuistje lachte. Mevrouw Coquenard, die wist, dat een onnoozele procureur een zeldzaamheid in zijn soort was, glimlachte een weinig maar bloosde sterk.

De heer Coquenard had, sedert de komst van Porthos, de oogen ongerust op een groote kast geworpen, die over zijn eikenhouten schrijftafel stond. Porthos begreep, dat die kast, hoewel niet in vorm met die van zijn droomen overeenkomende, de heilrijke schatkist moest zijn, en hij verheugde zich, dat zij werkelijk zes voet hooger dan die van zijn droom was.

Meester Coquenard dreef niet verder zijn genealogisch onderzoek door; maar zijn onrustigen blik van de kast op Porthos werpende, bepaalde hij zich te zeggen: „Mijnheer uw neef zal, alvorens te vertrekken, ons het genoegen wel willen doen ten eten te blijven, niet Parijs van korten duur is, zou het ons zeer aangenaam zijn, indien hij ons al die oogenblikken wilde schenken, over welke hij tot aan zijn vertrek kan beschikken.”—„O, mijn arme beenen! mijn arme beenen!” mompelde de heer Coquenard, en hij trachtte te glimlachen. De hulp, welke Porthos te beurt viel, in hetzelfde oogenblik dat hij in zijn hoop een goed middagmaal te doen werd aangevallen, boezemde den musketier voor de procureursvrouw veel erkentelijkheid in.

Weldra sloeg het etensuur. Men trad de eetzaal binnen: een groote, donkere kamer tegenover de keuken. De klerken, die, naar het schijnt, in huis ongewone geuren hadden geroken, waren van een militaire nauwgezetheid en hielden hun tabouretten gereed om neer te zetten; men zag hen bij voorbaat reeds de kinnebakken met een verschrikkelijken eetlust bewegen.

„Tudieu!” dacht Porthos, op de drie uitgehongerden een blik werpende; want de loopjongen, zooals men kan denken, deelde niet in de eer aan des meesters tafel te zitten. „Tudieu! als ik in de plaats van mijn neef was, dan zou ik zulke gulzigaards niet willen behouden. Zij schijnen schipbreukelingen, die in geen zes weken gegeten hebben.”

De heer Coquenard kwam binnen, in zijn stoel voortgerold door mevrouw Coquenard, die Porthos op zijn beurt te hulp kwam, om haar echtgenoot voor de tafel te brengen. Nauwelijks binnengekomen, bewoog hij neus en kinnebakken naar het voorbeeld zijner klerken.—„O, o!” zeide hij, „ziedaar een soep, die er smakelijk uitziet.”

„Wat duivel! zien zij toch zoo buitengewoon smakelijks aan deze soep?” vroeg Porthos zich zelven, op

De heer Coquenard werd het eerst bediend, vervolgens Porthos; daarna vulde mevrouw Coquenard haar bord en deelde de korsten, zonder het vleeschnat, aan de overige hongerigen uit. Op dat oogenblik ging de deur der eetkamer al knarsende open, en Porthos bespeurde, door de kier, den kleinen loopjongen, die, aan het feestmaal geen deel mogende nemen, zijn brood at, onderwijl de beide geuren opsnuivende, die uit de keuken en de eetkamer opstegen. Na de soep bracht de dienstmaagd een gekookt hoen, een lekkernij, die de oogen der aanzittenden derwijze deed uitpuilen, dat zij bijna uit hun holten sprongen.

„Men ziet, dat gij uw bloedverwanten liefhebt, mevrouw Coquenard!” zeide de procureur met een bijna tragischen glimlach: „Ziedaar zeker een verrassing, die gij voor uw neef hebt bereid.”

Het arme hoen was doodmager en omhuld met dat dik stekelig vel, dat de beenderen, ondanks hun pogingen, nooit kunnen doorboren; men had het lang moeten zoeken, alvorens het in het hoenderhok te vinden, waar het in een hoek was gekropen, om van ouderdom te sterven.

„Duivelsch!” dacht Porthos, „dat ziet er treurig uit; ik eerbiedig den ouderdom, maar ik acht hem niet veel gekookt of gebraden.”

Hij zag rondom zich, of zijn gevoelen gedeeld werd, maar integendeel, hij bespeurde niets dan gloeiende blikken, die bij voorbaat dat edel hoen, het voorwerp zijner verachting, verslonden. Mevrouw Coquenard trok den schotel tot zich, maakte behendig de twee groote, zwarte pooten los, die zij op het bord van haar man legde, sneed den vleugel voor Porthos af en gaf den schotel terug aan de dienstmaagd, die het dier

Na dat hoen werd er een schotel met boonen opgebracht, een ontzaglijk groote schotel, waarop eenige schapenbeenderen, waaraan men bij den eersten aanblik eenig vleesch meende gehecht te zien, hier en daar uitkwamen. Maar de klerken lieten zich door dat schijnbedrog niet misleiden, en de akelige gezichten veranderden in onderworpen gezichten. Mevrouw Coquenard verdeelde dat gerecht onder de jongelieden met de zuinigheid eener goede huismoeder.

Nu was de beurt aan den wijn gekomen. De heer Coquenard schonk uit een steenen, zeer kleine flesch het derde van een glas voor elk der jongelieden, schonk er zich zelven een in, bijna in gelijke evenredigheid en de flesch ging toen onmiddellijk over naar den kant van Porthos en mevrouw Coquenard. De jongelieden vermengden dat derde gedeelte wijn met water; vervolgens, toen zij gedronken hadden, deden zij er opnieuw water bij, en bleven aldus voortgaan, zoodat zij bij het einde van den maaltijd een drank dronken, die van de robijnkleur tot een gele topaaskleur was overgegaan.

Porthos at schroomvallig zijn hoendervleugel en dronk ook een half glas van den zoo zuinig bedeelden wijn, dien hij voor Montreuil11) herkende. Meester Coquenard zag hem den onvermengden wijn inzwelgen en zuchtte.

„Zult gij nog van die boonen eten, neef Porthos?” vroeg mevrouw Coquenard op een toon, die wilde zeggen: „Geloof mij, eet er niet van.”—„Ik dank u, nicht, ik heb geen honger meer.”

Er heerschte een stilte. Porthos wist niet, hoe zich te houden. De procureur herhaalde eenige malen: „O, mevrouw Coquenard! ik maak u mijn compliment,

Op dat oogenblik stonden de klerken, op een wenk des procureurs, langzaam van tafel op, vouwden nog langzamer hun servetten, vervolgens groetten zij en vertrokken.—„Gaat, jongelui, gaat de spijsvertering door werkzaamheid bevorderen,” zeide de procureur ernstig.

Toen de klerken zich hadden verwijderd, stond mevrouw Coquenard op en haalde uit een spijskast een stuk kaas, wat geconfijte kweeën en een koek, welken zij eigenhandig van amandelen en honing had bereid. De heer Coquenard fronste de wenkbrauwen op het zien van zooveel gerechten.—„Inderdaad, een feestmaal!” riep hij, zich op zijn stoel bewegende, „een waarachtig feestmaal! Epuloe Epulorum: Lucullus is te eten bij Lucullus!”

Porthos beschouwde de flesch, die voor hem stond, en hij hoopte met wijn, brood en kaas zijn middagmaal te doen; maar de wijn ontbrak dra, de flesch was ledig; mijnheer en mevrouw Coquenard gaven geen blijk zulks te bemerken.—„Het is wel,” dacht Porthos, „dat strekt mij tot waarschuwing.”

Hij liet zijn tong over een klein lepeltje met confituren gaan en bleef met zijn tanden in het door mevrouw Coquenard bereide kleverige deeg zitten.—„Nu,” zeide hij, „is het offer volbracht.”

Meester Coquenard gevoelde, na het genot van een dergelijk maal, hetwelk hij een buitensporigheid noemde, behoefte aan een middagslaapje. Porthos hoopte, dat zulks onmiddellijk en in de kamer, waar men zich bevond, zou plaats hebben; maar hiernaar had de procureur geen ooren; hij moest in zijn vertrek worden teruggerold en hij bleef zoolang schreeuwen, totdat hij voor zijn kast zat, op de kanten van welke hij uit meer voorzorg de voeten zette.

De vrouw van den procureur geleidde Porthos in een

Porthos maakte een veelbeteekenend gebaar. Mevrouw Coquenard begreep het.—„Ik vroeg u naar de voorwerpen, dewijl, daar ik bloedverwanten en klanten heb, die veel handel drijven, ik bijna zeker ben een en ander honderd percent beneden den prijs te verkrijgen, dien gij zoudt moeten betalen.”—„O! als het dat is, wat gij wildet zeggen.”—„Ja, waarde heer Porthos! Moet gij ook niet vooral een paard hebben?”—„Wel zeker.”—„Nu, ik heb juist iets, dat u lijkt....”—„Ha!” riep Porthos, blinkend van vreugd, „ziedaar dus de zaak, wat mijn paard betreft, geschikt; vervolgens moet ik een paard voor mijn knecht en een valies hebben. Wat mijn wapens betreft, hierover behoeft gij u niet te bekommeren, die heb ik.”—„Een

Mevrouw Coquenard slaakte nieuwe zuchten. Molière had zijn tooneelstuk van den Vrek nog niet geschreven; mevrouw Coquenard was dus Harpagon vóór. Kortom, het overige der uitrusting werd achtereenvolgens op dezelfde wijze betwist, en de uitslag der zitting was, dat de procureursvrouw haar man een som van achthonderd franken in specie ter leen zou vragen en het paard en den muilezel leveren, die de eer zouden hebben, Porthos en Mousqueton dáárheen te dragen, waar de roem hen wachtte.

Nadat de voorwaarden vastgesteld waren en de interest bepaald was, zoowel als de tijd der terugbetaling, nam Porthos afscheid van mevrouw Coquenard en keerde naar huis terug met een zeer kwaadaardigen honger.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings