← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXIV.

Reading edition

Vierde dag van gevangenschap.

Den volgenden dag, toen Felton bij milady binnentrad, vond hij haar overeind, op een leuningstoel staande, een koord in de hand houdende, dat van eenige in reepen gescheurde katoenen zakdoeken was gevlochten en aan elkander geknoopt. Op het gerucht, dat Felton, de deur openende, maakte, sprong milady vlug van den stoel en trachtte het door haar gedraaide koord achter zich te verbergen. De jongeling was nog bleeker dan naar gewoonte en zijn oogen, door slapeloosheid rood geworden, duidden aan, dat hij een koortsachtigen nacht had doorgebracht. Op zijn voorhoofd lag echter meer dan ooit een ernstige gerustheid verspreid. Hij naderde milady, die zich had neergezet, met langzame schreden en het einde van het moordend vlechtwerk ziende, van hetwelk zij door onachtzaamheid of liever met opzet een gedeelte liet uitkomen, vroeg hij koel:

„Wat is dat, mevrouw?”—„Dat is niets,” zeide milady glimlachende, met die smartelijke uitdrukking, welke zij zoo behendig wist aan te nemen. „De verveling, zooals gij weet, is de doodsvijandin der gevangenen. Ik verveelde mij en heb mij met het vlechten van dit koord vermaakt.”—Felton sloeg de oogen op de plek van den muur in het vertrek, voor welke hij milady op den leuningstoel had gezien, waarop zij thans zat, en hij ontdekte boven zijn hoofd een vergulde kram, die in den muur vast was en diende om er kleederen of wapens aan op te hangen. Hij ontroerde, en de gevangene zag zulks; want hoezeer zij de oogen neergeslagen hield, ontging haar niets.

Nu vermocht Felton, hoe ongevoelig hij was of scheen te zijn, niet langer aan den onzichtbaren invloed weerstand bieden, die zich van hem had meester gemaakt. Die zoo schoone vrouw, heerlijk als een schitterende verschijning, te beschouwen, haar beurtelings bedroefd en treurig te zien, tevens den invloed harer smart en

Ga aan Baäl zijn offer geven, Werp het in des leeuwen muil. Maar Gods wraak zal u doen beven; Ik roep tot Hem uit ’s afgronds kuil.

Felton stond daar, als ware hij versteend.—„Wie zijt gij? wie zijt gij?” riep hij, de handen wringende, „zijt gij engel of booze geest; heet gij Eloa of Astarté?”—„Hebt gij mij niet herkend? Ik ben noch engel, noch booze geest, ik ben een dochter der aarde, ik ben van u een zuster, niets anders.”—„Ja, ja!” zeide Felton, „ik twijfelde nog, maar nu geloof ik.”—„Gij gelooft? en echter zijt gij de medeplichtige van dat Belialskind, lord de Winter genoemd. Gij gelooft? en echter laat gij mij in de handen mijner vijanden, van den vijand van Engeland, en van den vijand van God. Gij gelooft? en nochtans levert gij mij over aan hem, die Antichrist noemen.”—„Ik u aan Buckingham leveren? Ik? Wat zegt gij toch?”—„Zij hebben oogen,” riep milady, „en zullen niet zien; zij hebben ooren, en zullen niet hooren.”—„Ja, ja,” zeide Felton, zijn handen over zijn met zweet bedekt voorhoofd strijkende, als om den laatsten twijfel weg te vegen, „ja, ik herken de stem, die mij in mijn droomen aanroept; ja, ik herken het gelaat van den engel, die mij elken nacht verschijnt en mijn ziel, die niet kan rusten, toeroept: ‚Stoot toe, red Engeland, red u zelven, want gij zult sterven, zonder God ontwapend te hebben!’ Spreek, spreek!” riep Felton, „thans kan ik u begrijpen.”

Een lichtstraal eener verschrikkelijke vreugd, maar snel als de gedachte, schoot uit milady’s oogen. Hoe snel ook die moorddadige vuurstraal verdween, had Felton hem echter gezien en hij schrikte, alsof die straal den peilloozen afgrond van het hart dezer vrouw verlichtte. Felton herinnerde zich eensklaps de waarschuwing van lord de Winter, de verleidingsmiddelen van milady, haar eerste pogingen bij haar aankomst, hij deinsde een schrede terug en liet zijn hoofd zinken, maar zonder op te houden haar te beschouwen, alsof zijn oogen, door dat zonderlinge schepsel aangetrokken, zich niet van haar afwenden konden.—Milady was geen vrouw om zich omtrent de aarzeling te bedriegen. Onder die schijnbare aandoening verliet haar tegenwoordigheid van geest haar geen oogenblik.

Alvorens Felton haar had kunnen antwoorden en zij gedwongen was, dit zoo moeilijk en op denzelfden verrukten toon vol te houden gesprek weer op te nemen, liet zij haar handen langs haar zijden vallen, alsof de zwakheid der vrouw op de verrukking der opgetogene de overhand had.—„Maar neen,” zeide zij, „het past mij niet de Judith te zijn, die Bethanië van dien Holophernus zal bevrijden. Het zwaard des Eeuwigen is te zwaar voor mijn handen. Laat mij dus de schande door

Op die zachte, smeekende stem, op dien schroomvalligen en neergeslagen blik, trad Felton nader. Van lieverlede had de tooveres zich weder met dat prachtige tooisel bekleed, hetwelk zij naar willekeur aflegde en weer opnam, namelijk: de schoonheid, de zachtheid, de tranen, en vooral de onweerstaanbare bekoring van die geheimzinnige, wellustige dweperij, de verslindendste aller wellusten.—„Helaas!” zeide Felton, „mij blijft niets anders over, dan u te beklagen, indien gij mij bewijst een slachtoffer te zijn. Lord de Winter heeft echter gewichtige bezwaren tegen u. Gij zijt een Christinne, in het geloof zijt gij mijn zuster, ik voel mij tot u aangetrokken, ik, die nooit iemand anders dan mijn weldoener heb bemind, ik, die in het leven slechts verraders en goddeloozen heb ontmoet. Maar gij, mevrouw! gij, in werkelijkheid zoo schoon, zoo zuiver in schijn, moet, dewijl lord de Winter u zoo streng vervolgt, veel kwaad hebben bedreven.”—„Zij hebben oogen,” herhaalde milady, „en zij zullen niet zien; zij hebben ooren, en zij zullen niet hooren.”

„Maar spreek, spreek dan!” riep de jonge officier.—„U mijn schande openbaren!” riep milady, met den blos der schaamte op de wangen; „want dikwijls strekt de misdaad van den een tot schande van den ander. U mijn schande vertrouwen! aan u, aan een man, terwijl ik een vrouw ben! Ach!” vervolgde zij, schaamachtig de hand voor haar schoone oogen brengende. „Ach! nooit, nooit zal ik dit kunnen!”—„Aan mij, aan een broeder niet!” riep Felton.—Milady beschouwde hem lang met een uitdrukking, die de jonge officier voor een twijfeling aanzag en die nochtans niets anders was dan opmerkzaamheid en vooral begeerte om te verblinden.—Felton, op zijn beurt smeekende, vouwde de handen.—„Welnu,” zeide milady, „ik

Op dat oogenblik hoorde men de voetstappen van lord de Winter, maar nu bepaalde de vreeselijke schoonbroeder van milady er zich niet toe, zooals den vorigen dag, de deur voorbij te gaan, maar hij bleef staan, wisselde een paar woorden met den schildwacht, de deur werd geopend en hij verscheen. Terwijl die paar woorden werden gewisseld, was Felton haastig achteruitgetreden, en toen lord de Winter binnentrad, stond hij op eenige schreden van de gevangene. De baron trad langzaam voorwaarts en bracht zijn vorschenden blik van de gevangene op den jongen officier.—„Het is reeds lang, John!” zeide hij, „dat gij hier zijt, heeft de vrouw u haar misdaden verhaald? zoo ja, dan begrijp ik de langdurigheid van het onderhoud.”—Felton beefde en milady voelde, dat zij verloren was, indien zij den ontstelden Puritein niet te hulp kwam.—„Ha! gij vreest, dat uw gevangene u ontsnapt,” zeide zij. „Welnu, vraag aan uw gevangenbewaarder, welke gratie ik zooeven van hem verzocht.”—„Gij vraagdet hem een gratie?” zeide de baron wantrouwend.—„Ja, mylord!” hernam de jongeling verlegen.—„En welke gratie, spreek?” ging lord de Winter voort.—„Een mes, dat zij mij door de traliën der deur zou teruggeven, na het één minuut gehad te hebben,” antwoordde Felton.—„Is hier dan iemand verborgen, dien de lieve dame den hals wil afsnijden?” hernam lord de Winter op spottenden, schamperen toon.—„Ik ben er,” antwoordde milady.—„Ik heb u de keus tusschen Amerika en Tyburn gelaten,” hernam lord de Winter; „kies Tyburn, milady! het koord is, geloof mij, nog zekerder dan het mes.”—Felton voelde een rilling tot door het merg van zijn gebeente loopen. Waarschijnlijk bemerkte milady die gewaarwording.—„Gij hebt gelijk,” zeide zij, „en ik had er reeds aan gedacht.”—Vervolgens voegde zij er met een gesmoorde stem bij: „Ik zal er nog aan denken.”—Felton verbleekte en trad een schrede nader, zich herinnerende dat, toen hij was binnengekomen, milady een koord in de hand hield.

„O! o!” zeide de gevangene, toen de deur gesloten was, „ik ben zoo ver nog niet gekomen als ik dacht.... De Winter heeft zijn gewone dwaasheid in een ongehoorde voorzichtigheid veranderd; zie eens wat de wraakzucht al niet teweegbrengt, en hoe die zucht den mensch misvormt. Maar Felton aarzelt. O, hij is geen stoutmoedige, zooals die vervloekte d’Artagnan.”

Intusschen wachtte milady met ongeduld, want zij twijfelde er niet aan, dat de dag niet zou verloopen, zonder dat zij Felton weerzag. Eindelijk, een uur na het tooneel, dat wij hebben verhaald, hoorde zij zachtjes voor haar deur spreken en spoedig hierop zag zij de deur openen en herkende Felton. De jongeling trad haastig de kamer binnen, de deur achter zich openlatende en milady een teeken gevende van te zwijgen; zijn gezicht was geheel ontsteld.—„Wat wilt gij?” vroeg zij.—„Luister,” antwoordde Felton zoo zacht mogelijk, „ik heb den schildwacht doen vertrekken, om hier te kunnen blijven, zonder dat men wete dat ik gekomen ben, om met u te spreken, zonder dat men kan hooren wat ik u zeg. De baron heeft mij een vreeselijke geschiedenis verhaald.”—Milady nam glimlachend het masker eens slachtoffers aan en schudde het hoofd.—„Of gij zijt een helsche geest,” hernam Felton, „òf de baron, mijn weldoener, mijn vader, is een monster. Ik ken u sedert vier dagen, ik bemin hem sedert tien

„Neen, Felton! neen, mijn broeder!” zeide zij, „het offer is te groot en ik voel, dat het u te zwaar valt. Neen, ik ben verloren, stort u niet met mij in het verderf! Mijn dood zal welsprekender zijn dan mijn leven, en de stomheid van het lijk zal u beter overtuigen dan de woorden eener gevangene.”—„Zwijg, mevrouw! spreek niet alzoo tot mij, ik ben gekomen, opdat gij mij op uw eer zoudt beloven en bij alles wat u heilig is bezweren, uw leven niet te kort te doen.”—„Ik wil niet beloven,” zeide milady, „want niemand heeft meer eerbied voor een eed dan ik, en indien ik beloofde, zou ik die belofte moeten houden.”—„Welnu!” zeide Felton, „verbind u dan slechts tot zoo lang dat gij mij zult hebben weergezien. En dan, wanneer gij in uw besluit mocht volharden, zult gij vrij zijn, en ik zal u zelf het wapen geven, dat gij mij hebt gevraagd.”—„Het zij zoo,” zeide milady, „voor u zal ik wachten.”—„Zweer het.”—„Ik zweer het bij onzen God! Zijt gij tevreden?”—„Ja,” zeide Felton, „tot van nacht.”—En hij snelde de kamer uit en wachtte buiten met de halve piek van den soldaat in de hand, alsof hij op wacht stond. Toen de soldaat was teruggekomen, gaf Felton hem zijn wapen terug.

Toen zag milady door de getraliede opening der deur, welke zij was genaderd, den jongeling in een hevige gemoedsbeweging de gang doorijlen, als van vreugde buiten zich zelven. Wat haar betreft, zij keerde naar haar plaats terug, met den glimlach eener woeste verachting op de lippen, en dien vreeselijken naam Gods vloekende, op welken zij had gezworen zonder dien ooit te hebben leeren kennen, herhaalde zij: „Mijn God! dwaze geestdrijver.... mijn God? dat ben ik, ik en hij, die mij in mijn wraak zal helpen!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings