HOOFDSTUK XXX.
Reading edition
Milady.
D’Artagnan was milady gevolgd, zonder door haar bemerkt te zijn geworden; hij zag haar in haar koets stijgen en hoorde haar aan den koetsier het bevel geven, naar St. Germain te rijden.
Het was onnoodig te beproeven een rijtuig te volgen, dat werd voortgejaagd door twee sterke paarden.... D’Artagnan keerde dus naar de straat Férou terug. In de straat de Seine ontmoette hij Planchet, die voor een pasteibakkerswinkel stond te kijken en in verrukking
De heer de Tréville had eens voor altijd zijn stal ter beschikking van d’Artagnan gesteld. Planchet begaf zich naar de straat du Colombier en d’Artagnan naar de straat Férou. Athos was te huis, treurig een der flesschen vermaarden Spaanschen wijn ledigende, welken hij van zijn reis naar Picardië had medegebracht. Hij gaf Grimaud een teeken, om voor den heer d’Artagnan een glas te brengen en Grimaud gehoorzaamde, als naar gewoonte, stilzwijgend.
D’Artagnan verhaalde toen Athos al wat er in de kerk tusschen Porthos en zijn procureursvrouw was voorgevallen en op wat wijze hun vriend waarschijnlijk op dit oogenblik bezig was zich een uitrusting te bezorgen.
„Wat mij betreft,” antwoordde Athos op die mededeeling, „ik ben gerust, dat het de vrouwen niet zullen zijn, die de kosten van mijn uitrusting zullen goed maken.”—„En nochtans, schoon, begaafd, een groot heer, zooals gij zijt, mijn waarde Athos! zijn er geen prinsessen of koninginnen voor uw liefdepijlen gevrijwaard.”
Op dat oogenblik stak Planchet nederig het hoofd door de half openstaande deur en berichtte zijn meester, dat de paarden gereed waren.—„Welke paarden?” vroeg Athos.—„Twee paarden, die de heer de Tréville mij voor mijn vermaak leent en met welke ik een wandeling naar St. Germain ga doen.”—„En wat gaat ge te St. Germain doen?” vroeg Athos.
Toen verhaalde d’Artagnan de ontmoeting, die hij in de kerk had gehad, en hoe hij de vrouw had wedergevonden, die met den edelman met den zwarten mantel en het litteeken aan den slaap des hoofds eeuwig in zijn gedachten was.—„Dat wil zeggen, dat gij op haar verliefd zijt, zooals op juffrouw Bonacieux,” St. Germain.”—„Mijn waarde!” zeide Athos, „ik berijd mijn paarden, wanneer ik er heb, zoo niet, ga ik te voet.”—„Welnu, ik,” zeide d’Artagnan, over de stekeligheid van Athos glimlachende, die hem bij een ander zeker zou gekwetst hebben; „ik ben minder trotsch dan gij, ik berijd de paarden, die ik vind. Dus tot wederziens, waarde Athos!”—„Tot wederziens,” zeide de musketier, Grimaud een teeken gevende de flesch open te trekken, die hij gebracht had.
D’Artagnan en Planchet stegen te paard en sloegen den weg naar St. Germain in. Langs den geheelen weg waren des jongelings gedachten vervuld met hetgeen Athos hem nopens juffrouw Bonacieux had gezegd. Hoewel d’Artagnan niet zeer sentimenteel van aard was, had echter de jonge winkeliersvrouw inderdaad veel
Intusschen ging hij nu trachten iets omtrent milady te vernemen; milady had met den zwartmantel gesproken, derhalve kende zij hem. En volgens d’Artagnan’s denkwijze was het niemand anders dan de zwartmantel, die juffrouw Bonacieux voor de tweede maal had ontvoerd, zooals hij zulks den eersten keer had gedaan. D’Artagnan loog dus slechts ten halve, hetgeen niet zeer veel beteekent, toen hij zeide, dat hij, milady zoekende, tegelijkertijd Constance zocht.
Aldus in gedachten verzonken, en van tijd tot tijd zijn paard de sporen gevende, had d’Artagnan den weg afgelegd en was te St. Germain gekomen. Hij was het paviljoen langs gereden, waarin tien jaren later Lodewijk XIV zou geboren worden. Hij ging een zeer eenzame straat door, links en rechts ziende, of hij niet een of ander spoor zijner schoone Engelsche zou ontwaren, toen, voor de benedenvertrekken van een fraai huis, dat volgens de gewoonte van dien tijd aan de straat geen vensters had, hij een hem bekend figuur zag verschijnen. Die gestalte wandelde op een soort van terras, met bloemen beplant. Planchet was de eerste, die ze herkende.
„Wel, mijnheer!” zeide hij, zich tot d’Artagnan wendende, „herinnert gij u dat gezicht niet meer, dat daar naar de lucht staat te gapen?”—„Neen,” zeide d’Artagnan, „en nochtans ben ik zeker, dat het niet de eerste maal is, dat ik dat gezicht zie.”—„Ik geloof het wel, pardieu!” zeide Planchet; „het is de arme Lubijn, de lakei van den graaf de Wardes, dien gij zoo fraai hebt toegetakeld, nu een maand geleden, te Calais, op den weg naar het buitenverblijf van den gouverneur.”—„Ha, ja,” zeide d’Artagnan, „nu herken ik hem eerst. Gelooft gij, dat hij u zal herkennen, Planchet?”—„Mijn God! mijnheer! hij was zoo ontsteld, dat ik niet
Planchet klom van het paard, ging recht op Lubijn af, die hem werkelijk niet herkende, en beide lakeien begonnen het vertrouwelijkste gesprek van de wereld met elkander, terwijl d’Artagnan beide paarden in een nauwe steeg leidde en toen, om het huis gaande, het gesprek achter een hazelnotenboschje ging beluisteren. Na een oogenblik achter de haag een en ander te hebben gadegeslagen, hoorde hij het gerucht van een naderend rijtuig, en hij zag voor zich de koets van milady stil houden. Er was niet aan te twijfelen, milady zat er in. D’Artagnan ging op den hals van zijn paard liggen, ten einde alles te zien, zonder gezien te worden.
Milady stak haar bekoorlijk blond hoofd buiten het portier en gaf eenige bevelen aan haar kamenier. Deze laatste, een fraai meisje van 20 tot 22 jaren, vlug en levendig, een echte kamenier eener voorname dame, sprong de voettrede af, op welke zij volgens de gewoonte van dien tijd gezeten was, en begaf zich naar het terras, waar d’Artagnan Lubijn had bespeurd.
D’Artagnan volgde de kamerjuffer met de oogen en zag haar naar het terras gaan. Maar toevallig had, op een bevel van binnen, Lubijn zich verwijderd, zoodat Planchet alleen was gebleven, naar alle kanten rondziende langs welken weg d’Artagnan was verdwenen.
De kamenier naderde Planchet, dien zij voor Lubijn aanzag, en stelde hem een briefje ter hand.—„Voor uw meester,” zeide zij hem.—„Voor mijn meester?” hernam Planchet verbaasd.—„Ja, er is haast bij, dus neem aan.”—Daarop vlood zij naar de koets, die naar den kant was omgekeerd van welken ze gekomen was, sprong op de voettrede en de koets verwijderde zich.
Planchet keerde het briefje om en om, vervolgens, gewoon aan lijdelijke gehoorzaamheid, sprong hij van het terras af, ging het steegje in en ontmoette op twintig
„Voor u, mijnheer!” zeide Planchet, den jongeling het briefje aanbiedende.—„Voor mij?” vroeg d’Artagnan, „zijt gij er wel zeker van?”—„Pardieu! of ik er zeker van ben; de kamenier heeft gezegd: voor uw meester.... Ik heb geen anderen meester dan u, bijgevolg.... Waarachtig een aardige meid, die kamenier!”
D’Artagnan opende het briefje en las:
„Een persoon, die meer belang in u stelt, dan zij u kan zeggen, wenschte te weten, welken dag gij in staat zult zijn in het woud een wandeling te doen; morgen zal aan het hotel du Champ du drap d’or een zwarte en roode lakei uw antwoord wachten.”
„Ha, ha!” dacht d’Artagnan, „dat is vrij haastig. Het schijnt, dat milady en ik nopens de gezondheid van denzelfden persoon tamelijk nieuwsgierig zijn. Welnu, Planchet! hoe vaart de heer de Wardes? hij is dus niet dood.”—„Neen, mijnheer! hij is zoo wel als men wezen kan, met vier degensteken in het lijf, want gij hebt dien waarden edelman er wel degelijk vier toegebracht, maar hij is nog zeer zwak, daar hij bijna al zijn bloed heeft verloren. Zooals ik aan mijnheer gezegd heb, Lubijn heeft mij niet herkend en mij geheel en al ons avontuur verhaald.”—„Zeer goed, Planchet! gij zijt de koning der lakeien; maar klim thans te paard en laat ons trachten de koets te bereiken.”
Dit duurde niet lang; na verloop van vijf minuten bespeurde men de koets, die bezijden den weg stilstond: een rijk gekleed ruiter stond aan het portier. Het gesprek van milady en den ruiter was zoo levendig, dat d’Artagnan aan de andere zijde der koets bleef stilstaan, zonder dat iemand anders dan de lieve kamenier zijn tegenwoordigheid bespeurde.
Het gesprek werd in het Engelsch gevoerd, een taal die d’Artagnan niet verstond; maar aan den klank der
Toen meende d’Artagnan, dat het tijd was tusschenbeide te komen; hij naderde het andere portier, en eerbiedig den hoed afnemende, zeide hij: „Mevrouw! veroorloof mij u mijn diensten aan te bieden; het schijnt dat die heer u vertoornd heeft. Een woord, mevrouw! en ik belast mij, hem voor zijn onbeleefdheid te straffen.”—„Mijnheer! volgaarne zou ik mij onder uw bescherming stellen, indien de persoon, met wien ik in twist ben, mijn broeder niet ware.”—„O, vergeef mij dan,” zeide d’Artagnan, „gij begrijpt, dat mij zulks onbekend was, mevrouw!”—„Waarmede bemoeit zich toch die wildzang!” riep, zich tot op de hoogte van het portier bukkende, de kavalier, dien milady als haar broeder had opgegeven, „en waarom vervolgt hij zijn weg niet?”—„Gij zelf zijt een wildzang,” zeide d’Artagnan, zich op zijn beurt over den hals van zijn paard buigende, ook door het portier antwoordende: „ik vervolg mijn weg niet, omdat het mij behaagt hier te blijven staan.”—De ruiter sprak eenige Engelsche woorden tot zijn zuster.—„Ik spreek Fransch tot u,” zeide d’Artagnan; „doe mij dus het genoegen mij in dezelfde taal te antwoorden. Gij zijt de broeder van mevrouw, het zij zoo, maar gelukkig zijt gij de mijne niet.”
Men zou verwacht hebben, dat milady, vreesachtig als een vrouw, in dit begin eener uitdaging zich als middelaarster zou gesteld hebben, ten einde te beletten, dat de twist ernstiger gevolgen had; maar integendeel, zij wierp zich achterover in haar koets en riep den koetsier koel toe: „Naar het hotel!” De lieve kamenier wierp een onrustvollen blik op d’Artagnan, wiens fraaie gestalte op haar indruk scheen te maken. De
Geen stoffelijk voorwerp scheidde hen meer. De ruiter maakte een beweging om het rijtuig te volgen; maar d’Artagnan, wiens toorn reeds kookte, werd nog kwaadaardiger, toen hij in hem den Engelschman herkende, die te Amiëns zijn paard had gewonnen; hij reed op hem toe en vatte den toom van zijn paard.—„Hier, mijnheer! gij schijnt nog grooter wildzang te zijn dan ik, want gij vergeet, dat er tusschen ons een kleine twist moet worden beslecht.”—„Ha! ha!” zeide de Engelschman, „gij zijt het, meester! Gij moet dan altijd het een of ander spel spelen.”—„Ja, en dat herinnert mij, dat ik revanche moet nemen. Wij zullen eens zien, mijnheer! of gij even handig met den degen zijt als met de dobbelsteenen.”—„Gij ziet wel, dat ik geen degen heb: of wilt gij tegenover een ongewapende den dappere vertoonen?”—„Ik hoop toch, dat gij er een thuis zult hebben. In alle geval, ik heb er twee, en als gij wilt, waag ik er een.”—„Dat is niet noodig,” zeide de Engelschman, „ik ben ruim voorzien van die soort van gereedschappen.”—„Welnu dan, achtbare heer!” hernam d’Artagnan, „kies dan den langsten en vertoon mij dien eens van avond.”—„Waar dat, als het u belieft?”—„Achter het Luxembourg, dat is een allerliefste plek voor wandelingen als die, welke ik u voorstel.”—„Het is goed, men zal er wezen.”—„Hoe laat?”—„Te zes uur.”—„A propos! gij hebt zeker een of twee vrienden?”—„Wel, ik heb er drie, die zich zeer vereerd zullen vinden, dezelfde partij met mij te spelen.”—„Drie, dat kan niet beter,” zeide d’Artagnan, „dat is juist wat ik verlangde.”—„Maar zeg mij nu eens wie gij zijt?” vroeg de Engelschman.—„Ik ben de heer d’Artagnan, Gaskonjisch edelman, in dienst der gardes, bij de compagnie van den heer des Essarts. En gij?”—„Ik ben lord de Winter, baron van Sheffield.”—„Welnu, dan ben ik uw dienaar, mijnheer de baron!” zeide d’Artagnan, „hoewel uw namen vrij moeilijk te onthouden zijn.”—En zijn Parijs in.
Zooals hij in dergelijke omstandigheden gewoon was, begaf d’Artagnan zich rechtstreeks naar Athos. Hij vond dezen op een groote canapé liggen, waar hij, zooals hij gezegd had, wachtte totdat zijn uitrusting hem zou tegemoet komen. D’Artagnan verhaalde aan Athos al het voorgevallene, behalve datgene wat den brief aan den heer de Wardes betrof. Athos was blijde te vernemen, dat hij tegen een Engelschman ging strijden. Wij meenen gezegd te hebben, dat het zijn gewone droom was.
Men liet onmiddellijk Porthos en Aramis door de lakeien roepen en men maakte hen met de gesteldheid der zaken bekend. Porthos trok zijn degen uit de scheede en begon tegen den muur te schermen, van tijd tot tijd achteruit gaande en als een danser de beenen buigende. Aramis, die steeds aan zijn gedicht werkte, sloot zich in het kabinet van Athos op en verzocht, dat men hem niet zou storen voor het oogenblik, waarop het gevecht zou beginnen. Athos vroeg met een wenk aan Grimaud een andere flesch. Wat d’Artagnan betreft, deze beraamde bij zich zelven een klein plan, waarvan wij later de uitvoering zullen zien en dat hem zeker een vermakelijk avontuur beloofde, zooals men kon opmaken uit de lachjes, die van tijd tot tijd op zijn gezicht zweefden en de droomerige uitdrukking er van verhelderden.