HOOFDSTUK XII.
Reading edition
De herberg De Roode Duiventoren.
Nauwelijks in het legerkamp gekomen, wilde de koning, in zijn ongeduld om zich in de tegenwoordigheid des vijands te bevinden, en den haat van den kardinaal tegen Buckingham deelende, al het vereischte aanwenden, vooreerst om de Engelschen van het eiland Ré te verjagen, en ten tweede om het beleg van la Rochelle te bespoedigen, maar ondanks zich zelven werd hij hierin opgehouden door de oneenigheden, die er tusschen de heeren Bassompierre en Schomberg aan de eene en den hertog d’Angoulême aan de andere zijde uitbraken....
De heeren Bassompierre en Schomberg, als maarschalken van Frankrijk, eischten het recht, om onder het oog des konings het opperbevel des legers te voeren, maar de kardinaal, vreezende dat Bassompierre, die inwendig Hugenoot was, slechts flauwelijk de Engelschen en de inwoners van la Rochelle, zijn geloofsgenooten, zou bestoken, droeg daarentegen den hertog d’Angoulême voor, dien de koning, op zijn inblazing, tot luitenant-generaal had benoemd. Hieruit volgde, dat, wilde men de heeren Bassompierre en Schomberg het leger niet zien verlaten, men verplicht was, aan elk hunner een bijzonder bevelhebberschap te geven.
Bassompierre vestigde zijn hoofdkwartier ten noorden der stad, van af Laleu tot aan Dompierre, de hertog van Angoulême het zijne ten oosten van Dompierre tot aan Périgny, en de heer Schomberg ten zuiden van Périgny tot aan Angoulin.
Monsieur was te Dompierre. Dat van den koning nu eens te Estré dan weer te la Jarrie. Eindelijk was het hoofdkwartier van den kardinaal op de duinen, bij de brug de la Pierre, in een eenvoudig huis zonder eenige verschansingen. Zoo was het, dat Monsieur Bassompierre gadesloeg, de koning den hertog d’Angoulême en de kardinaal den heer Schomberg. Eenmaal dit bepaald zijnde, hield men zich bezig de Engelschen van het eiland Ré te verjagen.
De gelegenheid hiervoor was gunstig. De Engelschen, die vooral, om goede soldaten te zijn, goede levensmiddelen behoeven, aten niets dan pekelvleesch en slechte beschuit en hadden in hun legerkamp een aantal zieken; daarenboven vergingen dagelijks op zee—in dat jaargetijde langs geheel de westelijke kust zeer gevaarlijk—vele kleine vaartuigen, zoodat de kust, van de punt de l’Aiguillon tot aan de loopgraven, letterlijk bij elken vloed overdekt was met verbrijzelde pinken en andere kleine schepen. Het gevolg hiervan moest noodwendig zijn, dat, al hielden des konings troepen zich rustig in hun legerkamp, Buckingham, die slechts uit stijfhoofdigheid op het eiland Ré bleef, genoodzaakt zou zijn het beleg op te breken.
Maar dewijl de heer de Toiras liet zeggen, dat in het vijandelijk legerkamp aanstalten tot een nieuwen aanval werden bespeurd, oordeelde de koning dat er een einde aan moest worden gemaakt, en hij gaf de noodige bevelen tot een beslissenden slag.
Daar het ons voornemen niet is een dagboek van de belegering te schrijven, maar integendeel slechts die gebeurtenissen aan te halen, welke in verband met ons verhaal staan, zullen wij ons bepalen met een paar woorden te zeggen, dat de onderneming tot groot genoegen van den koning en tot den meest mogelijken roem van den kardinaal gelukte. De Engelschen, voet voor voet teruggedreven, in al de gevechten geslagen, verplet bij den overgang van het eiland, werden genoodzaakt zich in te schepen, op het slagveld twee duizend man latende, waaronder vijf kolonels, drie luitenant-kolonels, Parijs gebracht, met groote praal aan de gewelven van de Onze Lieve Vrouwekerk werden opgehangen. Te Deums werden gezongen en vonden weerklank door geheel Frankrijk. De kardinaal was dus in staat de belegering voort te zetten, zonder althans voor het oogenblik iets van de Engelschen te vreezen te hebben. Maar, zooals wij zeggen, die rust was slechts kortstondig.
Een zendeling van den hertog van Buckingham, genaamd Montaigu, was gevangen genomen, en men had het bewijs in handen van bondgenootschap tusschen Duitschland, Spanje, Engeland en Lotharingen tegen Frankrijk. Vervolgens had men in het hoofdkwartier van Buckingham, hetwelk hij genoodzaakt was geweest plotseling te verlaten, papieren gevonden, die dat bondgenootschap bevestigden en, naar hetgeen de kardinaal in zijn Gedenkschriften verklaart, mevrouw de Chevreuse, en bijgevolg de koningin, zeer verdacht maakten. Het was op den kardinaal dat de geheele verantwoordelijkheid rustte; want men is niet oppermachtig minister zonder verantwoordelijk te zijn.
De hulpmiddelen van zijn veelomvattenden geest waren dan ook dag en nacht werkzaam, en hij luisterde met inspanning naar de minste beweging, welke zich in een of ander der groote rijken van Europa verhief. De kardinaal kende de bedrijvigheid en den haat van Buckingham: indien het bondgenootschap, dat Frankrijk bedreigde, zegevierde, was Richelieu’s invloed vernietigd.
De Spaansche en Oostenrijksche staatkunde had haar vertegenwoordigers in het kabinet van het Louvre, waar zij tot hiertoe slechts partijgangers had gehad. Hij, Richelieu, de Fransche, de bij uitnemendheid nationale minister, was verloren; de koning, die, hem als een kind gehoorzamende, hem als een kind dat zijn meester verfoeit haatte, gaf hem aan de dubbele wraak van Monsieur en de koningin over. Hij was verloren, Frankrijk met hem; en dat alles moest worden voorkomen.
Men zag dan ook de koeriers alle oogenblikken talrijker worden en elkander dag en nacht in dat kleine huis aan de brug de la Pierre, waar de kardinaal zijn kwartier had gevestigd, opvolgen. Nu eens waren het monniken, die hun pij zoo slecht droegen, dat men gemakkelijk kon zien, dat zij vooral tot de strijdende kerk behoorden; dan weder vrouwen, min of meer gedwongen haar pagegewaad dragende, van hetwelk de breede poffen niet volkomen de fraaie ronding harer gestalte konden verbergen; eindelijk boeren met vuile handen, maar met welgevormde beenen, waaraan men den edelman op een uur afstands kon herkennen. Vervolgens nog andere, minder aangename bezoekers; want twee of drie malen verspreidde zich het gerucht, dat de kardinaal op het punt was geweest vermoord te worden. Het is waar, de vijanden Zijner Eminentie zeiden, dat de kardinaal op zich zelven onhandige moordenaars afzond, ten einde bij voorkomende gelegenheid het recht van wedervergelding te kunnen uitoefenen; maar men moet geen geloof slaan noch aan de gezegden der ministers, noch aan hetgeen hun vijanden zeggen.
Dit alles echter belette den kardinaal niet, aan wien zijn hevigste tegenstanders nooit persoonlijken moed hebben kunnen betwisten, nachtelijke tochten te doen; nu eens om den hertog van Angoulême gewichtige bevelen over te brengen, dan weder om zich met den koning te verstaan, een andermaal om zich met een of anderen bode, dien hij niet verkoos bij zich te ontvangen, te onderhouden.
Van hun kant leidden de musketiers, die bij de belegering niet veel te doen hadden en aan geen strenge krijgstucht onderworpen waren, een vroolijk leven. Dat was vooral voor onze drie vrienden des te gemakkelijker, daar zij, tot de vrienden van den heer de Tréville behoorende, zonder veel moeite van hem de vergunning verkregen, om na het sluiten van het legerkamp met bijzondere verlofpassen uit te blijven.
la Jarrie en die de Roode Duiventoren heette. Zij volgden den weg naar het legerkamp, zooals wij zeiden, met behoedzaamheid voortrijdende, uit vrees in een hinderlaag te vallen, toen zij op ongeveer een kwartieruurs afstands van het dorp Boisneau paardengetrappel hoorden, dat hen naderde. Dadelijk bleven alle drie, zich naast elkander scharende, op het midden van den weg staan. Na eenige oogenblikken, terwijl de maan van achter een wolk te voorschijn kwam, zagen zij om den hoek van een weg twee ruiters verschijnen, die, hen ontwarende, op hun beurt bleven staan en met elkander schenen te raadplegen, of zij hun weg zouden vervolgen of terugkeeren. Die aarzeling deed de drie vrienden iets kwaads vermoeden, en Athos, eenige schreden vooruitgaande, riep met vaste stem: „Werda!”—„Werda? vragen wij u,” antwoordde een der twee ruiters.—„Dat is geen antwoord,” hernam Athos. „Werda! antwoord, of wij vallen aan!”—„Wees er op bedacht wat gij wilt doen, mijne heeren!” zeide daarop een helderklinkende stem, die gewoon scheen het commando te voeren.
„Het is een of ander hoofdofficier, die zijn nachtronde doet,” zeide Athos, tot zijn vrienden terugkeerende. „Wat wilt gij doen, heeren?”
„Wie zijt gij?” vroeg dezelfde stem op denzelfden gebiedenden toon; „antwoord op uw beurt, of uw ongehoorzaamheid zou u kwalijk kunnen bekomen.”—„Musketiers des konings!” riep Athos, meer en meer overtuigd dat hij, die hem dit vroeg, er recht toe had.—„Welke kompagnie?”—„Kompagnie van Tréville.”—„Treedt voorwaarts en geeft rekenschap van wat gij hier ter plaatse zoo laat doet.”
De drie musketiers naderden, nu een weinig ootmoediger,
„Verontschuldig mij, mijn officier!” zeide Athos, „wij wisten niet met wien wij te doen hadden, en gij kunt zien, dat wij waakzaam zijn.”—„Uw naam!” zeide de officier, die met zijn mantel een gedeelte van zijn aangezicht bedekte.—„Maar, mijnheer!” hernam Athos, die zich tegen die soort van inquisitoriale ondervraging begon te verzetten, „ik verzoek eerst mij het bewijs te geven, dat gij het recht hebt mij te ondervragen.”—„Uw naam!” hernam voor de tweede, maal de ruiter, terwijl hij zijn mantel liet vallen, waardoor zijn gelaat werd ontbloot.—„Zijne Eminentie de kardinaal!” riep de musketier ontsteld.—„Uw naam!” herhaalde voor de derde maal Zijne Eminentie.—„Athos,” antwoordde de musketier.
De kardinaal wenkte zijn stalmeester, die nader trad.—„Die drie musketiers zullen ons volgen,” zeide hij zacht tot hem, „ik wil niet, dat men wete, dat ik het legerkamp heb verlaten, en ons volgende, zijn wij zeker dat zij het aan niemand zullen zeggen.”
„Wij zijn edellieden, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „eisch dus ons woord van eer, en verontrust u over niets. Goddank! wij weten een geheim te bewaren.”
De kardinaal vestigde zijn doordringenden blik op den stoutmoedigen spreker.—„Gij hebt een scherp gehoor, mijnheer Athos!” zeide de kardinaal, „maar luister, het is niet uit wantrouwen, dat ik u verzoek mij te volgen, het is voor mijn zekerheid; zonder twijfel zijn uw twee gezellen de heeren Porthos en Aramis?”—„Ja, Uwe Eminentie!” zeide Athos, terwijl de twee musketiers, die waren achtergebleven, met den hoed in de hand naderden.—„Ik ken u, heeren! ik ken u! ik weet wel, dat gij juist niet tot mijn vrienden behoort,
De drie musketiers bogen tot op den hals van hun paarden.—„Op mijn eer,” zeide Athos, „Uwe Eminentie heeft gelijk ons mede te nemen: wij hebben op den weg al zeer afzichtelijke lieden ontmoet, en zelfs met vier er van in de Roode Duiventoren twist gehad.”—„Twist! en waarom, mijne heeren?” zeide de kardinaal, „gij weet wel, dat ik van geen twistzoeken houd.”—„Het is juist uit dien hoofde dat ik de eer heb Uwe Eminentie van het gebeurde kennis te geven, want zij zou het door anderen dan door ons kunnen vernemen, en tengevolge van een kwalijk overgebracht verslag ons als de schuldigen beschouwen.”—„En wat zijn de gevolgen van dezen twist geweest?” vroeg de kardinaal, de wenkbrauwen fronsende.—„Wel, mijn vriend Aramis, die hier is, heeft een lichten degensteek in den arm ontvangen, hetgeen hem niet zal beletten, zooals Uwe Eminentie zal zien, morgen bij de bestorming tegenwoordig te zijn, indien Uwe Eminentie dit beveelt.”—„Maar gij zijt niet van die lieden, welke zich zoo gemakkelijk degensteken laten toebrengen,” zeide de kardinaal. „Spreekt! weest oprecht, heeren! gij hebt er wel eenige teruggegeven; biecht op, gij weet, dat ik de macht heb absolutie te geven.”
„Ik, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „heb niet eens den degen in de hand gehad, maar hem, met wien ik te doen had, in mijn armen genomen en uit het venster geworpen; hij schijnt in zijn val,” ging Athos met eenige aarzeling voort, „het dijbeen te hebben gebroken.”—„Zoo, zoo!” riep de kardinaal, „en gij, mijnheer Porthos?”
„Ik, Uwe Eminentie! wetende dat het tweegevecht verboden is, heb een bank opgenomen en een dier bandieten daarmede een slag gegeven, die hem, geloof ik,
„Ik, Uwe Eminentie, die van een zeer vredelievenden en zachten aard ben, en bovendien, hetgeen Uwe Eminentie misschien niet weet, op het punt sta tot den geestelijken stand over te gaan, ik wilde mijn vrienden van die ellendelingen scheiden, toen een hunner mij verraderlijk in den linkerarm een degensteek toebracht; toen was mijn geduld ten einde en ik trok op mijn beurt den degen, en daar hij opnieuw mij aanviel, meende ik te voelen, dat hij zich zelven aan mijn degen reeg, alleen weet ik zeer goed dat hij gevallen is en men hem met zijn makkers heeft weggedragen.”
„Duivelsch, mijne heeren!” zeide de kardinaal, „drie mannen in een herbergtwist neervellen! dat is de handen roeren. Maar uit wat oorzaak ontstond die twist?”—„Die ellendelingen waren dronken,” zeide Athos.... „bekend met de aankomst eener vrouw in die herberg, wilden zij de deuren openbreken.”—„En was die jonge vrouw jong en fraai?” vroeg de kardinaal met zekere ongerustheid.—„Wij hebben haar niet gezien, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos.—„Hebt gij haar niet gezien? Ha! zeer goed!” hernam de kardinaal levendig; „gij hebt wèl gedaan de eer eener vrouw te verdedigen, en dewijl het naar de Roode Duiventoren is, dat ik mij begeef, zal ik dra weten of gij mij de waarheid hebt gezegd.”
„Mijnheer!” antwoordde Athos trotsch, „wij zijn edellieden, en al konden wij er ons hoofd door redden, zouden wij niet liegen.”—„Ook twijfel ik geen oogenblik aan hetgeen ge zegt, mijnheer Athos! geen oogenblik, maar,” ging hij voort, aan het gesprek een andere wending gevende, „was die dame dan alleen?”—„Die dame had zich met een cavalier in haar kamer opgesloten, maar dewijl die cavalier, ondanks het geweld, niet te voorschijn kwam, is het te veronderstellen dat hij een lafaard is.”—„Oordeel niet vermetel, zegt het Evangelie,” hernam de kardinaal.—Aramis boog het hoofd.—„En thans, mijne heeren, is het wel,
De drie musketiers plaatsten zich achter den kardinaal, die opnieuw zijn aangezicht met den mantel bedekte en zijn paard aansporende, acht of tien schreden voor zijn vier geleiders voortreed.
Men bereikte spoedig de stille, eenzame herberg. Zonder twijfel wist de kastelein, welken doorluchtigen bezoeker hij zoude ontvangen; bijgevolg had hij de nieuwsgierigen verwijderd. Op drie schreden van de deur gaf de kardinaal aan zijn stalmeester en aan de drie musketiers een wenk te blijven staan. Een gezadeld paard was aan den ring van een vensterluik vastgemaakt; de kardinaal klopte drie malen op een bijzondere wijze. Een man in een mantel gewikkeld kwam onmiddellijk buiten en wisselde haastig eenige woorden met den kardinaal, waarna hij te paard steeg en in de richting van Surgères op den weg naar Parijs verdween.
„Nadert, heeren!” riep de kardinaal. „Gij hebt de waarheid gezegd, edellieden!” zeide hij, zich tot de drie musketiers wendende, „en het zal aan mij niet liggen, dat onze ontmoeting van heden u niet tot voordeel strekke.... Intusschen volgt mij.”
De kardinaal steeg af, de drie musketiers deden evenzoo, toen wierp de kardinaal den toom van zijn paard aan zijn stalmeester toe, terwijl de drie musketiers hun paarden aan de vensterluiken vastmaakten.
De kastelein bleef voor de deur staan, voor hem was de kardinaal niets meer dan een officier, die een dame kwam bezoeken.
„Hebt gij ook een benedenkamer, waar de heeren mij bij een goed vuur kunnen wachten?” vroeg de kardinaal.—De kastelein opende de deur van een groot vertrek, in hetwelk men juist een slechte kachel door een grooten flinken schoorsteen had vervangen.—„Deze is beschikbaar.”—„Dat is goed,” zeide de kardinaal. „Gaat daar binnen, heeren, en wacht mij, ik zal niet langer dan een half uurtje wegblijven.”
En terwijl de drie musketiers het benedenvertrek