← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXIII.

Reading edition

De verliefde samenkomst.

D’Artagnan spoedde zich naar huis; en hoewel het reeds later dan drie uur in den nacht was, en hij de slechtst befaamde wijken van Parijs had door te gaan, ontmoette hem niets kwaads. Men weet, er bestaat een God voor de dronkaards en voor de verliefden. Hij vond de deur van zijn gang open, klom de trap op en klopte zachtjes, op een met zijn knecht overeengekomene wijze, aan de deur. Planchet, dien hij twee uren vroeger van het Stadhuis had gezonden, met het bevel hem te wachten, kwam de deur openen.

„Is er iemand geweest, die een brief voor mij heeft gebracht?” vroeg d’Artagnan haastig.—„Niemand heeft een brief gebracht, mijnheer!” antwoordde Planchet; „maar een is er geheel alleen gekomen.”—„Wat wilt gij zeggen, zot?”—„Ik wil zeggen, dat,

Ondertusschen was de jongeling de kamer binnengestormd, en opende hij den brief. Hij was van mejuffrouw Bonacieux en luidde als volgt:

„Men heeft u hartelijke dankbetuigingen te doen en over te brengen; bevind u, heden avond te tien uur, te St. Cloud, tegenover het paviljoen, dat zich aan den hoek van het huis des heeren d’Estrées verheft.”

C. B.

Dezen brief lezende, voelde d’Artagnan zijn hart zwellen en weder inkrimpen door die teedere aandoeningen, welke het hart der minnenden tevens folteren en streelen.—Het was het eerste briefje, dat hij ontving, de eerste samenkomst, die hem werd aangeboden. Zijn hart, door de dronkenschap der vreugd vervuld, was gereed te bezwijmen op den drempel van dat aardsche paradijs, dat men liefde noemt.

„Welnu, mijnheer!” zeide Planchet, die zijn meester beurtelings had zien blozen en verbleeken; „welnu, heb ik het niet geraden? het is zeker een slechte zaak.”—„Gij bedriegt u, Planchet!” antwoordde d’Artagnan, „en tot bewijs, ziedaar een kroon, waarvoor gij op mijn gezondheid kunt drinken.”—„Ik bedank mijnheer voor de kroon, die hij mij geeft, en ik beloof hem, getrouw zijn voorschrift na te komen; maar het is niettemin raar, dat de brieven op zoodanige wijze in de gesloten huizen komen....”—„Uit den hemel vallen, mijn vriend! uit den hemel vallen.”—„Dus is mijnheer

Alleen zijnde, las en herlas d’Artagnan het briefje, hij kuste en herkuste twintig malen die regels, door de hand zijner schoone minnares geschreven. Eindelijk begaf hij zich te bed, sliep in en deed gouden droomen.

Te zeven uur des morgens stond hij op en riep Planchet, die op een tweeden roep de deur opende met een gezicht, waarvan de ongerustheid des vorigen daags nog niet was afgewischt.

„Planchet!” zeide d’Artagnan tot hem, „ik ga misschien voor den heelen dag uit, gij zijt dus vrij tot zeven uur van avond; maar te zeven uur houd u dan gereed met twee paarden.”—„Komaan,” zeide Planchet, „het schijnt, dat wij wederom eenige gaten in onze huid gaan opdoen.”—„Gij moet uw pistolen en musket medenemen.”—„Wel, wat zeide ik?” riep Planchet. „Ja, ik was er zeker van, vervloekte brief.”—„Maar verontrust u toch niet, domkop! het betreft niets anders dan een pleizierpartij.”—„Ja, zooals het pleiziertochtje van laatst, toen het kogels regende en valstrikken groeide.”—„Maar, indien gij bang zijt, Planchet!” hernam d’Artagnan, „zal ik zonder u gaan; ik ga liever alleen, dan vergezeld van een reisgezel, die beeft.”—„Mijnheer beleedigt mij,” zeide Planchet, „ik meen toch, dat hij mij aan het werk heeft gezien?”—„Ja, maar ik geloof, dat gij uw moed in een keer versleten hebt.”—„Mijnheer zal zien, dat, wanneer de gelegenheid zich voordoet, mij er nog van overblijft; ik verzoek mijnheer alleen, dien niet te verspillen, indien hij wil, dat ik hem lang behoude.”—„Gelooft gij er van avond nog iets van te kunnen missen?”—„Ik

De heer Bonacieux stond voor de deur; het voornemen van d’Artagnan was den waardigen winkelier voorbij te gaan zonder hem aan te spreken; maar deze groette hem zoo nederig en goedhartig, dat zijn huurder niet alleen zich verplicht vond hem wederkeerig te groeten, maar zelfs een gesprek met hem aan te knoopen. En daarenboven, waarom zou men niet vriendelijk zijn jegens een man, met wiens vrouw men een afspraak heeft gemaakt tot een samenkomst tegenover het klein paviljoen van den heer d’Estrées.

D’Artagnan naderde hem dus op de meest beleefde wijze. Het gesprek viel natuurlijk op de gevangenneming van den armen man. De heer Bonacieux, wien het onbekend was, dat d’Artagnan zijn gesprek met den onbekende van Meung had beluisterd, verhaalde aan zijn jongen huurder de vervolgingen van dat gedrocht, dien heer de Lassman, dien hij gedurende zijn geheele verhaal onophoudelijk den titel van beul des kardinaals gaf, terwijl hij lang uitweidde over de Bastille, de grendels, de deuren, de luchtgaten, de tralies en de folter-werktuigen.

D’Artagnan luisterde naar hem met een voorbeeldige welwillendheid; vervolgens, toen hij gedaan had: „En mejuffrouw Bonacieux,” zeide hij eindelijk, „weet gij, wie haar ontvoerd heeft? want ik vergeet niet, dat het tengevolge dezer noodlottige omstandigheid was, dat ik het genoegen uwer kennismaking heb gehad.”—„O!” riep de heer Bonacieux, „zij hebben zich wel gewacht mij zulks te zeggen, en mijn vrouw van haar zijde heeft mij bij alle goden gezworen, het niet te Parijs, dat gij al het stof hebt opgedaan, dat Planchet gisteren van uw laarzen stofte.”—„Gij hebt gelijk, mijn beste heer Bonacieux! mijn vrienden en ik hebben een klein reisje gedaan.”—„Ver van hier!”—„Och, mijn God! neen, niet meer dan een veertig uur van hier. Wij hebben den heer Athos naar de baden van Forges gebracht, waar mijn vrienden zijn gebleven.”—„En gij zijt teruggekomen, gij, niet waar?” hernam de heer Bonacieux, aan zijn gezicht de slimst mogelijke uitdrukking gevende. „Een knappe jongen, zooals gij, verkrijgt geen lang verlof van zijn minnares, en men wachtte u met ongeduld te Parijs terug, niet waar?”—„Op mijn woord,” antwoordde de jongeling lachende, „ik vertrouw het te eerder aan u, mijn waarde heer Bonacieux! daar ik zie, dat men u niets kan verbergen; ja, ik word verwacht en wel met ongeduld, dat verzeker ik u.”—Een lichte wolk zweefde op het voorhoofd van Bonacieux, maar zoo licht dat d’Artagnan die niet bemerkte.

„En men zal u voor uw spoed beloonen,” vervolgde de winkelier met eenige ontroering in de stem; een ontroering, die d’Artagnan evenmin bespeurde als de voorbijgaande wolk, die een oogenblik te voren het gezicht van den waardigen man verduisterd had.—„Och kom, houdt u nu maar goed!” zeide d’Artagnan lachende.—„Maar wat ik u zeg,” hernam Bonacieux, „is alleen om te weten, of gij laat te huis zult komen.”—„Waarom vraagt gij dat, mijn waarde huisheer?” vroeg d’Artagnan; „zijt gij voornemens mij te wachten?”—„Neen, maar sedert mijn inhechtenisneming en den diefstal, die bij mij gepleegd is, schrik ik telkens, wanneer ik een deur hoor opendoen en vooral des nachts.... Duivelsch! wat wilt gij, ik ben geen krijgsman.”—„Welnu, schrik niet, indien ik te een, twee of drie uur van nacht te huis kom; en wanneer ik in het geheel niet te huis kom, schrik dan nog niet.”

„Vermaak u wel,” antwoordde Bonacieux met een stem, alsof die uit een graf klonk. Doch d’Artagnan was reeds te ver, om die te hooren; en al had hij die gehoord, in de gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, zoude hij ze echter zeker niet hebben opgemerkt. Hij richtte zijn schreden naar het hotel van den heer de Tréville; zijn bezoek van den vorigen dag was, men herinnere het zich, zeer kort en van zeer weinig beteekenis geweest.

Hij vond den heer de Tréville in zijn ziel verblijd. De koning en de koningin waren voor hem op het bal allerbeminnelijkst geweest. Het is waar, dat de kardinaal integendeel alleronbeleefdst was geweest. Te een uur had hij zich verwijderd, voorwendende ongesteld te zijn. Hunne Majesteiten waren niet voor zes uur des morgens in het Louvre teruggekeerd.

„Thans,” zeide de heer de Tréville, op bijna fluisterenden toon en met zijn blik al de hoeken van het Londen ben geweest?”—„Duivelsch! zijt gij naar Londen geweest? En is het van Londen, dat gij dien schoonen ring hebt medegebracht, die aan uw vinger schittert? Wees op uw hoede, mijn beste d’Artagnan! het geschenk eens vijands brengt niet veel goeds. Is hierop niet zeker Latijnsch vers toepasselijk.... Wacht eens?”—„Ja zeker,” antwoordde d’Artagnan, die nooit in zijn hersens den eersten regel van zijn Rudimenta had kunnen stampen en door zijn onwetendheid zijn leermeester wanhopig had gemaakt, „ja zeker is er een.”—„Ongetwijfeld moet er een zijn,” zeide de heer de Tréville, die eenige kennis van letterkunde had, „en de heer de Benserade zeide het nog, eenige dagen geleden, op.... Wacht eens.... Ha, zoo is het: Timeo danaos et dona ferentes.—Dat wil zeggen, wantrouw den vijand, die u geschenken doet.”

„Die diamant komt van geen vijand, mijnheer!” hernam d’Artagnan, „hij komt van de koningin.”—„Van de koningin!” riep de heer de Tréville. „O, o! Inderdaad, het is waarlijk een koninklijk juweel, dat duizend pistolen zoo goed als een penning waard is. Door wien heeft de koningin u dat geschenk doen ter hand stellen?”—„Zij heeft het mij in persoon gegeven.”—„Waar dan?”—„In het kabinet naast het vertrek, waarin zij van kleeding heeft verwisseld.”—„Op wat

„O, de vrouwen! de vrouwen!” riep de oude soldaat, „ik herken ze wel aan haar romaneske verbeelding; al wat naar het geheimzinnige zweemt, bekoort haar. Dus hebt gij maar alleen den arm gezien, niets meer? Gij zoudt de koningin ontmoeten zonder haar te herkennen? of zij zou u ontmoeten, zonder te weten wie gij waart?”—„Ja, maar door dien diamant....” hernam de jongeling.—„Luister,” zeide de heer de Tréville, „wilt gij dat ik u een raad, een goeden, een vriendenraad geef?”—„Gij zult mij veel eer bewijzen, mijnheer!” zeide d’Artagnan.—„Welnu, ga dan bij den eersten goudsmid den besten en verkoop hem dien diamant, voor zooveel hij er u voor zal willen geven; al is hij de grootste jood, gij zult er altijd wel achthonderd pistolen voor krijgen. Pistolen hebben geen naam, jongeling! en deze ring heeft er een verschrikkelijken, die dengene kan verraden, die hem draagt.”—„Dien ring verkoopen, een ring die van mijn koningin afkomstig is, dat nooit!” riep d’Artagnan.—„Welaan, keer dan den steen naar binnen, arme dwaas! want men weet wel, dat een kadet van Gaskonje dergelijke juweelen niet in het juweelkistje zijner moeder vindt.”—„Gelooft gij dan, dat ik iets te vreezen heb?” vroeg d’Artagnan.—„Ik kan u zeggen, jongeling! dat hij, die zich op een kruitmijn te slapen legt, van welke de lont is aangestoken, zich in zekerheid moet wanen bij u vergeleken.”—„Duivelsch!” zeide d’Artagnan, wien de overtuigende toon van den heer de Tréville begon te verontrusten, „duivelsch! wat moet ik doen?”—„Op uw hoede zijn, altijd en voor alles. De kardinaal Pardieu! men heeft met Athos weinig omslag gemaakt; in alle geval, jonge gek! geloof een man, die sedert dertig jaar aan het hof verkeert, raak niet in slaap in uw gerustheid, of gij zijt verloren. Integendeel, en ik ben het, die u dit zegt, zie overal vijanden. Indien men twist met u zoekt, vermijd dien, al ware het met een kind van tien jaar; indien men u, hetzij des nachts of op den dag aanvalt, ontwijk zonder te blozen; indien gij een brug over gaat, bevoel dan de planken, uit vrees dat een der planken onder uw voeten verzinkt; wanneer gij voorbij een in aanbouw zijnd huis gaat, zie dan naar boven, uit vrees dat een steen op uw hoofd valt; indien gij laat te huis komt, laat u dan door uw lakei volgen en zorg, dat hij gewapend is, althans indien gij op uw lakei kunt rekenen. Stel in niemand ter wereld vertrouwen, wantrouw uw vriend, uw broeder, uw minnares, maar vooral uw minnares.”

D’Artagnan bloosde.—„Mijn minnares!” herhaalde hij werktuigelijk, „en waarom haar meer dan een ander?”—„Omdat de minnaressen een der middelen zijn, die den kardinaal het meest bevallen; hij heeft er geen, dat van spoediger uitwerking is; een vrouw verkoopt u voor tien pistolen: het bewijs er van is Dalila. Gij kent immers de heilige schrift, hè?”

D’Artagnan dacht aan de samenkomst, die juffrouw Bonacieux op dienzelfden avond had bepaald; maar wij moeten tot lof van onzen held zeggen, dat de slechte denkwijze van de Tréville omtrent de vrouwen in het algemeen hem niet het minste wantrouwen jegens zijn lieve huisjuffer inboezemde.—„Maar, à propos!” hernam de heer de Tréville, „wat is er van uw drie vrienden geworden?”—„Ik wilde u juist vragen, of gij niets van hen hadt vernomen.”—„Niets, Chantilly, met een tweegevecht op den hals; Aramis te Crèvecoeur, met een kogel in den schouder, en Athos te Amiëns, met een beschuldiging als valsche munter op het lijf.”—„Ziet ge wel!” zeide de heer de Tréville; „en hoe zijt gij het ontkomen?”—„Door een wonder, mijnheer! wel is waar met een degensteek in de borst, doch daarvoor heb ik den graaf de Wardes, bezijden den weg van Calais, aan den grond gestoken, als een vlinder op een behangsel.”—„Ziet ge wederom wel! De Wardes is een dienaar des kardinaals, een neef van Rochefort; luister, mijn waarde vriend! Er komt bij mij een denkbeeld op.”—„Welk, mijnheer?”—„In uw plaats zou ik iets verstandigs doen.”—„Wat?”—„Terwijl Zijne Eminentie u in Parijs zoeken doet, zou ik met stille trom den weg naar Picardië inslaan en mijn drie vrienden gaan zoeken. Wat duivel! zij verdienen van uw kant die kleine oplettendheid wel.”—„Die raad is goed, mijnheer! en morgen vertrek ik.”—„Morgen, en waarom niet nog dezen avond?”—„Dezen avond, mijnheer! word ik te Parijs door een gewichtige zaak opgehouden.”—„O, jongeling! jongeling! zeker een liefdehandel. Wees op uw hoede! ik herhaal het u: het is de vrouw, die ons allen, zooals wij zijn, verloren heeft, en die ons nog, zoolang wij bestaan, zal doen verloren gaan. Geloof mij, vertrek nog dezen avond.”—„Onmogelijk, mijnheer.”—„Ge hebt reeds uw woord gegeven?”—„Ja, mijnheer!”—„Dat is iets anders; maar beloof mij, indien gij heden nacht niet wordt gedood, dat gij dan morgen zult vertrekken.”—„Ik beloof het u.”—„Hebt gij geld noodig?”—„Ik heb nog vijftig pistolen. Dat is zooveel ik noodig heb, geloof ik.”—„Maar uw vrienden?”—„Ik vertrouw, dat hun geen geld zal ontbreken. Wij hebben Parijs verlaten elk met vijf en zeventig pistolen in den zak.”—„Zal ik u vóór uw vertrek nog wederzien?”—„Ik geloof het niet, mijnheer! althans indien er niets nieuws gebeurt.”—„Welaan, goede reis!”—„Ik

Hij begaf zich achtereenvolgens naar de woningen van Athos, Porthos en Aramis. Doch geen hunner was nog te huis gekomen. Ook hun lakeien waren nog afwezend, en men had van hen niet de minste tijding. Hij zou wel eenige narichten van hen bij hun minnaressen hebben kunnen inwinnen, maar hij kende noch die van Porthos noch die van Aramis; wat Athos betreft, deze had er geen.

Voorbij het hotel der gardes gaande, wierp hij een blik in den stal; drie van de vier paarden waren reeds aangekomen. Planchet, geheel verwonderd, was reeds bezig ze te roskammen en had dit reeds aan twee verricht.

„O, mijnheer!” riep Planchet, d’Artagnan bespeurende: „o, wat ben ik verheugd u te zien.”—„En waarom dat, Planchet?” vroeg de jongeling.—„Stelt gij vertrouwen in den heer Bonacieux, onzen huisheer?”—„Ik! volstrekt niet.”—„O, mijnheer! hieraan doet gij wel.”—„Maar waartoe die vraag?”—„Omdat, terwijl gij met hem spraakt, ik u beiden beschouwde, zonder u te beluisteren, mijnheer! zijn gelaat zag ik twee of drie malen van kleur veranderen.”—„Och!”—„Heeft mijnheer dat niet opgemerkt? hij was zeker te zeer verstrooid door dien brief, dien hij ontvangen heeft; maar ik integendeel, die op mijn hoede ben, tengevolge der zonderlinge wijze waarop die brief in huis is gekomen, ik heb geen trekking van zijn gezicht mij laten ontsnappen.”—„En hoe vondt gij het?”—„Verraderlijk, mijnheer!”—„Waarlijk?”—„En daarenboven, zoodra mijnheer hem verlaten had en om den hoek der straat verdwenen was, heeft de heer Bonacieux zijn hoed genomen, de deur gesloten en langs de andere zijde der straat zich verwijderd.”—„Waarlijk? gij hebt gelijk, Planchet! dat alles komt mij verdacht voor; maar wees gerust, wij zullen hem de huur niet betalen, alvorens ons de zaak nauwkeurig zal zijn verklaard geworden.”—„Mijnheer schertst, maar mijnheer zal

Planchet, ziende dat er geen hoop meer overbleef zijn meester van besluit te doen veranderen, slaakte een diepen zucht en begon het derde paard te roskammen. Wat d’Artagnan betreft, die in den grond een zeer voorzichtig jongeling was, hij begaf zich naar den Gaskonjischen priester, die op het oogenblik, dat de vier vrienden in nood verkeerden, hen op een ontbijt met chocolaad had onthaald, om bij dezen het middagmaal te gebruiken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings