← Table of contents
Dante's Louteringsberg

ZEVENTIENDE ZANG

H. J. Boeken translation

Voortzetting van den derden omgang en aankomst op den vierden.

Wanneer de Dichters buiten den rook zijn gekomen, wordt Alighieri van nieuws in eene verrukking gebracht, gedurende welke hij verscheidene voorbeelden van gramstorigheid ziet. Hem wekt het bliksemende licht van eenen Engel, die hen richt naar de trap, waarlangs men tot den vierden ommegang opstijgt; óp dezen gekomen, kunnen zij geen schrede meer doen wegens den nacht, die hen overvalt. Dan toont Virgilius, om geen tijd te verliezen, zijnen Leerling aan hoe Liefde begin is van alle deugd en van alle ondeugd.

1 Herinner u, lezer; zoo ooit in de Alpen een nevel u omving, dóór welken ge zaagt niet anders dan een mol door het vel [van zijn oogen];

4 hoe dan, wanneer de vochte en dikke dampen zich beginnen te verdunnen, de schijf der Zon zwak door ze henen dringt;

7 en het wordt uwer verbeelding licht te geraken tot het zien, hoe ik in het eerst herzag de zon, die reeds aan het dalen was.

10 Aldus, parende mijne schreden aan de getrouwe schreden van mijnen Meester, kwam ik naar buiten uit zoodanige wolk, tot de zonnestralen, reeds gestorven in de lage streken.

13 O verbeeldingskracht, die ons menig keer zoo zeer buiten [ons zelven] rukt, dat een mensch het niet bemerkt, dat duizend trompetten rond hem schetteren,

16 wat beweegt u, zoo de zinnen u niets bieden? Licht beweegt u, dat in den hemel zich formeert, òf door zich zelf [gedreven], òf door [Gods] wil, die het omlaag stiert.

19 Van de onmeedoogendheid van haar, die van gedaante verwisselde tot dien vogel, die het meest in het zingen zich vermeit, verscheen me in de verbeelding de gelijkenis.

22 En hier was mijn geest zoo binnen-in zich opgesloten, dat er van buiten niets kwam, dat door hem werd opgenomen.

25 Voorts daalde daar neder in mijne opgetogen fantasie een gekruisigde, norsch en trotsch in zijn aangezicht en aldus stierf hij.

28 Rondom hem was de groote Assuerus, Esther, zijne vrouw, en de gerechte Mordechai, die zóó uit-één-stuk was in spreken en in daden.

31 En toen deze verbeelding van zelve uit-een-spatte als een bel, die water te kort komt, onder hetwelk zij zich formeerde;

34 kwam voor mijn gezicht óp een meisje, dat heftig weende en zeide: „O Koningin, waarom hebt gij uit toorn niet willen zijn?

37 Gij hebt u gedood om niet Lavinia te verliezen; nu hebt gij mij verloren: ik ben het, die rouw eerder om uw verlies, dan om dat van een ander.”

40 Gelijk de slaap breekt, wanneer plots nieuw licht het gesloten oog treft, en [de slaap] gebroken zijnde, eerst tegenstribbelt voor hij gansch vervliegt:

43 zóó viel mijne verbeelding naar omlaag, zoodra een licht mijn gelaat trof, veel grooter dan dat hetwelk naar onze gewoonte is.

46 Ik keerde mij om te zien waar ik was, wanneer eene stem zeide: „Hier stijgt men,” welke van elke andere aandacht mij aftrok;

49 en maakte mijne begeerte zóó sterk om te zien wie hij was, die sprak, [als die begeerte] die nooit rust zoo zij niet het gewenschte voor oogen krijgt.

52 Maar gelijk tegenover de zon, die ons gezicht bezwaart, en door overdaad haar eigen gelaat omsluiert, zoo ook hier schoot mijn vermogen te kort.

55 „Deze is een goddelijke geest, die op den weg des stijgens ons richt zonder bede, en met zijn licht zich zelven verbergt.

58 Hij doelt met óns, gelijk de mensch met zich-zelven doet: daar degene, die de bede wacht, al ziet hij de behoefte, zich reeds kwaadwillig aan het weigeren begeeft.

61 Laten we nu onzen voet naar zoo hooge nooding zetten; haasten wij ons te stijgen voor dat het duistert, daar het daarna niet zoude kunnen, zoo de dag niet keert.”

64 Alzoo sprak mijn gids; en ik en hij, wij richtten onze schreden tot eene trap: en zoodra ik aan de eerste trede was,

67 voelde ik nabij mij als het bewegen van een vleugel, en het waaieren ervan in mijn aangezicht, en het zeggen: „Gelukzalig zijn de vreedzamen, die zijn zonder kwaden toorn.”

70 Reeds waren boven ons zóó ver opgerezen de laatste stralen, op welke de nacht volgt, dat de sterren verschenen van meer dan éénen kant.

73 „O mijne deugd, waarom vervliegt ge aldus,” zeide ik tot mij-zelven, daar ik de beweegkracht van mijne beenen voelde tot stilstand gebracht.

76 Wij waren daar waar de trap niet meer steeg, en wij stonden stil, als een schip, dat aan het strand aankomt.

79 En ik wachtte een weinig of ik iets hoorde op den nieuwen omgang; voorts keerde ik mijn tot mijnen Meester, en zeide:

82 „Mijn zoete Vader, zeg van welk vergrijp loutert men zich hier, op dezen omgang, waar wij zijn. Indien de voet staat, laat daarom nog niet uw spreken stil staan.”

85 En hij tot mij: „De liefde tot het goede, te kort schietend bij wat zij moet, wordt hier aangevuld, hier slaat men weer den kwalijk vertraagden riem.

88 Maar opdat gij nog duidelijker begrijpt, keer uwen geest tot mij, en gij zult eenige goede vrucht krijgen van ons vertoef.

91 Noch Schepper, noch schepsel was ooit,” begon hij: „mijn zoon zonder liefde, òf natuurlijke òf van den geest: en dat weet gij.

94 De natuurlijke was altijd zonder dwaling: maar de andere kan dwalen door een kwaad voorwerp, of door te veel of door te weinig kracht.

97 Zoolang zij op de eerste goederen is gericht en in de goederen van den tweeden rang zichzelven matigt, kan er geen reden zijn voor schuldig vermaak;

100 maar wanneer zij zich draait tot het kwade, of met te veel zorg zich naar aardsche goederen richt, of met minder dan pas heeft, loopt naar het goed, dan gaat het maaksel te werk tegen zijn Maker.

103 Hieruit kunt gij begrijpen dat het gevalt dat Liefde in u het zaad is van alle deugd èn van elke werkzaamheid, die straf verdient.

106 Welnu, daar liefde niet kan afzien van het wèlzijn van haren drager, zijn de dingen beveiligd voor eigen haat.

109 En omdat niets gedacht kan worden gescheiden van of bestaande buiten de Eerste Oorzaak, is elke zielsaandoening verre van Die te haten.

112 Blijft over, zoo ik, verdeelende, wel beschouwe, dat het kwade 't welk bemind wordt, dat van den naaste is en die liefde wordt op drie manieren in uw klei geboren.

115 Er zijn er, die hopen uit te munten, doordat hun buurman vernederd is, en alleen dáárom begeeren dat hij van zijne grootheid omlaag gehaald wordt.

118 Er zijn er die macht, aanzien, eer en roem vreezen te verliezen, doordat een ander stijgt, waarom zij zich zoo bedroeven dat ze het tegendeel begeeren:

121 en er zijn er die door [hun aangedaan] onrecht blijken zóó gegriefd te worden, zoodat ze begeerig worden naar wraak; en met eenen zoodanige gebeurt het dat hij zich het kwade met geneugt voorspiegelt.

124 Deze drie-ledige liefde wordt daar omlaag beweend; nu wil ik dat gij tot begrip koomt van de andere, die het Goede naijlt, maar zonder de goede mate.

127 Een ieder grijpt in den blinde naar Eén Goed, opdat zijne ziel daarin vrede vinde, en begeert het: waarom ieder zich inspant om dat te bereiken.

130 Indien trage liefde u trekt om te zien en om het te verkrijgen, dan na rechtmatig berouw martelt u deze bergrand.

133 Een ander goed is er dat den mensch niet gelukkig maakt; het is niet de gelukzaligheid; het is niet de goede essentie, die de wortel is van alle goede vrucht.

136 De liefde, die zich al te zeer aan dit goed overgeeft, wordt boven ons over drie ommegangen beweend; maar hoe die drie-deeling worde verklaard,

139 dat zwijge ik, opdat gij het zelf onderzoekt.”

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings