← Table of contents
Dante's Louteringsberg

EEN EN DERTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Beatrice vervolgt hare verwijten aan den Dichter, en noopt hem tot de belijdenis van zijne dwalingen. Door zoo groote vernedering voorbereid tot het grootste geluk, wordt hij opgenomen door Mathilde en gedopt in den stroom der vergetelheid. Dan passeeren hem de vier zedelijke Deugden, dansende met den arm boven zijn hoofd, en brengen hem tot voor den wagen. Voorts presenteeren hem de drie theologische Deugden aan Beatrice en verzoeken haar zich voor haren getrouwe te ontsluieren. De sluier wordt afgenomen en de Dichter wordt in verrukking gebracht door het Paradijs, dat straalt in de oogen zijner Vrouwe.—

1 „O gij, die zijt aan gene zijde van den heiligen stroom” (keerende tot mij [het zwaard] van haar spreken met de spits, dat ook reeds met de snede mij scherp had geschenen),

4 herbegon zij, vervolgende zonder dralen: „Zeg, zeg of dit waar is: bij zóó groote beschuldiging past het dat uwe belijdenis gevoegd zij.”

7 Mijne deugd was zóózeer onthutst, dat mijne stem begon en doofde, vóór zij uit hare organen was uitgegaan.

10 Een weinig wachtte zij; voorts zeide zij: „Waaraan denkt ge? Antwoord mij; daar de droeve heugenissen in u nog niet door het water zijn uitgewischt.”

13 Verwarring en vrees onder een gemengd dreven mij zulk een „ja” uit den mond, om het welk te verstaan ook de oogen noodig waren.

16 Gelijk een handboog, wanneer die afgaat al te zeer gespannen, zijn koord en boog breekt, en met minder vaart de pijl het doelwit treft;

19 zóó borst ik onder dien zwaren last, uit mij latende gaan tranen en zuchten, en mijn stem vertraagde op haren weg.

22 Waarop zij tot mij: „Mids de door mij gewekte begeerten, die u leidden om het goede te minnen ginds waarvan niets meer valt na te streven,

25 welke dwarsgrachten, welke ketenen vondt gij daar, dat de hoop om verder te komen u aldus moest worden benomen?

28 En welke gemakken, of welke voordeelen vertoonden zich in het voorhoofd der andere [goederen], waarom gij vóór hen uit moest loopen?”

31 Na het ophalen van eenen bitteren zucht, had ik nauwelijks de stem die antwoordde, en de lippen vormden haar met moeienis.

34 Weenende zeide ik: „De tegenwoordige zaken met heur valsche behagen, keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuil gegaan.”

37 En zij: „Zoo gij verzweegt, of ontkendet datgene wat gij belijdt, ware uwe schuld niet minder bekend: door zulk eenen rechter wordt die geweten.

40 Maar wanneer uit den eigen mond uitgaat de aanklacht van het misdrijf, dan keert zich in ons hof het rad tegen de snede.

43 Nochtans, opdat ge meerdere schaamte draagt over uwe dwaling, en opdat gij een andermaal wanneer gij de sirenen hoort, sterker zijt,

46 leg af den last die oorzaak is van uw weenen en luister; zóó zult ge hooren hoe in tegengestelde richting u moest nopen mijn vleesch, dat begraven is.

49 Nooit bood natuur en kunst u behagen zóó groot als de schoone leden waarin ik gesloten was, en die, nu ze ontbonden zijn, aarde zijn.

52 En zoo het hoogste behagen u ontging door mijnen dood, welke sterfelijke zaak moest u voorts trekken, tot hare begeerte?

55 Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke zaken troffen, hadt ge u moeten opheffen, om mij die niet meer zoodanig was te volgen.

58 Gij moest niet meer uwe vleugelen omlaag laten drukken, om meer slagen te verwachten, hetzij door een meisje of eenige andere ijdelheid met zóó korte bate.

61 Een jeugdig vogelken laat zich twee of drie malen beknippen; maar voor de oogen der gevederden spant men vergeefs het net of schiet men den pijl.”

64 Gelijk de kinderen van schaamte sprakeloos, met de oogen op den grond luisterende staan, hunne schuld inziende en zich berouwende;

67 aldus stond ik. En zij zeide: „Daar gij door het hooren droefenis hebt, richt omhoog den baard, en meer droefenis zult ge krijgen door te kijken.”

70 Met minder weerbarstigheid ontwortelt zich een krachtige eik, of wel voor onzen wind of wel dien van het land van Iärbas,

73 dan ik op haar bevel de kin oprichtte: en daar zij met den baard het aangezicht aanduidde, herkende ik wel het venijnige der betichting.

76 En toen mijn aangezicht zich ontspande, ontwaarde mijn oog dat die eerste schepselen van hunne besprenkeling hadden afgelaten:

79 en mijne oogen nog weinig gerust, zagen Beatrice gericht op dat wilde dier, dat alléén één persoon is in twee naturen.

82 [Hoewel] onder haren sluier, en ginds van de groene rivier, scheen ze mij haar oude zelf meer te overtreffen, dan zij de andere vrouwen hier [overtrof], toen zij hier was.

85 Het kruid des berouws stak mij daar zóó, dat van alle andere dingen dat, wat mij het meeste toog tot zijne liefde, mij het meest vijandig werd.

88 Zulk eene zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel, en hoedanig ik toen werd, zij weet het, die mij er de gelegenheid toe gaf.

91 Voorts, wanneer het hart mij weer de kennis der buiten [wereld] hergaf, zag ik de Vrouwe, die ik eenzaam gevonden had, boven mij, en zij zeide: „Houd mij, houd mij vast.”

94 Zij had mij in den stroom getogen tot aan de keel, en mij achter haar aan trekkende, ging zij henen over het water licht als een weversspoel.

97 Wanneer ik was dicht bij den gelukzaligen oever, werd er „Gij zult mij besproeien” zóó zoetelijk gehoord, dat ik het niet weet te herinneren, laat staan dat ik het schrijve.

100 De schoone Vrouwe opende de armen, omarmde mij het hoofd, en dompelde mij onder, waar het paste dat ik het water inslikte.

103 Voorts hief zij mij op; en gebaad bood zij mij binnen ten dans aan de vier schoone (vrouwen), en elke dekte mij met den arm.

106 „Wij zijn hier nimfen en in den hemel zijn wij sterren; voordat Beatrice nederdaalde in de wereld, waren wij haar toegewezen tot hare dienstmaagden.

109 Wij zullen u tot hare oogen geleiden; maar in het aangename licht, dat daarbinnen is, zullen uwe oogen scherpen de drie van ginds, die dieper spieden.”

112 Aldus zingende begonnen zij; en voorts tot aan de borst des griffoenen leidden zij mij met haar, waar Beatrice te ons-waart stond gewend.

115 Zij zeiden: „Maak dat gij de oogen niet spaart; wij hebben u gezet voor de smaragden, vanwaar weleer liefde hare wapenen voor u trok.”

118 Duizend begeerten heeter dan vlam drongen mijne oogen tot hare weerlichtende oogen, die steeds bleven boven den griffoen bestendig.

121 Gelijk de Zon in den spiegel, niet anders straalde het dubbele gedierte daar binnen-in, nu met het ééne, dan met het andere bestier.

124 Denk, lezer, of ik mij verwonderde, wanneer ik het ding in zich stille zag staan, en het in zijne beeltenis zich veranderde.

127 Terwijl, vol verbazing en blijde, mijne ziel die spijze proefde, welke, verzadigende, doet dorsten;

130 kwamen, in hare gebaren zich toonende van het hemelsche geslacht, de andere drie naar voren, dansende naar haren engelen-zang.

133 „Keer, Beatrice, keer de heilige oogen,” zoo was heur zingen: „tot uwen getrouwe, die, om u te zien, zóó vele schreden heeft gedaan.

136 Uit genade doe ons de genade hem uw gelaat te onthullen, zóó dat hij onderscheide de tweede schoonheid die gij verholen houdt.

139 O glans van eeuwig levend licht, wie is bleek geworden in schaduw van den Parnassus, of dronk van zijne bron,

142 die niet zou blijken den geest verduisterd te hebben, beproevende u zoodanig weer te geven, als gij verscheent waar de Hemel musiceerende u overschaduwt,

145 wanneer gij u in de open lucht onthuldet?

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings