← Table of contents
Dante's Louteringsberg

VIJF EN TWINTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Op den nauwen weg, die van den Zesden Omgang leidt tot den Zevenden en laatsten, vraagt Dante aan zijnen Meester hoe het wezen kan dat men zóó vermagert daar waar men geen voedsel noodig heeft. Virgilius geeft hem eenig antwoord, en voorts vraagt hij Statius om hem meer tevreden te stellen. Deze, heuschelijk het verzoek inwilligende, maakt zich op om te spreken van de generatie van het menschelijk lichaam, van de instorting van den geest daarin, en van de wijze van bestaan na den dood. Gekomen boven op den Omgang, vinden zij dezen gansch bezet door vlammen, behalve den uitersten tand, en ze zien geesten daardoor heen en weder loopen eenen lofzang zingende en beroemde voorbeelden van kuischheid roepende.

1 Het was de stonde dat het stijgen geen uitstel gedoogde, daar de Zon den middagcirkel voor den Stier, en de Nacht dien voor den Skorpioen had vrijgemaakt.

4 Waarom, gelijk de mensch doet, die niet stille staat, maar op zijnen weg voortgaat, wat ook hem verschijne, als prikkel van nooddruft hem steekt;

7 aldus traden wij binnen door de heg-opening, één vóór den ander, de trap nemende, die door nauwte de bestijgers één voor één doet gaan.

10 En gelijk het ooievaars-jong, dat de vleugelen heft, uit begeerte tot vliegen en zich niet waagt om het nest te verlaten, en ze weer strijkt;

13 zóódanig was ik, met de begeerte tot vragen, ontvlamd èn gedoofd, komende tot dàt gebaar, hetwelk maakt degene, die zich tot spreken zet.

16 Niet liet om 't gaan, dat snel was, de zoete Vader mijn [het spreken], maar hij zeide: „Schiet af den boog des sprekens, dien ge tot het ijzer hebt gespannen.”

19 Toen opende ik vreesloos den mond, en ik begon: „Hoe kan men mager worden daar waar de nooddruft van het voeden [ons] niet raakt?”

22 „Zoo ge u herinnerdet hoe Meleager wegteerde naar gelang van het wegteren van een talhout, dàn ware,” zeide hij: „dit u niet zóó moeilijk:

25 en zoo ge bedacht hoe, naar uw verloop, uw beeld binnen den spiegel verloopt, zoude dat wat u moeilijk schijnt, u gemakkelijk schijnen.

28 Maar omdat gij gansch in uw begeeren opgaat, zie hier Statius, en hem roep en verzoek ik, dat hij nu heeler zij van uwe wonden.”

31 „Zoo ik hem den eeuwigen blik open,” antwoordde Statius: „daar waar gij bij zijt, verontschuldig mij: u kan ik niet weigeren.”

34 Voorts begon hij: „Zoo uw geest, mijn zoon, mijne woorden bewaart en opneemt, zullen zij u worden een licht, voor het „hoe” dat gij zegt.

37 Volmaakt bloed, dat nooit gedronken wordt door de dorstige aderen en blijft als voedsel, dat ge van den disch opneemt,

40 neemt in het hart een vormend vermogen tot [het vormen van] alle menschelijke leden; gelijk dat [bloed] dat door de aderen gaat om zich tot deze [tot ledematen] te maken.

43 Nog [meer] verwerkt, daalt het tot waar het schooner is te zwijgen dan te spreken; en vandaar voorts wordt het overgestort tot eens anders bloed in een door de natuur daartoe bestemd vat.

46 Daar komt het een en 't ander bloed te zamen, het een bestemd tot lijden, het ander tot doen, wegens de volmaakte plaats [het hart] vanwaar het wordt gestuwd;

49 en is dàt gekomen, dan begint dit te werken, eerst het stremmende en voorts maakt het levend dat wat 't door zijne stof deed tot vastheid komen.

52 Wanneer het doende vermogen tot ziel is geworden, als van eene plant, maar zooverre verschillend, dat deze is op weg en gene [de plant] reeds aan de kust [aangekomen],

55 werkt het zóóveel uit, dat zij [de ziel] reeds zich beweegt en gewaar wordt, als een zee-zwam; en daar begint [dat vermogen] in te richten de vermogens, van welke het zijn oorsprong heeft.

58 Nu ontvouwt zich, mijn zoon, en zet zich uit het vermogen, dat [afkomstig] is uit het hart des verwekkers, vanwaar de natuur naar alle ledematen [haar krachten] stuwt.

61 Maar hoe hij van dier wordt redelijk wezen, dat ziet gij nog niet: dit is zulk een punt dat het ook eenen wijzere, dan gij zijt, deed dwalen;

64 zóó dat hij, in zijne leer het mogelijk verstand gescheiden maakt van de ziel, omdat hij van dat verstand geen orgaan ziet in beslag genomen.

67 Open de borst voor de waarheid, die komt, en weet dat, zoodra bij de ongeboren vrucht de bewerktuiging der hersenen is voltooid,

70 de Schepper [Eerste Veroorzaker] zich daartoe keert blijde, over zóó groot gewrocht der natuur, en het inblaast eenen nieuwen levensgeest van deugd vervuld,

73 die den werkenden geest, dien hij daar vindt, tot zijne zelfstandigheid trekt, en daarmede wordt tot ééne ziel, die leeft en gewaar wordt en tot zich zelve terugkeert.

76 En opdat gij minder u verwondert over mijne woorden, zie naar de warmte der zon, die wijn wordt, verbonden met het vocht, dat van den wingerd doorzijgt.

79 En wanneer Lachesis geen draad meer heeft, ontbindt zij [de ziel] zich van het vleesch, en neemt in mogelijkheid met zich èn het menschelijke èn het goddelijke.

82 [Dan zijn] alle de andere vermogens stom; [maar] geheugen, begrip en wil, in hunne werking, veel scherper dan te voren.

85 Zonder vertoeven, komt zij uit zich zelve op wonderdadige wijze neder op eene van de oevers; dáár eerst verneemt zij haren weg.

88 Zoodra eene plaats haar daar aan zich bindt, straalt het vormend vermogen rondom uit, in zoo groote en zoodanige mate als in de levende leden.

91 En gelijk de lucht, wanneer die gansch gedrenkt is van regen, door de zonnestralen, die in haar worden weerkaatst, met bonte kleuren zich toont getooid;

94 zoo schikt zich de naburige lucht in zulke gestalte, welke in haar stempelt door haar vermogen de ziel die daar in stand hield:

97 en voorts gelijkende de vlam, die met het vuur meeloopt waarhenen zich dat ook begeeft, volgt den geest zijne nieuwe gestalte.

100 Omdat hij voortaan dáárvan zijn voorkomen heeft, wordt hij schimme of schaduw genoemd, en daarin vormt hij zich alle zintuigen tot [zelfs] het gezicht.

103 Dáárin nu spreken, daarin nu lachen wij, daarin maken wij de tranen en de zuchten, de welke gij langs dezen berg hebt kunnen ontwaren.

106 Al naar de wijze waarop de begeerten en de andere aandoeningen ons aandoen, vormt zich de schimme, en dat is de oorzaak van wat gij, u verwonderend, aanschouwt.”

109 En reeds was tot de laatste pijniging gekomen door ons, en gekeerd ter rechterhand en we waren aandachtig tot andere zorge.

112 Daar werpt de rotswand vlammen van zich uit, en de rand blaast adem naar boven, die de vlam terug dringt en haar ver van den rand houdt.

115 Zoodat het ons voegde te gaan aan den openen kant, één voor één, en ik vreesde het vuur hier, en ginds vreesde ik het vallen naar beneden.

118 De Gids mijn zeide: Langs deze plaats moet men aan de oogen strak de teugels houden, omdat men dwalen kon door kleinen [misstap].

121 „Summae Deus clementiae” hoorde ik toen zingen in den boezem van den grooten brand, hetwelk niet minder deed mij er op bedacht zijn me daarheen te wenden.

124 En zielen zag ik gaand door de vlammen, waarom ik schouwde naar hen en naar mijne schreden, het kijken nu en dan afwisselende.

127 Na het einde, dat aan het zingen werd gemaakt, riepen zij luide: „Virum non cognosco;” voorts herbegonnen zij den zang met zachtere stemmen.

130 Was het uit, wederom zongen zij: „In het woud hield zich Diana op, en Elice joeg zij er uit, daar die Venus' aanraking had gevoeld.”

133 Voorts wendden zij zich tot het zingen; voorts riepen zij [namen van] vrouwen en van gehuwde mannen die kuisch waren, gelijk deugd en huwelijk hun opgelegd had.

136 En deze wijze, geloof ik, dat voor hen volstaat, gedurende den ganschen tijd dat het vuur hen brandt: met zulke zorge en met zulke spijze voegt het dat de laatste wonde zich sluite.

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings