← Table of contents
Dante's Louteringsberg

DERTIENDE ZANG

H. J. Boeken translation

De Tweede Ommegang. Hier wordt de zonde van de afgunst geboet.

Op den tweeden rand, waar nu de Dichters komen, wordt de zonde der afgunst gelouterd. De zielen aldaar zijn gekleed in een grove pij, en hebben de oogen met een ijzerdraad toegenaaid. Van afstand tot afstand vliegen stemmen door de lucht, door hemelsche geesten voortgebracht, die den afgunstigen eenig schoon voorbeeld van barmhartigheid of naasten-liefde in herinnering brengen. Voorts vertoont zich aan Dante Sapia van Siena.

1 Wij waren aan den top der trap, waar ten tweeden male de berg ingesneden wordt, die door zijne bestijging de menschen loutert:

4 aldaar omwindt een kornis evenzoo de helling gansch gelijk de eerste, tenzij dat haar boog zich vroeger ombuigt.

7 Noch platte, noch bolle beeltenis is daar, die men ziet; zoo maar ziet men daar den wand, zoo maar ziet men daar den affenen weg met de loodkleur der rots-massa.

10 „Zoo we hier menschen afwachten om na te vragen,” sprak de Dichter: „dan vrees ik dat wellicht ons besluit te veel vertraging ondervindt.”

13 Voorts richtte hij de oogen vast op de zon; hij maakte van zijn rechterzijde het middelpunt voor de beweging, en den linkerkant van zich zelven draaide hij.

16 „O zoete Licht, in vertrouwen waarop ik binnentreed langs den nieuwen weg, gij geleidt ons,” zeide hij: „gelijk men hier wel geleid wil zijn.

19 Gij verwarmt de wereld, gij licht over haar: zoo niet andere reden tot het tegendeel nope, moeten uwe stralen altijd geleide zijn.”

22 Zooveel men (aan deze zijde) voor een mijl rekent, zoo ver waren wij reeds van daar gegaan, in weinig tijd, door den vaardigen wil.

25 En te ontwaart te vliegen werden bemerkt, daarom nog niet gezien, geesten, sprekende tot den disch der liefde heusche noodingen.

28 De eerste stem, die voorbij ging, vliegende zeide luide: „Zij hebben geen wijn” en achter ons ging zij, het herhalende.

31 En voordat die door den afstand gansch niet meer gehoord werd, daar ging een andere voorbij schreeuwende: „Ik ben Orestes” en hield mede geen stand.

34 „O,” zeide ik: „Vader, welke stemmen zijn dezen?” en mèt dat ik het vroeg, een derde was daar, zeggende: „Hebt lief van wien gij kwaad ondervindt.”

37 De goede Meester zeide: „Deze ommegang tuchtigt de schuld der afgunst, en daarom worden de koorden der geeselroede door liefde gehanteerd.

40 De breidel wil zijn van tegengestelden klank; ik geloof dat gij hem zult hooren, mijns bedunkens, voor gij geraakt tot den overtocht der vergiffenis.

43 Maar houd de oogen vast door de lucht gericht, en gij zult menschen voor ons zien zitten, en ieder van hen zit langs den rotswand.”

46 Toen opende ik de oogen meer dan te voren; ik schouwde voor mij en ik zag schimmen met mantelen van de kleur van de steen niet ver scheiden.

49 En toen wij een weinig meer vooruit waren, hoorde ik roepen: „Maria, bid voor ons;” ik hoorde ze roepen Michaël en Petrus en alle de heiligen.

52 Ik geloof niet dat er heden op aarde een mensch gaat, zoo hard, die niet geslagen werd met medelijden voor dat wat ik voorts zag:

55 want, wanneer ik zóó nabij hen was gekomen dat hunne gebaren duidelijk tot mij kwamen, werden door de zware smart me de tranen uit de oogen getogen.

58 Van een grove pij schenen zij me bedekt, en de één schoorde den ander met den schouder, en allen waren geschoord van den rotswand.

61 Zoo staan de blinden met het haveloos kleed, bij de biecht om hun nooddruft te vragen, en de één neigt het hoofd over den ander,

64 opdat te eer bij de menschen het medelijden opkome, niet maar door het klinken der woorden, maar door den aanblik, die niet minder fleemt.

67 En gelijk de blinden het zonlicht niet baat, zoo wil daarginds aan de schimmen, waarvan ik nu spreek, het zonlicht niet van zich mededeelen;

70 daar bij allen een ijzeren draad het ooglid doorboort en toenaait gelijk men met den wilden sperwer doet, omdat hij niet rustig blijft.

73 Het scheen me dat ik al gaande beleediging aandeed, daar ik, genen ziende, niet werd gezien; waarom ik mij wendde tot mijnen wijzen raadsman.

76 Wel wist hij, wat de stomme wilde zeggen; en daarom wachtte hij mijn vraag niet af, maar zeide: „Spreek, en wees kort en bondig.”

79 Virgilius kwam me aan dien kant van de kornis van waar men vallen kan, omdat die door geen rand omringd wordt.

82 Aan mijn anderen kant waren de vrome zielen, die door den gruwelijken naad zoo zeer [de tranen] persten, dat ze de wangen baadden.

85 Ik wendde mij tot hen, en: „O menschen,” begon ik: „verzekerd van te zullen zien het hooge licht, waarom alleen uwe begeerte bekommerd is,

88 zoo waarlijk moge weldra de genade het schuim van uw geweten afnemen, zoodat de stroom van den geest helder daarin nederdale,

91 zegt mij (daar het mij welgevallig en dierbaar zal zijn) of er hier tusschen u een latijnsche ziel is; en wellicht zal het haar goed zijn, zoo ik het verneem.”

94 „O broeder mijn, elke [ziel] is burgeres van ééne ware stad; maar gij wilt zeggen, of er eene leefde als vreemdelinge in Italië.”

97 Dit meende ik als antwoord te hooren van een weinig meer naar voren dan waar ik stond; waarom ik mij nog meer daar deed bemerken.

100 Te midden van de anderen zag ik eene schimme, die kennelijk wachtte; en zoo iemand wilde vragen: hoe? de kin hief zij op de wijze van eenen blinde omhoog.

103 „Ziele,” zeide ik: „die omlaag gehouden wordt om omhoog te rijzen, zoo gij degene zijt, die mij antwoorddet, maak u mij bekend door geboorteplaats of naam.”

106 „Van Siena was ik,” antwoordde zij: „en met deze anderen louter ik hier het schuldig leven, tranen vergietende tot Hem dat Hij zich ons mededeele.

109 Wijs was ik niet, hoewel ik Sapia was genoemd, en ik was veel blijder om eens anders schade dan om mijn eigen geluk.

112 En opdat gij niet geloovet dat ik u bedrieg, hoor of ik, zooals ik u zeg, dwaas was, reeds afdalende den boog mijner jaren.

115 Mijne medeburgers waren nabij Colle in het veld gekomen met hunne tegenstanders, en ik bad God om dat wat Hij wilde.

118 Gebroken werden zij daar en gedreven op de bittere wegen der vlucht; en de jacht ziende, won ik in mij een blijdschap aan elke andere ongelijk:

121 zoodat ik het onvervaarde gelaat omhoog hief, schreeuwende tot God: „Voortaan vrees ik u niet” gelijk de meerle deed bij 't eerste mooie weer.

124 Vrede met God wenschte ik op het uiterste van mijn leven; en nog zoude mijn schuld niet door boetvaardigheid zijn verminderd,

127 't en ware het dat Peter Pettinagno mijner had gedacht in zijn heilige gebeden, wien uit barmhartigheid mijner deerde.

130 Maar gij, wie zijt gij, die gaat vragende naar onze toestanden en de oogen ongebonden draagt, naar ik geloof; en ademende spreekt?”

133 „Wel zullen me,” zeide ik: „de oogen hier nog eenmaal worden ontnomen; maar gedurende weinig tijd, daar klein hun vergrijp is van met nijd te zijn bewogen.

136 Veel meer is de vrees, waardoor mijn ziel wordt benard, voor de pijniging van hieronder, zoodat reeds de last van daarbeneden mij weegt.”

139 En zij tot mij: „Wie heeft u dan hierboven te midden van ons geleid, indien gij gelooft daarbeneden te zullen terugkeeren?” En ik: „Hij die met mij is en geen woord spreekt:

142 en levend ben ik; en daarom vraag mij weder, verkoren ziel, indien gij wilt dat ik daarginds de sterfelijke voeten voor u beweeg.”

145 „O dit is om te hooren zoo nieuwe zaak”, antwoordde zij: „dat het een groot bewijs is dat God u liefheeft: daarom help mij dan nu en dan met uw gebed.

148 En ik vraag u bij dat wat gij meest begeert: zoo gij ooit het Toscaansche land betreedt, dat gij bij mijne verwanten ten beste van mij spreekt.

151 Gij zult ze zien bij dat wufte volk dat hoopt op Talamone, en dáár zal het nog meer hoop verliezen dan om de „Diana” te vinden.

154 Maar nog meer zullen daar de admiraals verliezen.”

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings