ELFDE ZANG
H. J. Boeken translation
Voortzetting van den eersten ommegang, waarin geboet wordt voor hoovaardigheid
Volgens aanwijzing gekregen van ééne van die zielen, wenden de Dichters zich ter rechter over de eerste kornis; en ondertusschen vertoont zich aan hen Humbert, een der graven van Santafiore, en wordt Dante herkend door Oderisi da Cubbio, die spreekt over de ijdelheid van den wereldschen roem en hem een en ander mededeelt aangaande Provenzano Salvani, die aldaar zich loutert van de vroegere hoovaardigheid.
1 „O Vader onze, die in de hemelen zijt, niet dáártoe beperkt, maar wegens de grootere liefde die Gij voor de eerste werken van daarboven hebt,
4 Uw naam en Uw macht zij geprezen van alle schepsel, naar het voegt dank te zeggen aan uwen liefde-walm.
7 Kome tot ons de vrede van Uw koninkrijk, daar wij niet uit ons zelven met alle onze ingeboren krachten tot haar kunnen komen, als zij niet tot ons komt.
10 Gelijk uwe engelen van hunnen wil offerande doen aan U, zingende Hosanna, dat de menschen zóó doen van den hunnen.
13 Geef ons heden ons dagelijksch manna, zonder hetwelk door deze rauwe woestenij teruggaat ook wie het meest zich inspant te gaan.
16 En gelijk wij het kwaad, dat wij geleden hebben, aan een ieder mogen vergeven, zoo vergeef ook gij weldadig, en zie niet naar onze verdienste.
19 Onze deugd, die lichtelijk bezwijkt, beproef die niet [in den strijd] met den Ouden Tegenstander, maar verlos haar van hem, die zóózeer haar bestookt.
22 Dit laatste gebed, lieve Heer, wordt reeds niet gedaan om onzentwille, daar wij dat niet van noode hebben, maar ter wille van hen, die achter ons zijn blijven staan.”
25 Aldus voor ons en voor zichzelven goede reize afbiddende, gingen deze schimmen onder den last, een dergelijken als waar men zoo dikwijls van droomt,
28 naar verscheiden wijze benauwd, allen in het rond en moede, boven over den eersten rand, louterende de nevelen der wereld.
31 Zoo aan gindsche zijde steeds goede voorspraak voor ons gedaan wordt, wat kan dan aan deze zijde voor hen gedaan worden door degenen, die goeden wortel hebben voor hunnen wil.
34 Wèl moet men hen helpen te wasschen de merken, die zij hier droegen, zóódat zij rein en licht kunnen uitgaan tot de bestarnde sferen.
37 „Zegt! zoo waarlijk moge gerechtigheid en vroomheid u weldra ontlasten, zoodat gij den vleugel kunt uitslaan, die u naar verlangen opheffe:
40 wijst ons naar welken kant men het kortst gaat naar de trap: en zoo er meer dan ééne opening is, zegt ons die, welke het minst steil stijgt;
43 daar deze, die met mij komt, door den last des vleesches van Adam, waarmede hij bekleed is, tegen zijnen wil zuinig is met opstijgen.”
46 Deze hunne woorden, die ze antwoordden op gene, welke gezegd waren door hem, dien ik volgde, 't was niet duidelijk van wien ze kwamen;
49 maar er werd gezegd: „Ter rechter hand langs den rotswand komt met ons, en gij zult den doorweg vinden, mogelijk voor een levend wezen om er langs op te gaan.
52 En zoo ik niet belemmerd ware door het rotsblok, dat mijnen hoovaardigen nek ònderhoudt, vanwaar het mij voegt het hoofd laag te houden,
55 zoude ik schouwen naar hem, die nog leeft en zich niet noemt, om te zien of ik hem ken en om hem medelijdend te maken met dezen last.
58 Ik was een Latijner, geboren uit eenen grooten Toscaan: Willem Aldobrandeschi was mijn vader: ik weet niet of zijn naam ooit met u was.
61 Het oude bloed en de roemrijke daden van mijne voorvaderen maakten mij zóó aanmatigend, dat ik, niet denkend aan de gemeenschappelijke moeder, te voren allen mensch
64 zoozeer in minachting hield, dat ik er van stierf, gelijk de Sieneezen weten, en in Campagnatico elk sprekend wezen het weet.
67 Ik ben Humberto; en niet slechts mij schaadde mijn hoovaardigheid, want alle mijne stamgenooten heeft zij met zich in het ongeluk getrokken.
70 En hier voegt het dat ik dit gewicht drage voor hen, zoolang totdat hier bij de dooden Gode voldoening worde gegeven, daar ik dat niet bij de levenden deed.”
73 Luisterende, neeg ik het aangezicht naar omlaag; en één van hen (niet degene die gesproken had) draaide zich onder het gewicht, dat hem belastte:
76 en zag mij, en kende mij en riep, houdende de oogen met moeite gericht op mij, die gansch gebukt mèt hen ging:
79 „O,” zeide ik tot hem: „Zijt gij niet Oderisi, de eer van Agubbio, en de eer van die kunst, welke verluchten in Parijs wordt genoemd?”
82 „Broeder,” zeide hij: „meer lachen de papieren, welke Franco Bolognese penseelt: en thans is de eer gansch zijn en mijn [slechts] voor een deel.
85 Wel zoude ik niet zoo hoffelijk geweest zijn, zoolang ik leefde, door de groote begeerte om uit te munten, waarop mijn hart zich richtte.
88 Voor zóódanige hoovaardigheid betaalt men hier de boete: en nog zoude ik niet hier zijn, 't en ware het dat ik, [nog] kunnende zondigen, mij tot God heb gewend.
91 O ijdele roem van de menschelijke vermogens, hoe kort duurt het groen op zijn kruin als hij niet wordt besprongen door ruwe tijden.
94 Cimabue meende in de schilderkunst het veld te houden en nù heeft Giotto den roep, zoodat hij den roem van genen verduistert.
97 Aldus heeft de ééne Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.
100 Niet anders is het wereldsch gerucht dan een windvlaag, die nu eens her-, dan derwaarts komt en van naam verandert omdat hij van kant verandert.
103 Welken roem zult gij meer hebben, indien de ouderdom het vleesch van u scheidt, dan indien gij gestorven waart vóórdat gij afliet van „bôo, bôo” en „dui en dui” [te zeggen],
106 eer duizend jaar voorbijgaan? Hetwelk eene kortere tijdsruimte is [vergeleken] bij de eeuwigheid, dan een oogwenk is [vergeleken] bij den cirkel, die het traagst in den hemel gewenteld wordt.
109 Van dengene, die vóór mij zoo weinig op den weg vooruitkomt, schalde gansch Toscane, en nu fluistert men ternauwernood van hem in Siena,
112 waarvan hij Heer was, wanneer verdelgd werd de Florentijnsche woede, dewelke te dien tijd hoovaardig was, gelijk zij thans veil is.
115 Uw roep is als de kleur van 't kruid, die komt en gaat, en dezelfde doet haar verkleuren, door wie zij onrijp uitgaat uit den grond.”
118 En ik tot hem: „Uw ware woorden boezemen mij goede nederigheid in en maken plat groote gezwollenheid: maar wie is degene van wien gij zooeven spraakt?”
121 „Dat is,” antwoordde hij: „Salvani Provenzano; en hij is hier, omdat hij zich aanmatigde gansch Siena onder zijne handen te krijgen.
124 Hij is aldus gegaan en gaat aldus zonder verpoozen, sinds hij stierf: zoodanige munt betaalt om voldoening te geven, hij die daarginds te vermetel was.”
127 En ik: „Zoo de geest, die, voor hij zich berouwt, den rand des levens bereikt, daar omlaag blijft en niet hier omhoog stijgt,
130 indien goede gebeden hem niet helpen, voordat verloopt zóó lange [tijd] als hij geleefd heeft, hoe werd de toegang hem gegeven?”
133 „Wanneer hij roemrijkst leefde,” zeide hij: „vrij in het land van Siena, heeft hij, afleggende alle schaamte, zich gevest:
136 en daar, om zijnen vriend te verlossen uit de pijne, die hij doorstond in de gevangenis van Karel, onderstond hij het om te beven over alle leden.
139 Meer zal ik niet zeggen, en ik weet dat ik duister spreek, maar weinig tijd zal voorbijgaan, dat uwe geburen zoo zullen doen, dat gij het zult kunnen toelichten.
142 Dit werk onthief hem van die grenslanden.”

