← Table of contents
Dante's Louteringsberg

DRIE EN TWINTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Honger en Dorst, te feller gemaakt door de aanwezigheid van met ooft beladen boomen en van opborrelende wateren, louteren op den zesden Omgang de Gulzigaards, wier beangstigende magerheid beschreven wordt. Dante ontmoet Forese de' Donati, die den lof spreekt van zijne weduwe, en scherp gispt de schaamteloosheid der Florentijnsche vrouwen.

1 Terwijl ik door het groene loover de oogen vestte aldus, als degene pleegt te doen die achter de vogelen zijn leven slijt,

4 zeide de meer-dan-mijn-vader: „Mijn zoon, nu kom, daar de tijd, die ons is opgelegd, nuttiger besteed wil worden.”

7 Ik wendde het gezicht en den stap niet minder snel naar de Wijzen, die aldus spraken, dat zij mijn gaan mij geen [vermoeienis] deden kosten.

10 En zie een weenen en een zingen werd gehoord: „Labia mea, Domine”; op zoodanig eene wijze dat het van geneugt en smart zwanger ging.

13 „O zoete vader, wat is dat wat ik hoor?” begon ik; en hij: „Schimmen, die gaan, wellicht den knoop van hunnen plicht ontknoopende.

16 Gelijk de beêvaartgangers in gepeinzen gaande doen, achterhalende op hunnen weg lieden hun onbekend, en zich tot dezen wenden en niet blijven staan;

19 aldus achter ons, sneller voortbewogen, aankomende en ons passeerende, beöogde ons eene schare, zwijgend en devoot, van schimmen.

22 Van oogen was elke donker en hol, bleek in het aangezicht en zóó [van vleesch] ontdaan, dat de huid zich vormde naar het gebeente.

25 Ik geloof niet dat aan het buitenst van de huid Erisichthon zóó droog geworden was door vasten, wanneer hij er het meeste vrees voor had.

28 Ik sprak, bij mijzelven denkende: „Zie de lieden, die Jerusalem verloren, wanneer Maria haren eigen zoon verslond.

31 De oogholten schenen een ring zonder edelgesteenten; wie in het aangezicht der menschen leest: OMO, zoude hier wèl de M hebben herkend.

34 Wie zoude gelooven dat de geur van een appel de menschen zóó havende, begeerte opwekkende, en die van water, niet wetende hoe?

37 Reeds was ik aan het verwonderen wat zoo hen doet hongeren, daar nog niet openbaar was de oorzaak van hunne magerheid en van hun nare schub-huid;

40 en zie, uit het diep van zijn hoofd wendde eene schimme de oogen tot mij en keek scherp; voorts riep hij met luider stemme: „Welke genade is me dit?”

43 Nooit hadde ik hem aan het aangezicht herkend; maar in zijne stem werd mij openbaar dat wat het aangezicht in zich had verwoest.

46 Die vonk ontstak wederom ganschelijk mijne kennis van dat veranderd aangezicht, en ik herkende het gelaat van Forese.

49 „Eilieve, geef geen aandacht aan de droge schurft, die mij de huid,” zoo bad hij: „ontkleurt, noch aan het te-kort aan vleesch, dat ik hebbe;

52 maar zeg mij de waarheid aangaande u, en wie zijn die twee zielen, die daar u geleide doen; maar blijf niet zonder dat ge tot mij spreekt.”

55 „Uw aangezicht dat ik weleer, toen het gestorven was, met tranen overgoot, geeft mij nu niet minder smart om te weenen,” antwoordde ik hem, „nu ik het zóó verdraaid zie.

58 Daarom zeg mij, bij God, wat u zoo ontloovert; doe mij niet spreken, terwijl ik mij over u verwondere, daar kwalijk spreken kan, wie van andere begeerte vol is.”

61 En hij tot mij: „Van den Eeuwigen Raad valt een vermogen in het water en in de plant, die achter [ons] bleef, door welk [vermogen] ik zoo dun word.

64 Alle deze luiden, die weenende zingen, voor het volgen van hunne matelooze gulzigheid, louteren zich hier door honger en dorst.

67 Tot drinken en tot eten ontsteekt onze begeerte de geur, die uitgaat van den appel en van de besproeiing, die verspreid wordt over het groen.

70 En niet maar ééne maal, deze ruimte rondgaande, wordt onze pijn ververscht; ik zeg „pijn,” maar ik moest zeggen „vertroosting”:

73 daar de begeerte naar den boom ons leidt, die Christus blijde voerde om te zeggen „Eli,” wanneer hij ons bevrijdde met zijn bloed.”

76 En ik tot hem: „Forese, van dien dag, op welken gij de wereld verwisseldet voor beter leven, zijn nog geen vijf jaar verloopen tot nu.

79 Indien het vermogen om meerder te zondigen eerder in u werd geëindigd, voordat de stonde gekomen ware van de heilzame smarte die ons weder tot God terugbrengt,

82 hoe zijt gij hierboven gekomen? Nog geloofde ik u daarbeneden te vinden, waar tijd door tijd hersteld wordt.”

85 En hij tot mij: „Zóó spoedig heeft mij geleid tot het drinken van den zoeten alsem der martelingen mijne Nella met haar overvloedig weenen.

88 Met hare toegewijde gebeden en met zuchten heeft zij mij getogen van den rots-wand, waar men wacht, en heeft ze mij bevrijd van de andere ommegangen.

91 Zooveel te meer dierbaar en welgevallig aan God is mijn weeuwke, die ik zóózeer beminde, als zij eenzamer is in het goed-doen;

94 daar Barbagia op Sardinië in zijne vrouwen veel zediger is dan dat Barbagia waar ik haar achterliet.

97 O zoete broeder, wat wilt gij dat ik zegge? Een komende tijd is reeds in mijn gezicht, voor welken deze stonde niet zeer oud zal zijn,

100 in welken op pergament zal verboden zijn aan de schaamtelooze Florentijnsche vrouwen het gaan, vertoonende boezem en borsten.

103 Welke barbaarsche vrouwen waren er ooit, welke Saraceensche, voor wie noodig ware geweest, om ze gekleed te doen gaan, of geestelijke of andere tucht!

106 Maar zoo de schaamteloozen wisten dat wat de radde hemel heur bereidt, hadden ze nu reeds de monden open om te huilen.

109 Daar, indien het vóórzien me niet misleidt, ze eerder treurende zullen worden, dan degene de wangen behaard krijgt, die nu met 't „suja, suja” wordt vertroost.

112 Zoete broeder, nu maak dat ge me u niet meer verheelt; gij ziet dat niet slechts ik, maar alle deze luiden turen daar waar gij het zonlicht schut.”

115 Waarom ik tot hem: „Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij met mij waart en ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren.

118 Van dat leven wendde degene, die mij te voren gaat, mij af, voor eer-gisteren, wanneer de zuster van gene zich rond vertoonde

121 (en ik wees naar de Zon). Deze heeft me geleid door den diepen nacht der waarlijk gestorvenen, met dit mijn echte vleesch, dat volgt.

124 Vandaar hebben zijne vertroostingen mij opgetogen, stijgende en rondgaande den berg, die recht maakt u lieden, wie de wereld heeft gekromd.

127 Zóólang zeide hij mij tot zijn geleide te maken, tot dat ik zal zijn waar Beatrice is: dáár voegt het dat ik zonder hem achterblijve.

130 Virgilius is gene, die aldus tot mij sprak (en ik wees hem) en deze andere is die schimme, om welke zooeven uw rijk alle zijne afhangen deed schudden, daar het zich van hem ontlast.”

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings