TWAALFDE ZANG
H. J. Boeken translation
Vervolg van den eersten ommegang
Hier zien de Dichters in de rots afgebeeld voorbeelden van gestrafte hoovaardigheid. Een Engel wijst hun den opgang tot den tweeden omgang.
1 Paarswijze, als runderen die onder het juk gaan, ging ik verder met die belaste ziel, zoolang het toestond de zoete leidsman.
4 Maar wanneer hij zeide: „Laat hem en kom mee, daar het hier goed is met het zeil en de riemen zoo goed [en zoo kwaad] ieder kan, zijn hulkje voort te drijven,”
7 maakte ik mij weder recht, gelijk men pleegt te gaan, met mijn persoon, hoewel mijne gedachten gebogen en geknot bleven.
10 Ik had mij voortbewogen, en volgde volgaarne de schreden van mijnen Meester, en beiden toonden wij reeds hoe licht wij waren;
13 wanneer hij tot mij zeide: „Richt de oogen naar omlaag: het zal u goed zijn, tot het verlichten van den weg, het bed te zien van uwe voetzolen.”
16 Gelijk, opdat er heugenis van hen zij, boven de begravenen de aardsche graftomben dragen verbeeld dat wat zij vroeger waren;
19 waarom men daar vele malen weent, door den stekel der heugenis, die alleen aan de vromen de sporen geeft;
22 zóó zag ik dáár, maar met betere gelijkenis, naar gelang van de kunstvaardigheid, bebeeld zooveel [ruimte] als voor weg buiten den berg naar voren komt.
25 Aan ééne zijde zag ik dengene, die edelst geschapen was van alle schepsel, bliksemende nederdalen van den hemel.
28 Briareus zag ik, doorboord van den hemelschen schicht, liggen aan den anderen kant, zwaar voor de aarde door de doods-kou.
31 Ik zag [Apollo] Thymbraeus, ik zag Pallas en Mars, nog gewapend, rond hunnen vader, staren op de verspreide ledematen der Giganten.
34 Ik zag Nimrod aan den voet van het groote werk, geheel verbijsterd de luiden aanstaren, die in Sennaär met hem hoovaardig waren.
37 O Niobe, met welke treurende oogen zag ik u gebeeld op het plaveisel temidden van uwe zeven en zeven gedoode kinderen.
40 O Saul, hoe scheent gij daar gestorven op uw eigen zwaard op den berg Gilboa, die voortaan noch regen noch dauw voelde.
43 O dwaze Arachne, zóó zag ik u, reeds half eene spinne, droef bovenop de flarden van het werk dat tot uw nadeel gemaakt was.
46 O Rehabeam, uw beeltenis schijnt daar niet meer dreigende te zijn, maar vol van vreezen draagt hem een wagen vandaar voor men hem verjage.
49 Nog vertoonde het harde plaveisel hoe Alcmeon zijner moeder duur deed dunken het heilloos sieraad.
52 Het vertoonde hoe zijne [eigene] zonen zich wierpen op Sennacherib binnen in den tempel en hoe zij hem dood daar lieten.
55 Het vertoonde den ondergang en het wreede voorbeeld dat Tamyris stelde, daar zij zeide tot Cyrus: „Naar bloed dorstte u en van bloed verzadig ik u.”
58 Het vertoonde hoe in verwarring vluchtten de Assyriërs, nadat Holophernes dood was, en ook het overschot des vermoorden.
61 Ik zag Troja in asch en bouw-val: o Ilium, hoe vernederd en waardeloos toonde u de beeltenis, die men dáár ontwaart.
64 Wie was er meester van penseel en teekenstift, dat hij weergaf de schaduwen en lijnen, die daar elken fijnen geest tot bewondering zouden brengen?
67 Dood schenen daar de dooden en levend de levenden: hij, die de werkelijkheid ziet, ziet niet meer dan ik, [ziende] al wat ik betrad zoolang ik gebukt ging.
70 Nu braveert maar en gaat met het gezicht omhoog, zonen Eva's, en buigt maar niet het gelaat zóó dat gij uw kwade pad ziet.
73 Meer was er reeds door ons van den berg omgegaan en van den weg der zon vrij wat meer afgelegd, dan mijn onvrije ziel wel vermeende;
76 wanneer hij, die altijd opmerkzaam vóórging, begon: „Hef het hoofd, het is niet meer tijd aldus in gedachten te gaan.
79 Zie daar een Engel, die zich opmaakt te ons-waart te komen: zie hoe de zesde dienstmaagd keert van de bediening des daags.
82 Doe uwe gebaren en gelaat aan met eerbiedigheid, zoodat het hem behage ons naar boven te geleiden: gedenk dat deze dag nooit weder daagt.
85 Ik was aan zijn waarschuwen goed gewend, om toch geenen tijd te loor te laten gaan, zoodat hij in die stoffe niet duister tot mij kon spreken.
88 Tot ons kwam het schoone schepsel, wit gekleed, en in het aangezicht zoodanig als de morgenstar flonkerend zich vertoont.
91 De armen opende hij en daarna opende hij de vleugelen: en zeide: „Komt; hier dichtbij zijn de treden, en licht kan men van stonde aan stijgen.
94 Op deze nooding komen maar zeer schaarschen: o menschelijk geslacht, geboren om opwaart te vliegen, waarom valt gij bij zoo weinig wind?”
97 Hij leidde ons daar waar de rots was uitgehouwen; daar sloeg hij mij de vleugelen voor het voorhoofd, voorts beloofde hij mij veiligen gang.
100 Gelijk om ter rechterhand ten berg op te klimmen, waar de kerk gelegen is, die neer ziet op de goed geleide boven de Rubaconte,
103 de straffe heftigheid des stijgens verbroken wordt door de trappen, die gemaakt werden ten tijde dat kwatern en schepel veilig waren;
106 aldus vergemakkelijkt zich de rand, die hier wel zeer snel valt, van den tweeden ommegang: maar hier en daar scheert [ons] de hooge rots.
109 Terwijl wij ons aldaar omwendden, zongen stemmen aldaar „Zalig zijn de armen van geest,” derwijze dat geen woorden het konden weergeven.
112 Ai mij! hoe verscheiden zijn deze ingangen van de helsche! daar men hier onder gezangen binnentreedt en daar onder woeste jammerkreten.
115 Alreede stegen wij op langs de heilige treden, en veel lichter scheen het mij toe te zijn, dan het mij te voren in de vlakte had toegeschenen:
118 waarop ik: „Meester” zeide: „welke zwarigheid is er van mij weggenomen, dat bijna geen vermoeienis onder het gaan door mij wordt gekregen?”
121 Hij antwoordde: „Wanneer de P's, die nog op uw gelaat, bijna uitgewischt, overgebleven zijn, ganschelijk gelijk die ééne, zullen zijn weggeschoren,
124 worden uwe voeten aldus overwonnen door uwen goeden wil, dat zij niet slechts geen vermoeienis zullen gevoelen, maar dat het hun vermaak zal zijn opwaart te worden gedrongen.”
127 Toen deed ik gelijk degenen die gaan met op hun hoofd iets, waarvan zij niet weten tenzij dat de gebaren der andere menschen het hen doen vermoeden;
130 waarom de hand hen helpt om hen te vergewissen, en zoekt en vindt, en dat werk verricht, wat niet kan worden verricht door het gezicht:
133 en met de gescheiden vingers van de rechterhand bevond ik slechts zes der letters, welke die van de sleutelen mij boven de slapen had ingegrift:
136 En mijn gids, dit ziende, glimlachte.
