VEERTIENDE ZANG
H. J. Boeken translation
Voortzetting van den tweeden ommegang.
Guido del Duca da Bertinoro beschrijft aan Rinieri dei Calboli, zijnen buurman, het slechte gedrag van de verschillende volkeren van het dal van den Arno en profeteert hem de schande van zijnen naneef. Voorts bejammert hij het ontaarde Romagna, en vermeldt de namen van vele edele en geëerde Romagnolen van zijnen tijd. Wanneer ten slotte de Dichters van die schimmen zijn weggegaan, hooren zij stemmen als van den donder, die hen herinneren aan de kastijdingen, die de afgunstigen te wachten staan.
1 „Wie is degene, die onzen erg òmgaat, voordat de dood hem vleugelen heeft gegeven, en die de oogen opent en toemaakt naar welbehagen?”
4 „Niet weet ik wie hij is; maar wel weet ik dat hij niet alleen is: vraag gij het hem, daar gij hem nader bij zijt, en bejegen vriendelijk hem zóó dat hij spreke.”
7 Aldus twee geesten, de één tot den ander geneigd, spraken daar van mij ter rechterhand; voorts hieven zij de aangezichten, om tot mij te spreken, achterover;
10 ende één zeide: „O ziel, die nog in het lichaam gevest, hemelwaart gaat, vertroost ons uit barmhartigheid, en zeg ons,
13 van waar gij komt, en wie gij zijt; daar gij ons zóó zeer doet verwonderen over uwe genade, als iets [verwondering] eischt, dat nog nooit is gebeurd.”
16 En ik: „Midden door Toscana spanceert een stroompje, dat geboren wordt op de Falterona, en honderd mijlen loops verzadigt het niet.
19 Van zijnen oever draag ik dit mijn lichaam; te zeggen wie ik ben, ware ijdel praten, daar mijn naam nog niet luide verluidt.”
22 „Wanneer ik uwe bedoeling wèl begrijp,” antwoordde toen hij, die het eerste sprak: „dan spreekt gij van den Arno.”
25 En de andere zeide tot hem: „Waarom verheelde hij den naam van die rivier, gelijk de mensch doet met gruwelijke dingen?”
28 En de schim, die hieromtrent ondervraagd was, kweet zich aldus: „Dat weet ik niet, maar wel verdient de naam van zulk eene vallei dat hij te gronde ga,
31 daar van zijnen aanvang (waar het Alpijnsch gebergt, van 't welk Pelorum is losgerukt, zóó van water is gedrenkt, dat het op weinig plaatsen die maat te boven gaat)
34 tot daar, waar hij zich weder uitstort tot herstel van dat deel van 't zeewater, dat de hemel opslorpt, waardoor de rivieren hebben dat wat mèt hen gaat,
37 aldus de deugd als vijandin door allen wordt gevloden, als het gesijfel [van eene slang], hetzij door het lot der plaatse, hetzij door kwade praktijk, die hen noopt:
40 vanwaar de bewoners dier rampzalige vallei zóó hunnen aard veraêrd hebben, dat het lijkt of Circe hen in de kost hadde gehad.
43 Door botte varkens heen, die eikelen meer verdienen dan ander voedsel, geschapen tot menschelijk gebruik, richt hij eerst zijn armelijk pad.
46 Keffertjes vindt hij voorts, daar hij lager komt, meer grijnzend dan hun kracht vergt, en ze minachtend keert hij den muil van hen af.
49 Hij gaat al vallende, en hoe meer die gemaledijde en ellendige sloot aangroeit, te meer ziet hij de honden tot wolven worden.
52 Voorts afgedaald door meerdere diepe zeeën, vindt hij de vossen zóó vol van loosheid, dat zij geen list vreezen die hen ving.
55 En ik zal niet nalaten te spreken opdat een ander mij hoore: en het zal hem goed zijn zoo hij zich herinnere dat wat een ware geest mij ingeeft.
58 Ik zie uwen kleinzoon, die jager wordt van die wolven langs het strand van den wreeden stroom en ze allen verschrikt.
61 Hij verkoopt hun vleesch, daar het [nog] levend is, voorts doodt hij ze als slachtvee; velen berooft hij van 't leven en zich van de eer.
64 Bloedig komt hij uit het droeve woud; hij laat het zóó dat het in geen duizend jaar zich tot den ouden staat weer belommert.”
67 Gelijk, bij tijding van toekomstig leed, zich ontstelt het gelaat van dengene, die luistert, van welken kant ook het gevaar hem aangrijpt;
70 zóó zag ik de andere ziel, die stond gekeerd tot luisteren, zich onthutsen en bedroefd worden, nadat zij deze woorden in zich had opgenomen.
73 Het spreken des éénen en het gezicht des anderen maakten mij begeerig hunne namen te weten, en een vraag deed ik hun, met gebeden gemengd.
76 Waarom de geest, die het eerst tot mij sprak, herbegon: „Gij wilt dat ik mij neerbuige voor u te doen datgene wat gij voor mij niet wilt doen;
79 maar sinds God wil dat in u zoo groote genade van Hem doorlichte, zal ik niet schriel voor u zijn; daarom weet dat ik ben Guido del Duca.
82 Mijn bloed was in nijdigheid zóó ontbrand, dat wanneer ik een mensch zich zag verheugen, gij mij met loodkleur zoudt hebben zien bedekt.
85 Van mijn zaad oogst ik zoodanig stroo. O menschelijk geslacht, waarom zet gij het hart op die dingen, waarvan gij u gemeenschap ontzeggen moet?
88 Dit is Reinier; dit is de prijs en eere van het huis Calboli, waar voorts niemand erfgenaam is geworden van zijn deugd.
91 En niet slechts zijn bloed is berooid—tusschen den Po en het gebergte, en de zeekust en den Reno—van het goed dat vereischt wordt voor waarheid en geneugt:
94 daar binnen die grenzen ['t land] vol is van giftige kruiden, zóó dat ze, te laat [gekomen] om het te wieden, weldra zouden bezwijken.
97 Waar is de goede Lizio, en Arrigo Manardi, Pier Traversaro en Guido di Carpagni? O Romagnolen, verkeerd tot bastaarden!
100 Wanneer wordt weder in Bologna een Fabbro geboren? Wanneer in Faënza een Bernardin di Fosco, een edele spruit van nederig kruid?
103 Verwonder u niet, zoo ik ween, Toscaan, wanneer ik met Guido da Prata Ugolino d'Azzo gedenk, die met ons geleefd heeft;
106 Federigo Tignoso en zijn gezelschap, het huis Traversara en de Anastasii; (onterfd is het één en het andere geslacht!)
109 de vrouwen en de ridders, het leed en het lief, al wat ons liefde en hoofschheid ingaf, daar waar de harten zóó zijn ontaard.
112 O Brettinoro, waarom vlucht ge niet weg, nu uw gansche stamhuis weg is gegaan, en velen daarvan om niet misdadig te worden?
115 Wèl doet Bagnacaval, dat het geen zonen meer teelt, en slecht doet Castrocaro en slechter Conio, die zich al dieper in schuld wikkelen door zulke graven voort te brengen.
118 Goed zullen zijn de Pagani, wanneer hun Demon weg zal gaan; maar daarom [geschiedt het] toch niet dat er steeds zuiver getuigenis van hen zal zijn.
121 O Ugolino de Fantoli, veilig is uw naam sedert niet meer [een zoon] verwacht wordt, die door ontaarding hem kan bezwalken.
124 Maar nu ga voort, Toscaan, daar het mij nu al te zeer lust te weenen, meer dan te spreken; zóó heeft onze landstreek mij het gemoed genepen.”
127 Wij wisten dat die dierbare zielen merkten dat wij gingen: dies deden ze door hun zwijgen ons vertrouwen hebben in onzen weg.
130 Toen wij, al voortgaande, alleen waren, een bliksem, wanneer die de lucht klieft, scheen toen eene stem, die ons tegen kwam, zeggende:
133 „Mij zal dood slaan, al wie mij vindt,” en [de stem] vluchtte, als donder die verrommelt, wanneer plotseling de wolk zich ontlaadt.
136 Wanneer ons oor rust had van dien te hooren, en zie een andere stem kwam met zóó groot gedruisch, dat het donder leek, die terstond [den bliksem] volgt.
139 „Ik ben Aglauros, die een steen werd.” En om mij tegen den Dichter te dringen, deed ik een stap naar achter en niet naar voren.
142 Reeds was de lucht van elke zijde stil, en hij zeide tot mij: „Dat was het hard gebit, dat den mensch binnen zijne baan moest houden.
145 Maar gij neemt het aas zoodat de haak des ouden Vijands u tot zich trekt; en weinig vermag daarom breidel of roepstem.
148 De Hemel roept u, en draait zich rondom u, u zijne eeuwige schoonheden vertoonende, en toch staart uw oog gestadig op den grond;
151 waarom de Hemel u kastijdt, die alles ziet.”

