ZESTIENDE ZANG
H. J. Boeken translation
Op den derden ommegang in eenen rook en in de gruwelijkheid van eenen nacht, erger dan die van de hel, wordt de toorn gelouterd. Een Geest richt het woord tot Alighieri, en, zich kenbaar makende, spreekt hij van de ondeugden en de traagheid der tegenwoordig-levenden; waarom de Dichter, in twijfel vanwaar zoo groote verdorvenheid uitgaat, hetzij van de planeten of van de maatschappelijke toestanden, er den Geest over ondervraagt; die, met veel filosofie redeneerende, hem tevreden stelt.
1 Het donker van de Hel en van den Nacht, beroofd van alle sterren, onder armen hemel, zooveel die maar kàn zijn door nevel verduisterd,
4 maakte voor mijn gezicht niet zóó donkeren sluier als die rook, die ons daar omhulde, noch éénen [sluier] van zoo ruige harigheid,
7 die gedoogde niet dat het oog open bleef staan; waarop mijn wijze èn trouwe Geleider mij aan zijne zijde nam en mij zijnen schouder bood.
10 Gelijk een blinde gaat achter zijnen gids om niet te dolen; en om niet het hoofd te stooten tegen eenig ding, dat hem beleedigen of wellicht dooden kon,
13 zóó ging ik voort door de bittere en onzuivere lucht, hoorende mijnen Gids, die vast zeide: „Wacht u, dat gij niet van mij los raakt.”
16 Ik hoorde stemmen; en elke scheen om vrede en erbarmen te bidden tot het Lam Gods, dat de zonden wegneemt.
19 En: „Agnus Dei” zóó was van allen de aanhef: éénerlei woorden waren het bij allen en ééne zangwijs, zóó dat tusschen hen allen éénstemmigheid scheen te zijn.”
22 „Wie zijn die geesten, Meester, die ik hoor?” zeide ik. En hij tot mij: „Verneem gij de waarheid: van gramstorigheid ontknoedelen zij den knoop.”
25 „Wie zijt gij, die onzen rook klieft, en van ons spreekt, of gij nog den tijd indeeldet naar maanden?”
28 Aldus werd door eene stemme gesproken. Waarop mijn Meester mij zeide: „Antwoord, en vraag of men hierlangs opwaart gaat.”
31 En ik: „O schepsel, die u reinigt om schoon te keeren tot Dengene, die u maakte, wonder zoudt gij hooren zoo gij mij hielpt.”
34 „Ik zal u volgen zoover mij geoorloofd is,” antwoordde hij: „en zoo ook de rook het zien niet toelaat, zal het hooren ons op deze wijze verbonden houden.”
37 Toen begon ik: „Met dien last, welken de dood ons afneemt, ga ik opwaart, en hierheen kwam ik door de helsche moeienis;
40 en zoo waarlijk God mij zóó zeer in zijne genade heeft opgenomen, dat Hij wil dat ik tot Zijn hof kome op eene wijze gansch buiten het hedendaagsch gebruik,
43 verheel mij niet wie gij waart vóór den dood, maar zeg het mij en zeg mij of ik zóó goed naar den opgang ga; en uwe woorden mogen mijn geleide worden.”
46 „Een Lombarder was ik, en men noemde mij Marco: van de wereld wist ik en die gedegenheid had ik lief, op welke nu niemand den boog meer gespannen houdt.
49 Om omhoog te gaan moet gij rechtuit gaan.” Zóó antwoordde hij; en voegde er aan toe: „Ik bid u dat gij voor mij biddet, wanneer gij boven zijt.”
52 En ik tot hem: „Bij mijne trouw verbind ik mij te doen datgene wat gij mij vraagt; maar ik berst binnen-in van een twijfel, als ik daar van niet verlost word.
55 Eerst was hij enkel en nu is hij dubbel geworden in uw gezegde, dat hier mij onderricht, en het elders [gehoorde] waaraan ik het vast knoop.
58 De wereld is wel zoo zeer verlaten van alle deugd, gelijk gij mij te hooren geeft, van kwaadwilligheid zwanger en daarmee overdekt;
61 maar ik bidde u dat gij mij de reden aanwijst, zóó dat ik haar zie, en dat ik haar aan anderen toone; daar de één haar in den hemel, en de andere haar hier beneden stelt.”
64 Een diepen zucht, welken de smart samenneep tot een „hoei,” slaakte hij eerst en voorts begon hij: „Broeder, de wereld is blind, en gij komt wèl van haar.
67 Gij, die leeft, brengt maar alle oorzaak terug op den hemel, alsof die alles in noodzaak met zich mede bewoog.
70 Indien het zóó ware, dan ware de vrije wil in u vernietigd en het ware niet recht over het goede blijdschap en over het kwade rouw te hebben.
73 De hemel geeft oorsprong aan uwe bewegingen; ik zeg niet aan alle; maar gesteld al dat ik het zeg, licht is u gegeven ten goede en ten kwade,
76 en vrije wil, die, als hij, in de eerste gevechten met den hemel, de vermoeienissen doorstaat, later alles overwint, als hij goed wordt gevoed.
79 Aan grootere kracht en aan betere natuur zijt gij als vrijen onderworpen, en die schept het verstand in u, hetwelk niet door den hemel wordt bestuurd.
82 Daarom, indien de tegenwoordige wereld het spoor bijster raakt, de oorzaak ligt in u, in u worde zij gezocht, en ik zal er u een ware gids in zijn.
85 Van Zijne Hand gaat zij uit, Die haar bemint [nog] vóór zij bestaat, naar de wijze van een kind, dat weenende en lachende dartelt,
88 de eenvoudige ziel, die niets weet dan dat zij, uitgezonden door eenen blijmoedigen Maker, gaarne keert tot dat, wat haar vermaakt.
91 Van kleine dingen voelt zij in het eerst den smaak; daarop verlekkert zij en die loopt zij na, zoo gids of teugel haar begeerte niet keert.
94 Waarom het voegelijk was wetten als teugel in te stellen; voegelijk was het eenen koning te hebben, dat die ten minste den toren der ware stad zoude onderscheiden.
97 De wetten zijn er, maar wie houdt hand aan ze? Niemand; ómdat de herder, die vóórgaat, herkauwen kan, maar niet de hoeven gespleten heeft.
100 Weshalve de luiden, die hunnen gids vast zien mikken op die dingen, waarop zij zelf belust zijn, zich daarmede voeden en niet naar verder vragen.
103 Goed kunt gij dus zien dat het slecht bestier de oorzaak is, die de wereld zondig heeft gemaakt en niet de natuur, die in u bedorven zoude zijn.
106 Rome, dat de goede wereld maakte, placht twee zonnen te hebben, die den éénen en den anderen weg deden zien, dien van de wereld en dien van God.
109 De ééne heeft de andere verdaan; en het zwaard is verbonden met den herdersstaf; en dat de één en de andere te zamen niet goed gaan, hiertoe ligt de noodzakelijkheid;
112 omdat, verbonden, de één den ander niet vreest. Als ge mij niet gelooft, let op de aar, daar elk kruid wordt gekend aan zijn zaad.
115 Op het land, dat Etsch en Po bewateren, plachten moed en hoofschheid te zijn voordat Frederik moeielijkheden had.
118 Nu kan veilig daar passeeren al wie, uit schaamte om met de goeden te spreken, het zou nagelaten hebben ze te naderen.
121 Wel zijn daar nog drie ouden, in wie de oude tijd den nieuwen gispt, en het schijnt hun laat dat God hen in het beter leven haalt:
124 Currado da Palazza en de goede Gherardo, en Guido da Castel, wien men beter naar Frankenwijze den eenvoudigen Lombard noemt.
127 Zeg van nu aan, dat de kerk van Rome, door in zich twee heerschappijen te verwarren, valt in het slijk, en vervuilt zich en haren last.”
130 „O Marcus mijn,” zeide ik: „wel gesproken; en nu doorzie ik waarom de zonen van Levi van de erfenis waren uitgesloten:
133 maar wie is die Gherardo, die ge zegt dat gebleven is als heugenis van het voorbij gegane geslacht tot gisping van de verwilderde eeuw?”
136 „Of uw spreken bedriegt mij, of stelt me op de proef,” antwoordde hij mij: „dat gij, die Toscaansch spreekt, schijnt niets te weten van den goeden Gherardo.
139 Bij een anderen bijnaam ken ik hem niet, zoo die hem niet gekomen ware van zijne dochter Gaja. God zij met u, daar ik niet verder met u kome.
142 Zie den dageraad, die door den rook straalt, reeds wit worden en het voegt mij weg te gaan—de Engel is daar—voordat hij verschijnt.”
145 Zóó sprak hij, en hij wilde mij niet meer hooren.

