ZES EN TWINTIGSTE ZANG
H. J. Boeken translation
Zij, die zich te buiten gingen in genietingen, louteren zich van dit onreine vuur, te midden van de vlammen den berg omkringende in twee aan elkaar tegengestelde scharen. Dante onderhoudt zich met Guido Guinicelli, en voorts met Arnaut Daniel, Provençaalsch dichter.
1 Terwijl aldus langs den rand, de een voor den ander, wij voortgingen, zeide dikmalen de goede Meester: „Wees op uwe hoede; verheug u dat ik u beschut.”
4 Op den rechter schouder trof mij de zon, die reeds, stralende, gansch het Westen van hemelsch blauw verschieten deed tot eenen witten aanblik;
7 en ik deed met mijne schaduwe de vlam meer blozend verschijnen, en toch reeds op zoo klein een kenteeken zag ik vele schimmen, al gaande, hunne aandacht vesten.
10 Dit was de oorzaak, die hun eenen aanvang gaf om te spreken van mij; en zij begonnen te zeggen: „Deze blijkt geen schijn-lichaam.”
13 Voorts maakten eenigen zóóverre als zij konden, zich op tot mij, altijd met zorge niet uit te gaan tot daar waar zij niet zouden worden verbrand.
16 „O gij, die gaat, niet omdat gij trager zijt, maar wellicht uit eerbied, achter de anderen, antwoord mij, die in dorst en in vuur brande:
19 en niet alleen mij is uw antwoord van noode; daar alle dezen er grooteren dorst naar hebben, dan naar koud water Indiaan of Ethiopiër.
22 Zeg ons hoe het is dat gij van u zelven eenen muur maakt voor de zon, alsof gij nog niet binnen het net des doods waart getreden.”
25 Zoo sprak mij één van dezen en ik zoude mij reeds hebben geopenbaard, zoo ik niet oplettend ware geworden op andere nieuwigheid, die toen zich voordeed:
28 daar door het midden van den in brand gestokenen weg lieden kwamen met het aangezicht genen tegemoet, welke mij vol verwachting maakten om toe te zien.
31 Daar zie ik van elken kant elke schim zich haasten, en de een de ander kussen, zonder stille te staan, tevreden met zóó kort festijn.
34 Aldus binst hunne donkere schare raakt de eene de andere mier met den snuit, wellicht om te speuren elkander reize en elkanders lot.
37 Zoodra zij uitéén gaan van de lievende begroetenis, nog voor zij tot de eerste schreden zich bewegen, bemoeit zich elke boven de anderen uit te schreeuwen,
40 de nieuwgekomen luiden: „Sodom en Gomorrah!” en de anderen: „In de koe kroop Pasiphaë, dat de stier tot haar minneweelde kwam.”
43 Voorts, als kraanvogels, die vlogen deels naar de Ripaeische bergen, deels naar de zanden [der woestijnen], dezen de koude, genen de zonne schuwende;
46 het ééne volk gaat henen, het andere komt, en zij keeren weenende tot hunne eerste liederen, en tot dien kreet, die hun het meest voegelijk is;
49 en zij praaiden mij wederom, gelijk te voren, diezelfden die mij hadden gebeden, en vol aandacht waren zij om te luisteren in hun voorkomen.
52 Ik die twee malen hun begeerte had gezien, begon: „O zielen verzekerd van te hebben, wanneer het ook zij, eenen staat van vrede,
55 niet zijn mijne ledematen noch onrijp noch rijp aan gene zijde gebleven, maar zij zijn hier met mij met hun bloed en met hunne samenvoegingen;
58 daar omhoog ga ik om niet langer blind te zijn: eene vrouw is omhoog, die de genade voor mij heeft gewonnen, door welke [genade] ik mijn sterfelijk [deel] door uwe wereld tors.
61 Maar zóó waarlijk uwe grootere begeerte spoedig verzadigd worde, zóódat de hemel u herberge, die vol is van liefde en zich al wijder ruimt,
64 zeg mij, opdat ik er nog papieren mee bestrepele, wie zijt gij, en wie is gene drom, die weg gaat achter van uwe ruggen?”
67 Niet anders ontstelt zich verstomd de bergbewoner, en schouwende staat hij sprakeloos, wanneer hij, ruw en onbehouwen ter stede komt,
70 als elke schim in haar voorkomen deed; maar nadat zij ontlast waren van de ontsteltenis die in hooge harten dra zich matigt:
73 herbegon degene die het eerst had gevraagd: „Welzalig gij, die van onze gewesten, de hoop medeneemt om beter te leven!
76 De lieden die niet met ons mede gaan, misdeden in dat, waarom voorhenen Caesar, triompheerende, zich in zijn gezicht, „koningin” hoorde noemen;
79 daarom gaan zij henen „Sodom” roepende, in zich gispende, gelijk gij gehoord hebt, en helpen zij den brand door zich te schamen.
82 Onze zonde is die van Hermafrodiet; maar omdat wij niet hielden menschelijke wet, als beesten onzen lust volgend,
85 wordt tot onze eigene schande door ons aangeroepen, wanneer wij van elkanderen gaan, de naam van degene die zich tot beest maakte in het tot beest gemaakte hout.
88 Nu weet gij onze daden en weet waaraan wij schuldig waren; zoo ge wellicht bij name weten wilt wie [allen] we zijn; er is geen tijd om het te zeggen en gij zult het niet weten.
91 Den wensch echter omtrent mij zal ik u bevredigen; ik ben Guido Guinicelli, en reeds word ik gelouterd daar 't mij wel rouwde vóór mijn levens-einde.”
94 Hoedanig bij de droefenis van Lycurgus de twee zonen werden op het weerzien der moeder, zóó werd ik, maar niet tot zóó groote daad verrijs ik,
97 wanneer ik zich zelven noemen hoorde den vader van mij en zoovele anderen, die beter zijn dan ik, die ooit in rijmen, zoete en gevallige, spraken van minne:
100 en zonder te hooren en te spreken ging ik peinzende eene lange wijle hem aanziende, toch kwam ik wegens het vuur hem niet nader.
103 Toen ik van hem te zien verzadigd was, bood ik mij hem bereid tot zijnen dienst, met zulke verzekering als iemand doet gelooven.
106 En hij tot mij: „Gij laat door wat ik hoor, in mij zulk een spoor en zoo duidelijk, dat Lethe het niet kan wegnemen of verduisteren.
109 Maar zoo zooeven uwe woorden de waarheid bezwoeren, zeg mij wat de reden is waarom gij toont in uw spreken en uw blikken mij lief te hebben.”
112 En ik tot hem: „De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche spreekwijze zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen dierbaar maken.”
115 „O broeder,” zeide hij: „gene, dien ik u aanwijs met den vinger (en hij wees voor ons uit er éénen met den vinger aan), was beter werkman in de moederlijke sprake.
118 Gedichten van minne en proza-verhalen, hij overtrof ze alle en laat de dwazen [vrij] zeggen die gelooven dat die van Limoges hèm overtreft.
121 Zij richten de gezichten meer naar het gerucht dan naar de waarheid en aldus vesten zij hunne meening vóórdat kunst of rede door hen wordt gehoord.
124 Aldus deden vele ouden met Guittone, de één den ander nasprekend om hem lof te geven, totdat met meerdere personen de waarheid hem heeft overwonnen.
127 Dies, indien gij zoo ruim een voorrecht hebt, dat het u veroorloofd zij te gaan tot het klooster, in het welk Christus abt is van het Collegium,
130 doe bij hem voor mij een Pater noster, tot zóóver als wij nog in deze wereld noodig hebben, waar we nu niet meer het vermogen tot zondigen hebben.”
133 Voorts, wellicht om eene tweede plaats te geven aan een ander, dien hij bij zich had, verdween hij in het vuur, gelijk door het water een visch die naar den bodem gaat.
136 Ik ging een weinig naar voren tot dengene, die mij gewezen was, en zeide dat mijn verlangen zijnen naam een welgevallige plaats inruimde.
139 Hij begon vrijmoediglijk te zeggen: „Zoozeer bevalt mij uwe hoofsche vraag, dat ik me u noch kan noch wil verbergen.
142 Ik ben Arnaut, die ween en ga zingende; herdenkend zie ik mijne vroegere dwaasheid, en blijde zie ik de blijdschap die ik weldra hope.
145 Nu bid ik u bij dat vermogen, dat u geleidt tot den top, die is zonder koude en zonder warmte, gedenk mijne smart te lenigen.”
148 Voorts verborg hij zich in het vuur dat hem nabij was.

