← Table of contents
Dante's Louteringsberg

TWEE EN TWINTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Opstijging tot den Zesden Omgang.

Gedurende den tijd dat zij naar den Zesden Ommegang opstijgen verhaalt Statius aan Virgilius hoedanige zonden hem zóó lang op de Plaats der Loutering hebben gehouden, en hoe hij gekomen was tot het Christelijk Geloof. Daarna deelt Virgilius hem nieuws mede over vele groote en befaamde personen, die in den Limbus zijn. Wanneer de Dichters op den Ommegang zijn aangekomen en eenige schreden ter rechter hebben gedaan, zien zij een boom, vol met geurige appelen, van waaruit eenige stemmen opgaan die aansporen tot ingetogenheid.

1 Reeds was de Engel achter ons terug gebleven, de Engel, die ons geleid had tot den Zesden Omgang, hebbende mij van het aangezicht één merkteeken afgestreken,

4 en degenen, die tot gerechtigheid hunne begeerte hebben, hadden gezegd: „Welgelukzalig”; en hunne stemmen deden dat af met „die dorst hebben” zonder meer.

7 En ik, lichter dan door de andere doorgangen, ging verder, zóó dat ik zonder eenigen arbeid volgde omhoog de vlugge geesten;

10 wanneer Virgilius begon: „Liefde, ontstoken door deugd, ontstak altijd den ander [tot wederliefde] als maar hare vlam zich openbaarde.

13 Dès, sindsdien te midden van ons in den zoom der Hel Juvenalis nederdaalde, die uwe genegenheid [te mijwaart] mij openbaarde,

16 was mijne welwillendheid te u-waart meer dan elke, die me ooit beroerde voor een niet geziene persoon, zóó dat nù deze treden mij kort schijnen.

19 Maar zeg mij, en als vriend vergeet me als te groote veiligheid me den teugel viert, en wil als vriend met me redeneeren:

22 hoe kon binnen in uwe borst gierigheid eene plaats vinden, bij zoo groot verstand, waarvan gij door uwe zorge vol waart?”

25 Deze woorden deden Statius eerst een weinig tot lachen komen; voorts antwoordde hij: „Al uw spreken is me een dierbaar teeken van uw liefde.

28 In waarheid meerdere malen vertoonen zich dingen, die valsche stof tot twijfelen geven, wegens de ware redenen die verborgen zijn.

31 Uw vraag bewijst me dat uw gelooven is, dat ik gierig was in het andere leven, wellicht wegens dien cirkel waar ik was:

34 dan weet dat gierigheid te zéér van mij verscheiden was, en wegens ònmatigheid hebben een duizendtal maanden mij gestraft.

37 En zoo het niet ware dat ik mijne zorg de goede richting gaf, wanneer ik tot inkeer kwam daar waar gij uitroept, als vertoornd op den menschelijken aard:

40 „Waartoe, brengt gij niet, o vervloekte gouddorst de begeerte der stervelingen?” zoude ik, om- en omkeerende voelen de grimme toernooien.

43 Toen werd ik gewaar dat de handen al te veel de vleugelen konden openspreiden om uit te geven, en mij rouwde des, evenzeer als van de andere zonden.

46 Hoevelen zullen er verrijzen met de haren uitgetrokken wegens de onwetendheid, die bij het leven en bij het uiteinde het berouw over deze zonde wegneemt!

49 En weet dat de schuld, die door rechte tegenoverstelling een zonde weerkaatst, tegelijk hiermede zijn groenheid droogt.

52 Daarom, zoo ik te midden van die luiden geweest ben, om mij te louteren, die de gierigheid beweenen, is mij dat door haar tegendeel overkomen”.

55 „Des, toen gij zongt de wreede wapenen van de dubbele droefenis van Iocaste,” zeide de Zanger der Herders-zangen:

58 „bij dàt wat Clio daar met u tokkelt, blijkt nog niet dat dat geloof u tot zijne getrouwen gemaakt had, zonder 't welk goed te doen niet genoeg is.

61 Indien het zóó is, welke zon en welke kaarsen ontduisterden u zóódanig, dat gij voorts de zeilen achter den Visscher aanstuurdet?”

64 En hij tot hem: „Gij hebt mij eerst den weg opgestuurd naar den Parnassus om te drinken in zijne grotten, en voorts hebt gij na God mij verlicht.

67 Gij hebt gedaan als degene, die bij nacht gaat, die het licht achter zich draagt, en zich zelven niet helpt, maar achter zich de personen onderricht maakt;

70 wanneer gij zeidet: „De eeuw hernieuwt zich: de Gerechtigheid en de eerste tijd des menschdoms keert; een nieuw kroost daalt uit den Hemel neder.”

73 Door u was ik dichter, door u Christen: maar opdat ge beter ziet dat wat ik teeken, zal ik de hand uitstrekken om te kleuren.

76 Reeds was de wereld gansch-en-al zwanger van het ware geloof, gezaaid door de boodschappers van het eeuwige rijk;

79 en uw woord, hier-boven geciteerd, was zoo zeer in saam-klank met de nieuwe predikers; waarom ik gewoonte nam om ze te bezoeken.

82 Zij werden mij, door hun verschijnen, zóó heilig dat, wanneer Domitianus ze vervolgde, hunne klachten niet waren zonder mijn weenen.

85 En zóó lang door mij ginds werd vertoefd, herinnerde ik mij hunner, en hunne rechte zeden deden me alle andere secten minachten;

88 en vóór ik dichtende de Grieken leidde tot de stroomen van Thebe, had ik den doop; maar uit vrees was ik een verholen Christen,

91 langen tijd heidendom vertoonende: en deze lauwheid deed mij den vierden ommegang meer dan het vierde honderd-tal van jaren omgaan.

94 Gij nu, die het deksel hebt opgelicht, dat me verborg zóó groot een goed, waarvan ik spreek, terwijl we door het stijgen overvloed van tijd hebben,

97 zeg mij, waar Terentius is, onze oude dichter, Caecilius, Plautus en Varro, zoo gij het weet: zeg mij of zij veroordeeld zijn en in welk kwartier.”

100 „Dezen, en Persius, en ik, en vele anderen,” antwoordde mijn Gids, „zijn te zamen met dien Griek, dien de Muzen zoogden meer dan ooit eenigen anderen,

103 in den eersten cirkel van den duisteren kerker. Dikmaals onderhouden wij ons van dien berg, die onze voedsters altijd bij zich heeft.

106 Euripides is daar met ons, en Antifon, Simonides, Agathon en andere Grieken meer, die weleer zich het voorhoofd met laurieren omkransten.

109 Dààr ziet men van uwe persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia en Ismene zoo treurende als zij was.

112 Daar ziet men dengene, die de bron Langia wees; daar ziet men de dochter van Tiresias, en Thetis, en met hare zusters Deidamia.”

115 Toen zwegen alreeds beide de Dichteren, van nieuws erop gericht om rondom te kijken, bevrijd van het stijgen en van de wanden;

118 en reeds waren vier van de dienstmaagden des daags achter ons gebleven, en de vijfde was aan den disselboom, den gloeienden boog vast omhoog-richtende,

121 wanneer mijn Gids: „Ik geloof dat het ons voegt de rechter schouderen naar den rand te keeren, omgaande den berg gelijk wij plegen.”

124 Zóó was de gewoonte daar onze wegwijster, en we namen den weg met minder argwaan door het goedkeuren van die waardige ziel.

127 Zij gingen vóór, en ik alleen achter, en ik hoorde naar gesprekken van hen, die mij verstand tot dichten hadden gegeven.

130 Maar weldra verbrak de zoete redenen een boom, dien wij vonden halverwege, met appelen zoet en goelijk om te ruiken.

133 En gelijk een esscheboom naar omhoog afneemt van tak tot tak, zóó deze naar omlaag; ik geloof opdat niemand er op ga.

136 Aan die zijde, waar onze weg afgesloten was, viel van de rots een helder vocht en verspreidde zich boven over de bladeren.

139 De twee dichters naderden den boom; en eene stem binnen in het loover riep: „Met deze spijs zult gij zuinig zijn.”

142 Voorts zeide zij: „Meer dacht Maria, vanwaar de bruiloft eerlijk en volkomen zoude zijn, dan aan haar mond, die nu voor u voorspraak doet.

145 En de Romeinsche vrouwen van oudsher waren voor heur drinken tevreden met water en Daniël versmaadde de spijs en verkreeg wetenschap.

148 De eerste eeuw was zoo schoon als goud; ze maakte door honger de eikels smakelijk en door dorst nectar van elke beek.

151 Honig en sprinkhanen waren de gerechten, die den Dooper voedden in de woestijn; waardoor hij roemrijk is en zóó groot, als u door het Evangelie bekend is.”

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings