← Table of contents
Dante's Louteringsberg

ACHTTIENDE ZANG

H. J. Boeken translation

Door zijnen kweekeling ondervraagd, verklaart Virgilius de natuur der liefde, en hoe de ziel door de rede en den vrijen wil hare neigingen beheerscht. Voorts komt een drom van zielen die zich louteren van de traagheid, naderijlende den Dichteren te gemoet, en twee vóór de anderen herinneren voorbeelden van deugd, tegengesteld aan hunne zonde. De Abt van San Zeno kondigt onheilspellende weeën aan voor Alberto della Scala; en achter hem halen twee zielen eenige voorbeelden aan van de slechte uitwerkselen van traagheid. Zachtjes aan slaapt Dante in.

1 De hooge Leeraar had een einde aan zijne redeneering gemaakt, en aandachtig keek hij in mijn aangezicht of ik tevreden bleek.

4 En ik, wien nieuwe dorst nog stak, ik zweeg van buiten en zeide van binnen: „Wellicht wordt het te vele vragen, dat ik doe, hem lastig.”

7 Maar die waarheidlievende vader, die het beschroomde verlangen ontwaarde, dat niet werd geopenbaard, gaf, sprekende, mij moed tot spreken.

10 Waarom ik: „Meester, mijn zien verlevendigt zich dermate in uw licht, dat ik duidelijk onderscheide al wat uwe redeneering bevat of beschrijft:

13 waarom ik u bid, dierbare Vader, dat gij mij de Liefde verklaart, tot welke gij alle goed-doen en zijn tegen-deel herleidt.”

16 „Richt,” zeide hij: „naar mij de scherpe lichten van uw begrip, en u zal duidelijk worden de dwaling der blinden, die zich zelven tot gidsen maken.

19 De ziel, die geschapen is bereid tot beminnen, laat zich leiden tot elk ding, dat behaagt, zoodra zij door welgevallen is gewekt tot daad.

22 Uw begripsvermogen krijgt beeldingen van iets dat waarachtig is, en ontvouwt het binnen in u, zoodat de ziel er het aangezicht naar wendt.

25 En indien zij, daarop gericht, zich derwaarts neigt, dan is dat neigen liefde, dan is dat natuur, die door het welgevallen op nieuw zich in u bindt.

28 Voorts gelijk het vuur zich ten hoogen beweegt, door zijn vorm, die geboren is om te stijgen daarheen waar hij langer bij zijne grondstoffe volhardt;

31 zoo geraakt de [door liefde] bevangen ziel tot begeeren, hetwelk is een geestelijk bewegen; en zij rust niet, voordat het beminde voorwerp haar doet genieten.

34 Nu kan u blijken hoe zeer de waarheid verborgen is voor degenen, die beweren dat elke liefde een prijzenswaardig ding is;

37 omdat misschien hare grondstoffe altijd schijnt goed te zijn; maar niet elk stempelmerk is goed, hoe goed ook het lak zij.

40 „Uwe woorden en mijn volgzame geest,” antwoordde ik hem, „hebben mij de liefde ontdekt; maar dat heeft mij te meer met twijfel gedrenkt:

43 dat, indien liefde ons van buiten wordt geboden, en de ziel niet met anderen tred loopt, het niet háár verdienste is of zij recht of krom gaat.”

46 En hij tot mij: „Zoo verre rede hier ziet, kan ik het u zeggen; wat verder is, hetwelk een werk des geloovens is, verwacht dat van Beatrice.

49 Elke zelfstandige vorm, die onderscheiden is van de stof en er mede vereenigd is, heeft in zich vergaard een speciaal vermogen;

52 hetwelk zonder te werken niet wordt opgemerkt, en zich slechts toont door hetgeen het uitwerkt, gelijk het leven in de plant [zich vertoont] door de groene loovers.

55 Daarom, vanwaar het inzicht in de eerste begrippen komt, dat weet niemand, en de begeerte naar de eerst begeerde dingen,

58 welke in u zijn gelijk het instinkt in de bijen om haren honig te maken; en die eerste wil is niet onderhevig aan lof of blaam.

61 Dan, omdat aan dát vermogen elk ander vermogen verbonden is, is u dat vermogen aangeboren, dat beraadt en den drempel des toestemmens moet bezet houden.

64 Dat is het beginsel in u, waar men gelegenheid krijgt om zich verdienstelijk te maken, al naar het goede of slechte liefden toelaat of verwerpt.

67 Degenen, die, redeneerende, tot den bodem gingen, ontwaarden die aangeboren vrijheid; waarom zij der menschen wereld de zedelijkheid lieten.

70 Stellen we dus dat uit noodzaak elke liefde opstaat die binnen in u ontstoken wordt, dan is toch in u de macht die te weerhouden.

73 Met het edele vermogen bedoelt Beatrice den vrijen wil, dus geef acht dat gij dat in gedachte houdt, wanneer zij zich ertoe op maakt u daarvan te spreken.”

76 De maan, bijna tot middernacht verlaat, deed de sterren aan ons dunner-gezaaid toeschijnen, en was als een ketel die gansch gloeiend staat;

79 en zij liep tegen den hemel in, langs die banen, welke de zon in vlammen zet dan wanneer die van Rome haar zien tusschen Sardijnen en Corsicanen, daar zij ondergaat.

82 En die edele schimme, om wie Pietola meer dan de Mantuaansche stad wordt genoemd, had de vracht van mijn last afgelegd.

85 Waarom ik, die de opene en vlakke redeneering over mijne vragen had geoogst, stond als iemand, die al insluimerende zwijmelt.

88 Maar die slaperigheid werd me ontnomen—plotseling—door luiden, die reeds achter onze schouders op ons af waren gekomen.

91 En gelijk voorheen Ismenus en Asopus des nachts langs zich razernij en jacht zagen, altoos wanneer de Thebanen Bacchus van noode hadden;

94 zoo een laat langs dien ommegang haar sikkelvormigen gang gaan, [te oordeelen] naar hetgeen ik zag van hen die kwamen, wie het goede verlangen en de rechtmatige begeerte berijdt.

97 Dra waren zij bij ons, daar die gansche groote schare rennende aankwam; en twee voor-op schreeuwden weenende:

100 „Maria snelde met haast ten berge; en Caesar, om Ilerda te onderjukken, trof Marsilia en snelde toen in Spanje.”

103 „Snel, snel, dat de tijd niet verloren ga door te weinig liefde”, riepen die anderen achter; „daar ijver om goed te doen de genade doet hergroenen.”

106 „O lieden, in wie de heftige hittigheid thans vergeldt wellicht zorgeloosheid en traagheid door u uit lauwheid in het goeddoen bedreven,

109 deze, die leeft [en voorwaar ik bedrieg u niet] wil naar boven, zoodra de zon ons weder licht; daarom zegt ons waar de toegang dichtbij is.”

112 Dit waren de woorden: van mijnen Gids; en één van die Geesten zeide: „Kom achter ons, daar ge de opening vinden zult.

115 Wij zijn van verlangen om ons te bewegen zóó volle, dat stilstaan we niet kunnen; daarom vergeef, dat onze rechtvaardigheid boerschheid meebrengt.

118 Ik was abt in [het klooster van] San Zeno te Verona, onder de regeering van den goeden Barbarossa, van wien Milaan nog met droefenis praat.

121 En zoo één heeft reeds den éénen voet in het graf, die dra dat klooster zal beweenen, en treurig zal zijn daar macht te hebben gehad;

124 daar hij zijnen zoon, kwalijk van lijf, en meer nog van ziel, en kwalijk geboren, gezet heeft in de plaats van zijnen waarachtigen herder.”

127 Ik weet niet of hij meer zeide, of dat hij zweeg, zooverre reeds was hij ons voorbij geloopen; maar dát hoorde ik en dat vast te houden geviel mij.

130 En gene, die mij bij elk werk was te hulp gekomen, zeide: „Wend u daarheen, zie er getweeën komen, gevend der traagheid den beet.”

133 Zij riepen allen na: „Eer waren alle de lieden gestorven, voor wie de zee zich opende, dan dat de Jordaan zijne erven zag.

136 En die, die niet de moeienis droegen tot het einde met den zoon van Anchises, gaven zich zelven aan een leven zonder roem.”

139 Voorts wanneer die schimmen zóó verre van ons gescheiden waren, dat ze niet meer konden worden gezien, vestte zich een nieuw gedacht binnen in mij,

142 van welke weer andere en verschillende geboren werden, en zoozeer zwijmelde ik van de ééne naar de andere, dat de oogen uit welgevallen zich sloten,

145 en ik het gedacht in droomen veranderde.

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings