ACHT EN TWINTIGSTE ZANG
H. J. Boeken translation
Hier wordt met betooverende verwen geschilderd het gelukzalig verblijf, geboden door het aardsch Paradijs. Alighieri schrijdt daar eenigen tijd door voort, wanneer een stroompjen hem het verdergaan belet. Eene vrouwe van wonderlijke schoonheid vertoont zich hem aan den anderen kant, zij verklaart hem de gelegenheid der plaats en beantwoordt de door hem gestelde vragen.
1 Begeerig om alhaast van binnen en rondom het goddelijk woud te doorzoeken, dat dicht en levendig was, en voor de oogen den nieuwen dag matigde,
4 verliet ik zonder langer te wachten den zoom, langzaam aan den weg door het landschap nemende over den grond, die van allen kant geurde.
7 Een zacht koeltje, zonder verandering in zich te hebben, sloeg mij voor het voorhoofd, niet met meer slag dan liefelijke wind;
10 door hetwelk de looveren, snel trillende, alle negen naar die zijde, waar de heilige berg de eerste schaduw werpt;
13 niet daarom nog dat ze zoo recht-op gespreid werden dat de vogeltjes door hunne toppen aflieten van al hunne kunsten uit te oefenen,
16 maar met volle blijdschap ontvingen zij zingende de eerste uren binnen de looveren, welke bij hunne rijmen zulk een gegons aanhielden,
19 als dat, hetwelk van tak tot tak zich gaart door het pijnenwoud over het kustland van Classis, wanneer Aeolus den Sirocco naar buiten loslaat.
22 Reeds hadden de langzame voetstappen mij zooverre binnen in het oude woud gebracht, dat ik niet kon herzien van waar ik het binnen getreden was:
25 en zie, het verder gaan benam mij eene beek, die naar de slinker hand met hare kleine golfjes het gras neigde, dat op haar oever groeide.
28 Alle de wateren die daar ginds de zuiverste zijn, zouden schijnen de een of andere aanlenging in zich te hebben, vergeleken met dit, hetwelk niets verbergt,
31 hoewel het zich al donkerlijk voortbeweegt onder de gedurige schaduw, die daar nooit zon of maan toelaat te schijnen.
34 Met de voeten hield ik stand en met de oogen stak ik over naar gindsche zijde van het stroompje, om de groote bontheid der frissche meien te bewonderen:
37 en daar verscheen mij, zooals plotseling verschijnt een ding, dat door wonderbaarlijkheid al ander denken van den weg leidt,
40 eene vrouw in haar eentje, die ging al zingende en al plukkende bloem na bloem, met welke haar gansche weg beschilderd was.
43 „Ei, schoone vrouw, die aan de stralen der liefde u warmt, indien ik wil gelooven de verschijnselen, die plegen te zijn getuigenis van het hart;
46 kome u de wil u voorwaarts te bewegen,” zeide ik, „nader naar deze rivier, zoodat ik verstaan kunne dat wat gij zingt.
49 Gij doet mij gedenken waar en hoedanig-eene Proserpina was toen hare moeder haar en zij hare lente verloor.”
52 Zooals zich draait, met de voetzolen dicht bij de aarde en bij elkander gehouden, eene vrouw, die danst en nauwelijks den éénen voet voor den anderen zet;
55 draaide zij zich over de bloed-roode en de gele bloempjes te mij-waart, niet anders dan als eene maagd, die de eerlijke oogen nederslaat;
58 en zij maakte dat mijne beden bevredigd werden, zich zóó nabij mij begevend, dat het zoete geluid tot mij kwam mèt wat het beduidde.
61 Zoodra ik daar was, waar de gras-sprietjes reeds bespoeld worden door de golven van den schoonen stroom, deed zij mij het geschenk van de oogen op te slaan.
64 Ik geloof niet dat bij Venus zóóveel licht onder de wenkbrauwen schitterde, wanneer zij door haren zoon, gansch tegen diens gewoonte, [met een pijl] was getroffen.
67 Zij lachte nu recht-op gericht van den anderen oever, velerlei kleuren met hare handen hanteerende, welke de hooge aarde zonder zaad deed ontspruiten.
70 De stroom maakte ons drie passen van elkander verwijderd, maar de Hellespont, daar waar Xerxes er over trok, nog steeds toom aan alle menschelijke hoovaardijen,
73 werd niet meer gehaat door Leander, omdat hij golfde tusschen Sestos en Abydos, dan die rivier door mij, omdat zij zich toen niet voor mij opende.
76 „Gijlieden zijt hier nieuw, en misschien omdat ik lach,” zeide zij: „in deze plaats, voor het menschelijk geslacht uitverkoren tot zijn nest,
79 houdt u in uwe verwondering een argwaan; maar de psalm, „Want gij hebt mij verblijd,” geeft u licht, hetwelk uw verstand van den nevel kan bevrijden.
82 En gij, die vóór mij zijt en mij gebeden hebt, zeg of gij iets anders wilt hooren, opdat ik dadelijk kome tot alle vraag van u, zoodat ik u voldoe.”
85 „Het water,” zeide ik: „en het geluid van het woud bestrijden binnen in mij een nieuw geloof over eene zaak, die ik hoorde, tegengesteld aan deze.”
88 Waarop zij: „Ik zal zeggen hoe het voortkomt uit zijne oorzaak, dat, hetwelk u doet verwonderd zijn, en ik zal den nevel weg doen, die u verbijstert.
91 De hoogste Goedheid, die alleen aan zichzelve behaagt, heeft den mensch goed gemaakt; en zij gaf hem het goed van deze plaats tot pand van eeuwigen vrede.
94 Door zijn vergrijp woonde hij hier weinig tijd; door zijn vergrijp verkeerde hij in klacht en in verdriet eerlijk lachen en aangenaam spel.
97 Opdat de werveling, welke de uitwasemingen van het water en van de aarde beneden veroorzaken (die zooveel zij kunnen de warmte achterna gaan),
100 den mensch geenerlei warrigheid zoude maken, rees deze berg zooverre hemelwaarts en is hij vrij van daar af, waar hij gesloten wordt.
103 Daar nu in den ganschen omtrek de lucht draait met het eerste gewelf, indien haar de omgang niet op eenige plek is verbroken,
106 daarom treft op deze hoogte, die gansch los is in de levende lucht, zulk eene beweging het bosch en doet het ruischen daar het dicht is.
109 En de getroffen plant vermag zooveel dat zij met haar vermogen de lucht drenkt, en dat vermogen voorts ronddraaiende, rondstrooit.
112 En de overige aarde, naardat zij waardig is door zich zelve of door haar hemelstreek, ontvangt en brengt voort verscheiden gewas van verscheiden vermogen.
115 Voortaan zal het u dus niet meer verwonderlijk schijnen, nu gij dit gehoord hebt, wanneer eenige plant zonder zichtbaar zaad hier op-spruit.
118 En gij moet weten dat de heilige landouw, waarin gij zijt, van alle gewas vol is, en gewas in zich heeft dat aan gindsche zij niet geplukt wordt.
121 Het water, dat gij ziet, ontspringt niet van een ader, welken damp herstelt, door vorst bekeerd, zooals een stroom die buiten adem en bij adem komt;
124 Maar het komt uit een gestadige en zekere bron, die zooveel aan den wil van God ontneemt, als zij vergiet naar twee zijden open.
127 Naar deze zijde daalt het met een vermogen, dat iemand de heugenis der zonde ontneemt; naar de andere zijde, hergeeft zij die van alle goede daad.
130 Hier heet zij Lethe, en zoo aan de andere zijde Eunoë en zij werkt niet als zij niet van deze en van gene zijde geproefd is.
133 Alle andere smaken gaat zij te boven. En hoewel uw dorst genoegzaam kan verzadigd zijn, zoodat ik u niet meer ontvouwe,
136 zal ik u uit gevalligheid nog een kransje geven; en ik geloof dat mijn spreken u niet minder lief zal zijn, indien het boven belofte met u weiden gaat.
139 Diegenen die van oudsher dichtten van de Gouden Eeuw en haren gelukkigen staat, droomden die plaats wellicht op den Parnas.
142 Hier was de menschelijke oorsprong onschuldig; hier is altijd lente en hier is alle gewas; dit is de nectar, waarvan ieder spreekt.”
145 Toen wendde ik mij ganschelijk achter-om naar mijne dichters, en ik zag dat zij met een lach de laatste uitlegging hadden vernomen.
148 Voorts keerde ik het gezicht naar de schoone vrouw.

