NEGENDE ZANG
H. J. Boeken translation
De Dichter, ingeslapen zijnde, heeft tegen den morgen eenen droom; als hij daaruit ontwaakt, bevindt hij zich met Virgilius vóór de Poort van de eigenlijke plaats der Loutering, welke hij door den haar bewakenden engel wordt binnengelaten.
1 De bijzit van den ouden Tithonus schemerde reeds aan de Ooster-kim, [opgerezen] uit de armen van haren zoete-lief:
4 haar voorhoofd was lichtend van edel-gesteenten, die gezet waren naar de teekening van dat kille dier, dat met den staart de volkeren slaat:
7 en de nacht had van de schreden, waarmede zij stijgt, er twee gedaan op de plaats, waar wij waren, en de derde neeg reeds de vleugelen naar beneden,
10 wanneer ik, die met mij had van dat van Adam, verwonnen van den slaap, mij op het gras neeg, daar waar wij reeds alle vijf gezeten waren.
13 Op de ure dat de zwaluw haar droeve zangen begint dicht bij den morgen, wellicht ter gedachtenis van hare eerste weeën,
16 en dat onze geest, meer vervreemd van het vleesch, en minder door gedachten ingenomen, in zijne gezichten bijna profetisch is;
19 was het mij in den droom of ik eenen adelaar zag, hangend in den hemel op gouden pennen, met de vlerken geopend, en bereid om zich neder te laten:
22 en het docht mij dat ik dáár was, waar de zijnen door Ganymedes verlaten werden, daar hij ter hoogste vergadering getogen werd.
25 Bij mij-zelven dacht ik: wellicht loert deze steeds hier uit gewoonte en wellicht gewaardigt deze zich niet van een andere plaats iets mede te nemen in zijne klauwen.
28 Voorts docht me dat hij, na eerst nog een weinig in den ronde gewield te hebben, verschrikkelijk als een bliksem nederdaalde en mij naar boven haalde tot aan het vuur.
31 Daar docht me dat hij en ik brandden, en zoo stak mij de verbeelde brand, dat het geviel dat de slaap verbroken werd.
34 Niet anders huiverde Achilles, de ontwaakte oogen in een kring rond-bewegende, en niet wetende waar hij was,
37 wanneer zijne moeder hem, slapende in hare armen, van Chiron wegvoerde naar Scyrus, daar van waar voorts de Grieken hem deden heengaan;
40 als ik huiverde, mèt dat de slaap mij van het aangezicht vluchtte, en ik werd bleek, gelijk de mensch wordt, die ontsteld ijst.
43 Alleen mijn trooster was mij ter zijde, en de zon was reeds hooger dan twee uren, en mijn gezicht was naar de zee toe gewend.
46 „Heb geen vrees,” zeide mijn Heer: „stel u gerust, daar wij op een goede plaats zijn, wil alle kracht niet benauwen maar verruimen.”
49 „Thans zijt gij aan het oord der Loutering gekomen. Zie daar den rand, die het van rondom sluit; zie daar den ingang waar die rand open schijnt.
52 Zoo-even in den dageraad, die den dag vóórgaat, wanneer uwe ziel binnen-in u sliep op de bloemen, waarmee de grond daar beneden is getooid,
55 kwam eene vrouw, en zeide: „Ik ben Lucia; laat mij hem opnemen, die daar slaapt, aldus zal ik hem bekwamen tot zijnen weg.”
58 Sordello bleef achter, en ook de andere edele gestalten; zij nam u op, en mèt dat het helder dag was, ging zij opwaarts, en ik in hare voetstappen.
61 Hier legde zij u neer: en eerst wezen hare schoone oogen mij dien open ingang; voorts gingen zij en uw slaap teffens weg.”
64 Op de wijze van een mensch, die in twijfel zich voelt gerust gesteld, en die zijn vrees in welgemoedheid verandert, wanneer de waarheid hem ontdekt is,
67 zoo verkeerde ik; en wanneer mijn Gids mij onbezorgd zag, bewoog hij zich voort over den rand, en ik achter hem naar de hoogte.
70 Lezer, gij ziet wel hoe ik mijne stoffe verhoog, dies verwonder u niet zoo ik haar met meer kunst versterk.
73 Wij naderden, en wij waren op eene plaats zóó dat ik daar, waar mij eerst docht een kloof te zijn, gelijk een spleet die een muur deelt,
76 eene poort zag, en drie treden daaronder om tot haar te komen, van kleur verscheiden, en eenen poortwachter, die tot nog toe geen woord zei.
79 En naar gelang ik meer en meer het oog er op opende, zag ik hem zitten boven op de bovenste trede, zoodanig in het aangezicht, dat ik het niet verdroeg:
82 en een ontbloot zwaard had hij in de hand, dat de zonnestralen zoozeer te ons-waart weerkaatste, dat ik vele malen den blik vergeefs op hem richtte.
85 „Zegt gij mij daar: wat wilt gij?” begon hij te zeggen: „waar is uw geleide? Ziet toe dat het boven-komen u niet schade.”
88 „Eene vrouw uit den Hemel, van deze dingen wel-onderricht,” aldus antwoordde hem mijn Meester, „zeide zooeven tot ons: „Gaat daarheen, daar is de poort.””
91 „En zij moge te goeder ure u uwe schreden voorwaarts doen richten,” herbegon de hoofsche portier: „nadert dus tot onze trappen.”
94 Daar kwamen wij; en de eerste trede was wit marmer, zóó glad-gewreven, dat ik er mij in spiegelde gelijk ik verschijn.
97 De tweede, donkerder dan donker paars, van een ruw en branderig steen over lang en over dwars gebarsten.
100 De derde, die het bovenst opgestapeld lag, docht mij van een zoo vlammend porphier, als bloed, dat uit een ader spuit.
103 Boven op deze hield de Engel Gods beide de voetzolen, zittende op den dorpel, die mij scheen van diamant.
106 Over de drie treden trok mijn Gids mij, die vol ijver was, en hij zeide: „Vraag nederig dat hij het slot ontgrendele.”
109 Deemoedig wierp ik mij aan de heilige voeten: erbarmen vroeg ik, en dat hij me opendeed; maar te voren gaf ik mij drie slagen op de borst.
112 Zeven P's schreef hij mij op het voorhoofd met de spits van het zwaard, en: „Maak dat gij, wanneer gij binnen zijt, u deze wonden afwascht,” zeide hij.
115 Asch of aarde, die droog opgegraven wordt, mocht wel van éénzelfde kleur zijn als zijn kleedij en van onder deze bracht hij twee sleutelen te voorschijn.
118 De ééne was van goud, en de andere was van zilver; eerst met de witte en voorts met de gele deed hij aldus aan de poort, dat ik tevreden was.
121 „Telkens wanneer één van deze sleutelen faalt, daar zij niet recht in het sleutelgat gestoken wordt,” zeide hij tot ons: „dan gaat de poort niet open.
124 Kostbaarder is de ééne; maar de andere wil meer kunst en vernuft voordat zij opent, daar zij het is, die den knoop ontknoedelt.
127 Van Petrus heb ik ze;” en hij zeide mij dat ik liever moest dwalen door haar te openen dan door haar dicht te houden, zoo maar de luiden zich voor mij ter aarde werpen.
130 Voorts stiet hij de heilige deur open, zeggende: „Treedt binnen; maar ik maak u opmerkzaam, dat hij naar buiten terugkeert, die terugziet.”
133 En toen in de scharnieren de spillen van die heilige deur waren omgedraaid, die van metaal zijn, dreunend en zwaar,
136 niet loeide de Tarpejische rots aldus noch toonde zij zich zóó toornig, wanneer haar de goede Metellus werd ontnomen, waardoor zij voortaan ledig bleef.
139 Ik richtte mij aandachtig naar den eersten donder, en „Te Deum laudamus” docht ik mij te hooren in zang-stem gemengd met de zoete muziek.
142 Juist zulk eene verbeelding gaf mij dat wat ik hoorde, als men gewoon is te krijgen, wanneer men staat te zingen met het orgel:
145 zoodat men dàn wel dàn niet de woorden verstaat.

