VIJFTIENDE ZANG
H. J. Boeken translation
Van den tweeden ommegang naar den derden.
Bij het vallen van den avond komen de Dichters daar waar men van den tweeden ommegang opgaat tot den derden.
Op aanduiding van den Engel gaan zij op langs de trap; ondertusschen vraagt Dante den Meester verklaring van hetgeen hij gehoord heeft van Guido del Duca. Wanneer zij aan den rand gekomen zijn, geraakt Dante in verrukking en ziet als tegenwoordig eenige oude daden van merkwaardige zachtmoedigheid. Hij keert weder tot zijne zinnen en wordt van lieverlede gewikkeld in een dikken rook, die hem geheel het gezicht beneemt.
1 Hoeveel tusschen het einde van de derde ure en het begin van den dag schijnt afgelegd van dien kring, die altijd speelt als een kind,
4 zóóveel van zijnen loop scheen er te avondwaart nog overig te zijn voor de zon: dáár was het avond en hier middernacht.
7 En zijne stralen sloegen ons midden op den neus, omdat wij zóó [ver] den berg waren omgeloopen, dat wij reeds recht op het Westen aangingen,
10 wanneer ik bemerkte dat mij het voorhoofd meer dan te voren werd bezwaard door den gloed, en tot verbazing werden mij de niet gekende dingen:
13 waarom ik mijne handen hief tot boven mijne wenkbrauwen, en ik maakte mij een zonnescherm, dat als een vijl afneemt van de overmaat van licht.
16 Gelijk de straal door het water of door den spiegel naar de tegenovergestelde zijde opspringt, uitvallende met den zelfden hoek,
19 waarmede hij invalt, en op gelijken afstand evenveel afwijkt van de loodlijn, zooals ondervinding en kunst het [ons] leeren;
22 zoo scheen het mij toe dat ik getroffen werd door licht, dat daar vóór mij werd weerkaatst; waarom mijne oogen zich haastten het te ontvluchten.
25 „Wat is dat, zoete vader, waartegen ik mijn oog niet zoo [zeer] kan beschutten dat het mij baat,” zeide ik: „en schijnt te-ons-waart te zijn bewogen?”
28 „Verwonder u niet als de dienaars-stoet des Hemels u nog verblindt,” antwoordde hij mij: „Gezonden is hij, die gekomen is om den mensch tot stijgen te nooden.
31 Weldra zal het gebeuren dat zulke dingen te zien u niet zwaar zal vallen, maar u geneugt zal zijn, naar mate uw aard u beschikt om het [te meer] te gevoelen.”
34 Nadat wij tot den gebenedijden Engel waren gekomen, zeide hij met blijde stem: „Komt hier binnen, tot eene trap, veel minder steil omhoog gaande dan de andere.”
37 Wij stegen op, reeds van daar verscheiden, en: „Beati Misericordes” werd achter ons gezongen, en: „Verheug u gij die overwint.”
40 Mijn meester en ik, wij gingen samen alleen opwaart en ik dacht al gaande voordeel te winnen in zijne woorden:
43 en ik richtte mij tot hem, aldus vragende: „Wat wilde de geest [van dien] van Romagna zeggen, gewagende van gemeenschap en van zich te ontzeggen?”
46 Waarom hij tot mij: „Van zijn grootste feil kent hij de schade; en daarom verwondere men zich niet zoo hij haar [den menschen] verwijt, opdat men hier te minder haar beweene.
49 Omdat uwe begeerten zich op dátgene spitsen, waarvan door deelgenootschap elk deel kleiner wordt, beweegt afgunst den blaasbalg voor de zuchten.
52 Maar indien de liefde tot de hoogste sfeer uwe begeerte naar boven trok, dan zoudt gij niet in de borst die vrees hebben:
55 want hoe meer dát het onze wordt genoemd, des te meer goed bezit ieder en des te meer liefde brandt in dat klooster.”
58 „Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder,” zeide ik: „dan indien er tot mij gezwegen ware, en meer twijfel heb ik in mijne ziel.
61 Hoe kan het zijn, dat een goed, verdeeld zijnde, het grootere aantal bezitters rijker maakt aan zich dan wanneer het door weinigen wordt bezeten?”
64 En hij tot mij: „Omdat gij maar stadig den geest richt op de aardsche zaken, gaart gij duisternis uit het waarachtig licht.
67 Dat oneindig en onuitsprekelijk goed, dat daarboven is, snelt op dezelfde wijze naar de liefde, als een straal komt naar een spiegelend lichaam.
70 Zoo veel gloed wordt daar [terug]gegeven als daar gevonden wordt: zoodat hoever ook barmhartigheid zich uitstrekke, het eeuwig [liefdes]-vermogen daarover zich uitbreidt.
73 En hoe meer luiden elkander daarboven verstaan, te meer goeds valt daar te beminnen en te meer wordt daar bemind, en als een spiegel kaatst de één den ander weer.
76 En zoo mijne rede u niet verzaadt, Beatrice zult gij zien, en die zal u ten volle deze en elke andere begeerte ontnemen.
79 Dan verjaag, opdat ze spoedig, gelijk reeds de twee litteekenen zijn uitgewischt, de vijf litteekenen, die zich sluiten door pijnlijk te zijn.”
82 Met dat ik zeggen wilde: „Gij stelt mij gerust!” zag ik mij gekomen tot den volgenden ommegang, zoodat mijne begeerige oogen mij deden zwijgen.
85 Daar scheen ik mij toe plotseling getrokken te zijn tot een gezicht in verrukking, en in eenen tempel meerdere personen te zien;
88 en dat eene vrouw aan den ingang, met het zoet gebaren eener moeder, zeide: „Mijn zoon, waarom hebt gij aldus jegens ons gedaan?
91 Zie, in smarte hebben wij, uw vader en ik, u gezocht.” En toen het daar stil werd, verdween dat wat het eerst verscheen.
94 Daarop verscheen mij een andere vrouw, met dát water op de wangen, dat de smart ontperst, wanneer die door groote minachting van eenen anderen geboren wordt,
97 en dat zij zeide: „Zoo gij heer zijt van die Stad, over welker naam tusschen de goden zoo groote strijd was en van waar alle wetenschap als licht uitstraalt,
100 neem wrake op die overmoedige armen, die onze dochter omarmden, o Pisistratus.” En de heer scheen mij toe welwillend en zachtaardig
103 met vredig gelaat haar te antwoorden: „Wat zouden wij doen hèm die ons kwaad toewenscht, zoo degene die ons bemint, door ons wordt veroordeeld?”
106 Voorts zag ik luiden in vuur van toorn ontbrand, met steenen eenen jonkman dooden, die elkanderen vast luide toeriepen: „Sla dood, sla dood.”
109 En hem zag ik door den dood, die reeds op hem woog, zich ter aarde buigen, maar zijne oogen maakte hij altijd tot poorten voor den hemel;
112 biddende tot den hoogen Heer in zoo groote benauwenis, dat Hij zijnen belagers vergave, met dien blik, die het mededoogen ontgrendelt.
115 Wanneer mijne ziel wederkeerde naar buiten naar de dingen, die waarlijk buiten haar zijn, ik erkende mijne niet valsche dwalingen.
118 Mijn gids, die mij kon zien doen zóó gelijk een mensch die zich losmaakt van den slaap, zeide: „Wat hebt gij dat gij u niet kunt houden?
121 Maar gij zijt meer dan een halve mijl gekomen, de oogen luikende, en met de beenen gekromd, naar de wijze van éénen, wien wijn of slaap nederbuigt.”
124 „O zoete vader mijn, zoo gij naar mij luistert, zal ik u zeggen,” zeide ik: „dat wat mij verscheen, wanneer mij [het gebruik der] beenen aldus was ontnomen.”
127 En hij: „Zoo gij honderd mommen hadt over het aangezicht, ook dan zouden uwe gedachten, hoe klein ook, mij niet gesloten zijn.
130 Dat wat gij zaagt was opdat gij u niet zoudt verontschuldigen het hart te openen voor de wateren des vredes, die uit de eeuwige bron worden vergoten.
133 Ik vroeg niet: „Wat hebt gij?” om die [reden], die hèm doet vragen, die nog slechts ziet met het oog, dat niet [meer] ziet, wanneer het lichaam ligt ontzield.
136 Maar ik vroeg [het u] om u kracht aan de voeten te geven. Zoo voegt het de luien aan te porren, die traag zijn om hunne wake te gebruiken, wanneer die wederkeert.”
139 Wij gingen verder door den avond, aandachtig uitkijkend, zooverre onze oogen konden reiken, tegen de avondlijke en lichtende stralen,
142 en zie bij beetjen en beetjen aan nadert ons daar een rook, donker als de nacht en er was geen plaats om dien te ontwijken:
145 en hij ontnam ons de oogen èn de zuivere lucht.

