← Table of contents
Dante's Louteringsberg

TIENDE ZANG

H. J. Boeken translation

Eerste ommegang van den Louteringsberg

Op den eersten ommegang gekomen, zien de beide Dichters de in marmer gehouden tafereelen der deemoedigheid (1–96), daarna de schimmen, die boete doen voor hoovaardigheid.

1 Toen wij waren binnen den dorpel van de poort, welken de kwade begeerte der zielen in onbruik brengt, daar zij den krommen weg recht doet schijnen,

4 hoorde ik haar dreunende gesloten worden: en zoo ik de oogen naar haar gericht hadde, welke waardige verontschuldiging ware er geweest voor de feil?

7 Wij stegen door een gespleten rots, die zich dan naar dezen dan naar dien kant bewoog, gelijk de golf, die vlucht en naderkomt.

10 „Hier voegt het een weinig kunst te gebruiken,” begon mijn Gids: „om dan hier dan ginds den wand te naderen, die wijkt.”

13 En dat maakte onze schreden zoo schaarsch, dat de donkere helft der maan aan hare legerstede kwam om zich ter ruste te begeven,

16 voordat wij buiten die kloof waren. Maar wanneer wij vrij en open waren, daar boven-op, waar de berg zich van achteren weer sluit,

19 toen stonden wij, ik vermoeid, en beiden onzeker over onzen weg, stil boven op een vlak, meer eenzaam dan wegen door woestijnen.

22 De ruimte van den rand, waar die het ledige begrenst, tot aan den voet van den hoogen rotswand, die staeg rijst, zou in drie malen het lichaam van een mensch hebben gemeten:

25 en zoover mijn oog de vleugelen kon spannen, ter linker en ter rechter zijde, docht mij die kornis aldus te zijn.

28 Nog hadden onze voeten zich niet daar boven op bewogen, wanneer ik gewaar werd dat die rots-rand in den ronde, die niet in rechte richting bestegen kan worden,

31 van wit marmer was, en dèr-wijze gesierd met er in uitgehouwen beeldwerk, dat niet maar Polycletus maar ook Natuur daarvoor had moeten onderdoen.

34 De Engel, die op aarde kwam met de Boodschap van den vele jaren met tranen afgebeden vrede, welke den Hemel opende na het lange verbod,

37 verscheen voor ons, waarachtig daar uitgehouwen, met zoo vredig gebaar, dat hij geen beeld scheen, dat zwijgt.

40 Men zou gezworen hebben dat hij zeide: „Wees gegroet!” omdat daar uitgebeeld was Degene, die de sleutels omdraaide om de hooge Liefde te openen.

43 En in haar doen drukte zij zoo eigenlijk deze woorden uit: „Zie hier uwe Dienstmaagd,” als waren het letters, gestempeld in lak.

46 „Houd toch niet op ééne plaats de aandacht gericht,” zeide mijn zoete Meester, die mij had aan dien kant, aan welken de mensch het hart heeft:

49 waarom ik mij draaide met den blik, en ik zag achter Maria, naar dien kant, waaraan degene was die mij aanporde,

52 een andere historie in de rots gebeeld: waarom ik Virgilius voorbij-trad, en mij er dichter bij bracht opdat het me beter onder de oogen kwam.

55 Daar waren in het marmer uitgehouwen de wagen en de ossen, trekkende de heilige Ark, door welke men zich schroomt voor niet toevertrouwden dienst.

58 Daarvoor vertoonden zich lieden; en die allen, verdeeld in zeven koren, deden van twee van mijne zinnen den éénen zeggen: „zij zingen,” den anderen: „zij zingen niet.”

61 Evenzeer aangaande den rook der wierookvaten, die daar was afgebeeld, geraakten de oogen en de neus over het al of niet branden in tweedracht.

64 Daar ging, opgeschort dansende, de nederige Psalmist de gebenedijde Bondskist vóór, en was in dat geval tegelijk meer en minder dan Koning.

67 Tegenover hem, aan het venster van een groot paleis, keek Michal, gelijk een minachtende en verdrietige vrouw.

70 Ik verzette de voeten van de plaats waar ik stond, om van dichte-bij een andere historie te bezien, welke achter Michal in wit steen zich mij vertoonde.

73 Daar was getafereeld de hooge glorie des Romeinschen vorsten, wiens groote deugd Gregorius prikkelde tot zijn groote overwinning:

76 van Trajanus den Keizer, spreek ik: en een weeuwtjen was hem aan den toom, ontdaan door tranen en door smart.

79 Rondom haar scheen het stampvol van ruiteren, en de adelaren van goud bewogen zich boven hen zichtbaar op den wind.

82 Het rampzalig vrouwtje scheen te midden van deze allen te zeggen: „Heer, wreek mij mijnen zoon, die gedood is, dies ik treur.”

85 En gene [scheen] haar te antwoorden: „Dan wacht totdat ik keere.” En zij: „Heer mijn,” gelijk een mensch in wien de smart ongeduldig wordt:

88 „Zoo gij niet keert?” En hij: „Wie dàn zit, waar ik nù, zal het u doen.” En zij: „De goede daad des anderen, wat baat die u, zoo gij uw plicht verzaakt?”

91 Waarop hij: „Dan troost u, daar het voegt dat ik mij kwijte van mijn plicht, voor ik uittrekke: Gerechtigheid wil 't en plichtsbesef houdt mij terug.”

94 Degene, die nooit nog iets nieuws gezien heeft, bracht dat zichtbare spreken voort, nieuw voor ons, daar het hier niet gevonden wordt.

97 Terwijl ik mij verlustigde met het aanschouwen der tafereelen van zoo groote deemoedigheden, wier aanblik mij ook lief was om der wille van hunnen Maker;

100 toen fluisterde de Dichter: „Zie van ginds komen, maar met schaarsche treden, vele luiden: zij zullen den weg wijzen tot de hoogere ommegangen.”

103 Mijne oogen, die bezig gehouden werden door de aanschouwing, om het nog nooit geziene te zien, waarnaar zij zoozeer verlangend zijn, waren niet traag om zich naar hem te keeren.

106 Ik wil niet, lezer, dat gij daarom aflaat van goede voornemens, wanneer gij hoort hoe God wil dat de schuld geboet wordt.

109 Let niet op den vorm van het martelen: let op hetgeen erop volgt; bedenk dat, in het ergste geval, het niet kan duren ginds van het groote Oordeel.

112 Ik begon: „Meester, dat wat ik te-ons-waart zie bewegen, schijnen mij niet personen: ik en weet niet wat; zoo machteloos ben ik in het zien.”

115 En hij tot mij: „De zware gesteldheid van hunne foltering doet ze zich ter aarde buigen, zóódat mijne oogen er eerst door te strijden hadden.

118 Maar houd den blik daarop gericht, en ontbolster met den blik dat wat daar onder rotsblokken naderkomt: reeds kunt gij ontwaren hoe ieder gedrukt wordt.”

121 O trotsche Christenen, rampzalig neergedrukten, die, zwak met de oogen des geestes, vertrouwen hebt op de rugge-waartsche schreden,

124 beseft gij niet, dat wij wormen zijn, geboren om den engel-gelijken vlinder te vormen, die ter rechtvaardigheid vliegt zonder omhulling?

127 Waarop gaat uwe ziel hoovaardig als een haan? Gij zijt als insecten in onvolkomenheid, gelijk rupsen, in welke de formatie nog ontbreekt.

130 Gelijk, om vloer of dak te stutten, men menig malen tot stut een [menschelijke] gedaante ziet, wie de knieën tegen de borst komen,

133 hoedanig eene over het niet-ware ware droefenis doet opkomen bij wie het ziet; zoo zag ik ze, toen ik ze wèl beschouwde.

136 Waar is dat ze meer of min samengetrokken waren, naarmate ze meer of minder op den rug hadden; en hij, die het meeste geduld in het voorkomen had,

139 scheen weenende te zeggen: „Ik kan niet meer.”

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings