← Table of contents
Dante's Louteringsberg

ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

De Engel, die den toegang bewaakt, waarschuwt de Dichters dat om te stijgen ze door de vlammen moeten gaan. Bij deze aankondiging wordt Alighieri ontsteld en weifelt, totdat hij, door den Meester getroost, den doortocht doet. Op de trap overvalt hen bijna plotseling de nacht. Dante slaapt in en heeft een droom-gezicht. Wanneer hij met den dag den tocht hervat heeft, komt hij aan het aardsche Paradijs, waar Virgilius hem zegt dat nu zijn taak is volbracht en dat hij hem van nu aan zijn eigen heer laat zijn.

1 Gelijk wanneer de Zon hare eerste stralen drilt, daar waar haar Maker zijn bloed vergoot, terwijl de Ebro onder de hooge Weegschaal valt,

4 en de wateren van den Ganges door den noen worden geschroeid, zóó stond de Zon; waarom de Dag wegging, wanneer de Engel Gods blijde ons verscheen.

7 Buiten de vlam stond hij op den rand, en zong: „Zalig de reinen van harte,” in stemme veel meer levend dan de onze.

10 Voorts: „Verder gaat men niet, zoo niet te voren, o heilige zielen, het vuur u bijt; treedt er binnen, en weest niet doof voor het zingen van ginds,”

13 sprak hij tot ons, toen wij hem nabij waren; waardoor ik zoo werd, toen ik hem verstond, als degene is, die in den kuil wordt gelegd.

16 De gevouwen handen opheffende, strekte ik mij naar voren, ziende naar het vuur en mij heftig verbeeldende menschelijke lichamen, die ik wel eens in brand gestoken had gezien.

19 Tot mij wendden zich mijne goede geleiders en Virgilius zeide tot mij: „Zoon mijn, hier kan marteling zijn, maar geen dood.

22 Herinner u, herinner u.. en, zoo ik boven op dien Gerion u veilig heb geleid, wat zal ik doen nu ik ben veel nader bij God?

25 Geloof voorzeker dat, al stondt ge binnen de bedding van dit vuur wel duizend jaren, het u niet één haar kaler konde maken.

28 En zoo gij wellicht geloovet dat ik u bedriege, maak u op tot de vlam, en laat het u bewijzen met uwe handen aan den zoom van uwe slippen.

31 Leg af van nu, leg af alle vreeze: keer u ginds heen en kom onbezorgd tot den overkant.” En ik [bleef] stil, ook tegen [beter] weten.

34 Toen hij mij nochtans zag blijven staan, stil en onbewegelijk, [toen] een weinig onthutst, zeide hij: „Nu zie, zoon, tusschen Beatrice en u is deze muur.”

37 Gelijk bij den naam van Thisbe Piramus vlak voor den dood de oogleden opende en naar haar keek, ten tijde dat de moerbei bloedrood werd;

40 alzoo, toen mijne hardheid zacht was gemaakt, keerde ik mij tot den wijzen Gids, den naam hoorende, die altijd in mijnen geest weerbaûwt.

43 Waarom hij het hoofd schudde en zeide: „Hoe nu, willen we hier blijven?” Dan glimlachte hij, gelijk men tot het kindje doet, dat zich laat winnen door den appel.

46 Voorts binnen-in het vuur vóór mij begaf hij zich, Statius verzoekende achter aan te komen, die eerst op langen weg ons [beiden] scheidde.

49 Toen ik er in was, zoude ik mij in kokend glas geworpen hebben om mij te verfrisschen, zóó mateloos was daar de brand.

52 De zoete vader mijn, om mij te troosten, ging steeds voort sprekende van Beatrice, zeggende: „'t Is me of ik reeds haar oogen zag.”

55 Ons geleidde eene stemme, die zong van ginds; en wij steeds oplettende op haar, kwamen er uit daar waar men opging.

58 „Venite, benedicti Patris mei,” klonk het binnen in een licht, dat dáár was, zoo sterk dat het mij verwon en ik het niet kon zien.

61 „De zon gaat henen,” voegde hij er aan toe: „en de avond komt; houd u niet op, maar versnel den pas, terwijl het Westen nog niet zwart wordt.”

64 Recht steeg de weg binnen de rots, naar zoodanig een kant dat ik vóór mij wegnam de stralen der zon, die reeds laag was.

67 En van weinig treden namen wij de proef, wanneer ik en mijne wijzen gewaar werden aan de schaduw, die uitdoofde, dat de zon achter ons zonk.

70 En voor in alle zijne onmetelijke deelen de horizont van éénen aanblik was geworden, en de Nacht over alles was verdeeld,

73 had elk van ons van eene trede zich een bed gemaakt, daar de aard van den berg ons meer het vermogen dan het geneugt tot stijgen had benomen.

76 Gelijk de geiten al herkauwende mak worden, die snel en dartel waren op de toppen, voor zij hebben gevroegmaald,

79 zwijgende in de schaduw, terwijl de zonne brandt, gehoed door den herder, die op den staf zich heeft geleend, en hen van rust dient;

82 en gelijk de kudde-hoeder, die buiten huist, en bij zijn vee rustig overnacht, wakende dat geen wild dier ze verstrooie;

85 zóó waren wij gedrieën alstoen, ik als geitje en zij als herderen, ommuurd van hier en ginds door de grot.

88 Weinig kon daar zichtbaar worden van buiten; maar dóór dat weinige zag ik de sterren meer dan naar hunne gewoonte helder en groot.

91 Aldus herkauwende en gene [de starren] bespiedende, vatte mij de slaap; de slaap die vele malen, eer het feit bestaat, de nieuwstijdingen weet.

94 In de ure, geloof ik, dat uit het Oosten het eerst op den berg straalde Cytherea, die van minnevuur altijd brandende schijnt,

97 docht ik mij jong en schoon in den droom eene vrouw te zien gaan door eene landouw, bloemen plukkende; en zingende zeide zij:

100 „Hij wete, wie ook naar mijnen naam mocht vragen, dat ik Lea ben en ga bewegende in het rond de schoone handen om mij eenen bloemslinger te maken.

103 Om mij zelve in den spiegel te gevallen sier ik mij hier; maar mijne zuster Rachel gaat nooit van haren spiegel, maar zit den ganschen dag.

106 Zij is om hare eigene schoone oogen te zien zóó begeerig, als ik om mij te tooien met mijne handen; haar geeft het zien, mij het arbeiden den vrede.”

109 En reeds, door de glanzen die komen voor het licht, die den te beê-vaart-gaanden zóóveel te aangenamer rijzen, als zij, weerkeerende, minder verre vernachten,

112 vluchtten de duisternissen van alle kanten, en mijn slaap met haar; waarom ik oprees, ziende de groote Meesters reeds gerezen.

115 „Die zoete appel, welken door zoovele takken zoekende gaat de zorg der stervelingen, zal heden uwen honger te vrede stellen.”

118 Virgilius gebruikte te mij-waart zoodanige woorden, en nooit waren er lekkernijen, die aan gene gelijk waren om te behagen.

121 Zóó groote begeerte boven begeerte kwam mij om boven te zijn, dat ik bij elke schrede voortaan als om te vliegen mij de vleugelen voelde wassen.

124 Toen de gansche trap onder ons was afgeloopen, en wij op de bovenste trede waren, vestte Virgilius zijne oogen op mij,

127 en zeide: „Het tijdelijk vuur en het eeuwige, hebt gij gezien, Zoon, en zijt gekomen in een deel waar ik uit mijzelven niet verder onderscheide.

130 Getrokken heb ik u hierheen met verstand en met kunst; neem alsnu uw eigen wèlgevallen als leids-man; gij zijt buiten de steile wegen, buiten de enge.

133 Daar zie de Zon, die u op het vóórhoofd licht; zie het kruid, zie de bloemen, de boomkens, welke deze grond alleen uit zich zelven voortbrengt.

136 Terwijl blijde [tot u] komen de schoone oogen die, weenende, mij tot u deden komen, kunt gij zitten en tusschen dezen henengaan.

139 Wacht noch mijn zeggen meer, noch mijne aanwijzing: vrij, recht, gezond is uwe keuze: en falen ware het, niet te doen naar zij verkiest;

142 waarom ik u over u zelven kroon met kroon en mijter.”

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings