← Table of contents
Dante's Louteringsberg

NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Terwijl de Dichter voortgaat langs de rivier, met gelijken tred de Vrouwe volgende, die aan gene zijde der rivier is, wordt hij door haar gemaand aandachtig te zijn; en zie, plotseling doorloopt een glans het woud èn eene zoete melodie; waarop volgt een schouwspel vol wonder en mysterie.

1 Zingende als eene Vrouwe, die verliefd is, vervolgde zij om hare woorden te eindigen: „Gelukzalig degenen, wier zonden verborgen zijn.”

4 En als nimfen, die eenzaam gaan door de woudschaduwen, begeerende dezen om de zon te ontvluchten, genen om haar te zien,

7 bewoog zij zich stroom-op-waarts, gaande op den oever en ik gelijkelijk met haar, haar kleine schrede met kleine schrede volgende.

10 Nog waren er geen honderd schreden bij elkaar door haar en mij afgelegd, wanneer de oevers gelijkelijk eene zwenking maakten, derwijze dat ik mij naar het Oosten begaf.

13 Noch ook zóó was onze weg lang, wanneer de Vrouwe zich gansch te mij-waart keerde, zeggende: „Broeder mijn, schouw en luister.”

16 En zie, plotseling liep een luister van alle kanten door het groote woud, zóódat het mij in vermoeden bracht dat het bliksemde.

19 Maar omdat het bliksemen, gelijk het kwam, bleef en het, durende, meer en meer straalde, zeide ik in mijne gedachte: „Wat is dit?”

22 En eene zoete melodie liep door de lichtende lucht: waarom goede ijver mij deed laken de vermetelheid van Eva,

25 die dáár, waar hemel en aarde gehoorzaam was, zij de eenige vrouw, en wel zoo even geschapen, 't niet gedroeg onder eenigen sluier te blijven:

28 onder welken ik, als zij onderdanig ware geweest, die onuitsprekelijke geneugten hadde gevoeld voormaals, en voorts in eeuwigheid.

31 Terwijl ik voortging, mids zóó groote eerstelingen van het eeuwige geneugt, gansch in verrukking, en begeerig tot nog meerdere blijdschappen,

34 toen werd vóór ons, als een ontstoken vuur, aldus de lucht, onder de groene takken, en het zoete geluid werd reeds gehoord als een lied.

37 O onaantastbare Maagden, zoo ik ooit honger, koude of nacht-wake voor u doorstond, nu noopt mij de gelegenheid dat ik loon daarvoor eische.

40 Nu voegt het dat de Helicon zich voor mij vergiete, en Urania mij helpe met haar koor, om dingen, die zwaar zijn te denken, in verzen te zetten.

43 Weinig later deed ons den schijn zien van zeven boomen van goud de lange tusschen-ruimte, die nog tusschen hen en ons was;

46 maar wanneer ik zoo nabij hen was gekomen, dat het verkeerd geziene voorwerp, dat den zin misleidt, door den afstand geen enkel onderdeel kwijt ging;

49 ontwaarde dat vermogen, dat der rede de stoffe toedient, ze zooals ze waren: als kandelaren, en in de stemmen van het zingen: „Hozanna.”

52 Van boven vlamde dat schoon gerei veel heller dan maan aan wolkenloozen hemel des middernachts in 't midden van haar maand.

55 Ik keerde mij vol verwondering tot den goeden Virgilius, en hij antwoordde mij met een aangezicht, niet minder vol van verbazen.

58 Voorts hergaf ik den blik aan die hooge dingen, die zóó traag zich te ons-waart bewogen, dat zij zouden verwonnen zijn door jonge bruiden.

61 De Vrouwe kreet tot mij: „Waarom toch brandt gij zóó in begeerte voor de levende lichten, en op wat achter hen komt, acht gij niet?”

64 Luiden zag ik toen, als achter hunne gidsen, komen achter hen in het wit gekleed; en zulke witheid was er nooit aan deze zijde.

67 Het water was in lichtglans aan mijn linkerkant en hergaf me ook mijne linker-zijde, als ik daarin zag, als een spiegel.

70 Wanneer ik zóó dicht bij mijnen oever stond, dat alleen de stroom mij [van dat alles] gescheiden maakte, bracht ik, om beter te zien, mijne schreden tot stilstand;

73 en ik zag de vlammekens naar voren gaan, latende achter zich de lucht gekleurd, en van getrokken penseelen hadden zij den schijn;

76 zóódat (de lucht) er boven bleef geschakeerd met zeven strepen, alle in die kleuren, waarvan de zon haren boog maakt en Delia haren gordel.

79 Die vlaggen waren naar achteren grooter dan ik kon zien en naar mijne schatting waren er tien schreden tusschen de voorste [en de achterste].

82 Onder zóó schoonen hemel, als ik [vertellende] verdeel, kwamen vierentwintig ouderlingen, twee aan twee, bekranst met leliën.

85 Allen zongen: „Gezegend zijt gij onder de dochteren van Adam, en gezegend zijn in eeuwigheid uwe schoonheden.”

88 Nadat de bloemen en de andere versche kruiden, tegenover mij op den anderen oever, vrij waren van die uitverkoren lieden,

91 zóóals ['t eene] licht het [andere] licht opvolgt in den hemel, kwamen achter hen vier dieren, elk bekranst met groen loover.

94 Elk was gevlerkt met zeven vlerken, de vlerken vol met oogen; en de oogen van Argus zouden, zoo ze levend waren, aldus zijn geweest.

97 Om hunne gestalte verder te beschrijven kwist ik geene rijmen meer, lezer; daar andere uitgave mij zóózeer nijpt dat ik in dezen niet mild kan zijn.

100 Maar lees Ezechiël, die ze beschrijft, hoe hij ze zag van den kouden kant komen met wind, met wolken en met vuur;

103 en hoedanig gij ze vinden zult in zijne geschriften, zóó waren ze daar, behalve dat, voor de vederen, Johannes met mij is en van hem zich scheidt.

106 De ruimte tusschen hen gevieren bevatte eenen triumfwagen, op twee raderen, die kwam getrokken aan den hals van eenen griffoen.

109 En hij stak den éénen en den anderen vlerk omhoog tusschen de middelste en de drie en drie strepen, zoodat hij geene, klievende, kwaad deed.

112 Zóó hoog rezen zij, dat zij niet werden gezien; de leden had hij van goud, zóó verre hij vogel was, en wit de andere met bloedrood gemengd.

115 Geen denken aan dat Rome met zoo schoonen wagen Scipio Africanus of wel Augustus verheugde; maar [zelfs] die van de Zon ware arm bij dezen;

118 die van de Zon, die den weg bijster, werd verbrand, op de bede der deemoedige Aarde, wanneer Jupiter in zijnen geheimen raad rechtvaardig was.

121 Drie vrouwen rondom het rechter-rad kwamen dansende; de ééne zóó rood, dat zij binnen in het vuur nauwelijks ware herkend;

124 de tweede was als of haar vleesch en beenderen van smaragd waren gemaakt; de derde scheen sneeuw, zoo even neergekomen.

127 En nu schenen zij door de witte getrokken, dan door de roode, van den zang van deze namen de anderen het snelle en het trage gaan.

130 Ter slinker maakten er vier een feest, in purper gekleed, volgende de maat van ééne van haar, die drie oogen had in het hoofd.

133 Na de gansche voorzeide groep, zag ik twee ouden, in kleeding verscheiden, maar gelijken in gebaren, eerlijk en ernstig.

136 De één toonde zich één der volgelingen van dien grooten Hippocrates, dien de natuur maakte voor de wezens, die zij het liefste heeft.

139 De ander toonde de tegengestelde zorg met een zwaard, dat lichtend was en scherp, zóódat het mij van den anderen kant der rivier vreeze gaf.

142 Voorts zag ik vier in nederigen schijn, en achter allen eenen oude alléén komen, slapende, met helder-ziend gelaat.

145 En deze zeven waren gekleed als die van den eersten stoet; maar van leliën maakten zij rond om het hoofd geenen tuin;

148 maar van rozen en andere bloedroode bloemen: gezworen hadde, wie ze van wat verder zag, dat allen brandden van boven de brauwen.

151 En wanneer de kar was tegenover mij, werd een donder gehoord; en dien waardigen luiden scheen het verder gaan ontzeid te zijn,

154 daar zij stille stonden bij de eerste teekenen.

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings