← Table of contents
Dante's Louteringsberg

TWEE EN DERTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Terwijl Dante, vol van begeerte, in verrukking op Beatrice staart, wordt hij gemaand door de stem van ééne der theologische deugden. En zie, de wagen beweegt zich met de heilige schare en is gekomen tot een zeer hoogen en kalen boom, aan welken de griffioen den dissel bindt; waardoor de boom weldra met looveren en bloemen zich dekt. Bij een zoet gezang slaapt de Dichter in; en wederom gewekt, ziet hij Beatrice zitten tot bewaking van den wagen met de zeven vrouwen, en voorts verschillende mysterieuse gevallen, die met boom en wagen gebeuren.

1 Zóózeer waren mijne oogen gevest en gericht om te verslaan den tienjarigen dorst, dat mijne andere zinnen gansch gedoofd waren:

4 en die [oogen] hadden aan deze en gene zijde [als] wanden van onverschilligheid, zóó zeer trok het heilige glimlachen ze in het oude net:

7 wanneer met kracht mijn gezicht ter slinker werd gericht door die godinnen, omdat ik door haar hoorde een: „al te vast.”

10 En die [on]geschiktheid tot zien die in de oogen is, zooeven door de zon getroffen, deed mij eenigen tijd zijn zonder gezicht;

13 maar sinds het gezicht zich had herschapen tot het weinige (ik zeg „tot het weinige” met opzicht tot het vele zinnelijke, waarvan ik mij met geweld had losgemaakt),

16 zag ik de glorieuse heerschare op den rechterarm gezwenkt, en zich keeren met de zon en de zeven vlammen in het aangezicht.

19 Gelijk om zich te bergen eene schare zich omwendt onder de schilden, en met het vaandel zwenkt, voor dat zij ganschelijk zich in zich kan keeren;

22 zóó passeerden ons die strijd-machten des Hemelschen Koninkrijks, vóór de Kar den disselboom omkeerde.

25 Voorts keerden de vrouwen zich tot de raderen, en de griffoen bewoog den gebenedijden last zóó, dat daarom toch geen zijner vederen bewoog.

28 De schoone vrouwe, die mij tot het veer had getogen en Statius en ik, wij volgden het rad, dat de bocht maakte met den kleinsten boog.

31 Aldus passeerende door dat woud, dat ledig is door de schuld van haar die de slang geloofde, matigde eene engelsche muziek onze schreden.

34 Wellicht in drie vluchten nam-in zóó groote ruimte afgeschoten pijl, als wij verder gegaan waren, wanneer Beatrice afstapte.

37 Ik hoorde mompelen door allen: „Adam!” Voorts omkringden zij eenen boom, die ontdaan was van bloemen en alle loover op elken tak.

40 Zijn getakte, dat zooveel zich verbreedt naarmate het hooger komt, zoude [zelfs] door de Indiërs in hunne bosschen om zijn hoogte zijn bewonderd.

43 „Gelukkig zijt gij, griffoen, die met den bek niets afscheert van dat hout, dat den smaak zoet is, omdat de buik daarna kwalijk wordt gefolterd.”

46 Aldus rondom den krachtigen boom riepen de anderen, en het dier, dat twee maal werd geboren: „Aldus wordt bewaard het zaad van alle recht.”

49 En gekeerd naar den dissel, dien hij had getrokken, trok hij hem tot den voet van den verweeuwden boom; en dien [dissel] die van hem was, liet hij aan hem gebonden.

52 Gelijk onze planten, wanneer het groote licht omlaag-valt gemengd met dat hetwelk straalt achter den hemelschen riet-voorn;

55 zwellen en voorts elke zich met zijne kleur hernieuwt, voor dat de Zon hare renners aanspant onder een ander gesternte;

58 eene kleur openbarende, minder dan van rozen en meer dan van violen, vernieuwde zich die boom, die te voren het getakte zóó vereenzaamd had.

61 Ik verstond het niet, noch wordt het hier beneden gezongen, het loflied dat die luiden zongen, noch ook verdroeg ik den galm gansch-en-al.

64 Zoo ik konde wedergeven hoe in slaap geraakten de meedoogenlooze oogen, daar zij hoorden van Syrinx, de oogen, welken het zoo duur kwam te staan dat ze wakkerder waren dan andere,

67 dàn zoude ik, als schilder die schildert náár het model, afteekenen hoe ik insluimerde; maar wie maar wil, die zij het die het insluimeren zich verbeelde.

70 Daarom spring ik over tot wanneer ik wakker wierd, en zeg ik dat een lichtgloed mij open-reet den sluier des slapens, en een roepen: „Sta op, wat doet gij?”

73 Gelijk tot het zien van de bloesemen des appelbooms, die de engelen naar zijne vracht gulzig, en eeuwig durende bruiloft in den hemel maakt,

76 Petrus en Jacobus en Johannes geleid waren en zij [eerst] overweldigd zijnde terugkeerden tot [het hooren van] het woord, door hetwelk ook diepere slaap werd gebroken;

79 en zij het gezelschap gedund zagen, zoowel van Mozes als van Elias, en van hunnen Meester het gewaad verwisseld;

82 aldus keerde ik weder [tot mijn bewustzijn] en zag ik die Pia boven mij staan, die geleidster was geweest van mijne schreden langs den stroom te voren:

85 en gansch in twijfel zeide ik: „Waar is Beatrice?” en zij: „Zie haar onder het nieuwe loover zitten op den wortel.

88 Zie het gezelschap, dat haar omgeeft; de anderen, achter den griffoen, gaan henen omhoog, met zoeteren en dieperen zang.”

91 En of haar verder spreken meer verward was, ik weet het niet, omdat reeds mij in de oogen was zij, die voor ander ontwaren mij had gesloten.

94 Alleenig zat zij op de ware aarde, als hoedster daar gelaten van den wagen, dien ik zag binden door het tweestaltig dier.

97 In cirkel rondom haar maakten eene heining van zich zelven de zeven nimfen met die lichten in de hand, die ònontrust zijn door Noord- en Zuid-wind.

100 „Hier zult gij korten tijd vreemdeling zijn en gij zult met mij zonder einde burger zijn van dat Rome, waarvan Christus is Romein;

103 daarom voor het wel van de wereld, die kwalijk leeft, houd nu tot de kar de oogen, en wat gij ziet, maak ginds gekeerd, dat gij het schrijvet.”

106 Aldus Beatrice; en ik, die gansch en al aan de voeten van hare bevelen mijne toewijding toonde, richtte geest en oogen waarheen zij wilde.

109 Nooit daalde met zóó vlugge beweging vuur uit dikke wolk, wanneer het regent van die streek, die het meest verwijderd is,

112 als ik den vogel van Jupiter zag dalen tot den boom omlaag, afbrekende [gedeelten] van de schors, laat staan van de bloesemen en nieuwe bladeren.

115 En hij sloeg den wagen uit alle macht, waardoor deze neeg, als een schip in nood, door de golven overwonnen, dan naar stuur- dan naar bak-boord.

118 Voorts zag ik zich wagen in den bak des triumphantelijken voertuigen eene wolvin, die nuchter scheen van alle goede voedsel.

121 Maar haar berispend wegens leelijke schuld, deed mijne Vrouwe haar zich keeren in zoo groote vlucht, als maar gedoogden de beenderen zonder merg.

124 Voorts, van waar hij was te voren gekomen, zag ik den adelaar nederdalen in de ark des wagens, en haar laten vol met zijne vederen.

127 En, hoedanig eene stemme uit een hart, dat in droefenis is, zoodanig eene ging uit van den Hemel, en deze zeide aldus: „O mijn schepelijn, hoe kwalijk zijt gij bevracht!”

130 Voorts scheen mij dat de aarde zich opende tusschen beide de wielen, en ik zag er uit komen een draak, die door de kar, naar boven, den staart stak:

133 en, gelijk eene wesp, die den angel terug-trekt, tot zich trekkende den kwaadaardigen staart, trok hij dien uit den bodem, en ging weg dit-heen en dat-heen [zich kronkelende].

136 Dat wat overbleef [van den wagen] werd, gelijk met hondsgras vruchtbare aarde, zóó met pluimaadje geboden wellicht met bedoeling kuisch en welwillend,

139 bedekt, en er mede was overdekt en het ééne en het andre rad en de dissel, in zoo weinig tijd, dat meer tijd de geopende mond eenen zucht inhoudt.

142 Aldus herschapen schoot het heilige gebouw hoofden naar buiten uit zijne deelen, drie op den dissel en één op elken hoek.

145 De eerste waren gehoornd als [die van] runderen, maar de vier [andere] hadden één éénigen hoorn op het voorhoofd. Dusdanig monster was nog nooit gezien.

148 Vreesloos als burcht op hoogen berg, zag ik boven op hem zitten eene hoer met losse kleederen, met de blikken rondom loenschend.

151 En, als het ware, opdat zij hem niet werd ontnomen, zag ik haar ter zijde eenen Reus, en zij kusten elkander meerdere malen.

154 Maar omdat zij het begeerig en zwervend oog naar mij keerde, geeselde die woeste boel haar van het hoofd tot de voetzolen.

157 Voorts, vol van argwaan en rauw van toorn, ontbond hij het monster [kar en al] en trok het door het woud zóóverre, dat hij alleen al van dat [woud] een schut voor mij maakte tegen de Hoer en dat nieuwe gedierte.

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings