← Table of contents
Dante's Louteringsberg

AANTEEKENINGEN

H. J. Boeken translation

EERSTE ZANG

8 Calliope, muze van het heldendicht.

11 Eksteren, dochters van Pieros, koning van Thessalië, hadden de Muzen uitgedaagd tot een wedstrijd, waarin ze overwonnen werden en veranderd in Eksters.

15 Kring, horizon.

19 troosten, in de oud-Holl. beteekenis van aanmoedigen tot.

21 De zon staat nu in den Ram. Dit beeld volgt op de Visschen, waarin zich nu de schoone planeet, Venus, bevindt, die het met haar licht verduistert.

75 licht, glanzend.

79 Marcia, in hare jeugd de vrouw van Cato geworden, werd door hem aan Hortensius afgestaan om dezen, zooals ook gebeurde, kinderen te schenken, doch na H.'s dood weder—op haar verzoek—door Cato tot vrouw aangenomen. Zie het verhaal van Marcia's terugkeer bij Lucanus II 326. In Dante's Convito IV. 28 wordt die terugkeer geallegoriseerd: Marcia verbeeldt dan de Edele Ziel, die na de plichten des levens vervuld te hebben, tot Cato, (die hier God verbeeldt) terugkeert.

95 glad takjen, symbool van eenvoud en geduld. Zie den Eersten Zendbrief van Petrus, hoofdstuk 2.

TWEEDE ZANG

1 Volgens deze voorstelling ligt Jerusalem op het middelpunt van het bewoonde halfrond (zie Hel XXXIV). Wanneer men zich dus vier hoofdmeridianen denkt, alle negentig graden van elkander afliggende, loopt één over Sevilla, één over den Louteringsberg, één over den Ganges. Wanneer (zooals hier) de Zon voor het gindsche halfrond opgaat, begint voor ons de nacht, opkomende van den Ganges.

externe link
externe link

6 wanneer zij winnende is, d.w.z. wanneer de nacht langer wordt dan de dag.

56 De Steenbok is 90° verwijderd van den Ram. Wanneer dus de Zon in den Ram staat, staat de Steenbok bij Zonsopgang in het midden des hemels.

70 bode, die het olijf-loof draagt = vredesgezant.

98 Sedert drie maanden, d.i. sedert het begin van het Jubel-jaar 1300.

112 „Liefde” enz. Amor che nella mente mi ragiona, aldus begint de tweede Canzone van Dante's Convito, door Casella op muziek gezet.

DERDE ZANG

27 Van Virgilius, die te Brindisi gestorven is, bestaat het graf te Napels.

37 Met het Quia wordt bedoeld de wetenschap a posteriori, d.i. die welke van de uitwerkselen tot de oorzaken opklimt, in tegenstelling met het Propter quod, of de wetenschap a priori, wanneer men van de oorzaken afdaalt tot de uitwerkselen.

40 menigeen, namelijk de wijzen der Oudheid, die Virgilius in den Limbus zag, zie Hel IV. „daar zij zonder hoop leven in begeerte.” Want, nl. indien de mensch de oorzaken der dingen konde bevroeden.

externe link
externe link

52 Men lette op dat hier voor het eerst de Heiden Virgilius geen raad weet te schaffen, maar de Christen Dante het middel vindt om den weg te weten te komen.

85 kop of voorhoede.

100 komt bij ons in onzen drom, dan gaan wij samen voort.

112 Manfred, zoon van Keizer Frederik II, was Koning van Napels geweest, had altijd als vijand van de Kerk geleefd en sneuvelde, door den Paus in den ban gedaan, in den slag bij Benevento 1266. Hier streed hij tegen Karel van Anjou, die door Paus Clemens IV ondersteund werd. Anjou weigerde hem een eerlijke begrafenis; Anjou's soldaten echter droegen elk een steen aan (vandaar 129 „de zware zerk”) voor zijn graf-teeken aan de brug van Benevento. Ook dit werd hem misgund en de aartsbisschop van Cosenza, [124], liet op last van Paus Clemens het lijk overbrengen naar eene plaats op de grens van Abruzzo aan den Verde, gelegen buiten het Koninkrijk Napels. Dit gebeurde, omdat de doode in den ban gestorven was, met gedoofde lichten.

135 zóólang de hoop nog iets, zoolang men nog leeft.

VIERDE ZANG

6 ontstoken wordt, nml. bij de geboorte.

16 De zon, die immers 15 graden in het uur aflegt, wijst dus aan dat het op dezen Paasch-Zondag ongeveer kwart over negen in den morgen is.

34 De berg heeft iets dat men een voetstuk zou kunnen noemen. Deze eerste opgang leidt tot de vlakte bovenop het voetstuk rondom den berg. D. noemt het dus den bovensten rand in tegenstelling met den ondersten rand, die onder aan het voetstuk is.

40 top, van den geheelen berg.

42 de helling is dus 45°.

60 In het teeken van C. en P., de Tweelingen, komt de zon na 21 Mei; dan staat de zon nog veel noordelijker.

62 Spiegel: de Zon, die Gods liefde afspiegelt.

63 boven en beneden, in dit en het ander halfrond.

73 d.i. dat de zon den berg der Loutering links [zuidelijk], maar den berg Sion rechts [noordelijk] heeft.

123 Belacqua, kunstig luitenmaker en door de Muziek met Dante bevriend.

136 Het is dus nu de Middag van den Paasch-Zondag. Wanneer het middag is voor den Louteringsberg is het morgen aan den Ganges, en wordt het avond in Marocco, het Westen van het Noordelijk Halfrond.

VIJFDE ZANG

37 Ontstoken wasems, vallende sterren.

55 vergevende, nl. dengenen die ons doodden.

67 Degene, die hier spreekt is Jacob del Cassero, burger van Fano (Fanum Fortunae) gelegen aan de Adr. Zee bij Ancona in den Kerk. Staat.

69 Tusschen Romagna en het land van Karel, d.i. het Koninkrijk Napels. Jacob del Cassero, burger van Fano, die hier spreekt, werd op weg zijnde om te Milaan het Ambt van Podesta te aanvaarden, bij Oriaco in het Paduaansche vermoord op last van Azzo III van Este, dien hij tegen zich verbitterd had vooral door hem zijn afval van de Ghibellijnen te verwijten.

74 dit is volgens de leer dergenen, die zeggen dat de ziel in het bloed huist.

75 Antenoren, de Paduanen, naar hun stamvader Antenor.

88 Buonconte, zoon van Guido van Montefeltro, (zie Hel XXVII) viel in den slag van Campaldino, waar Dante ook meestreed, meermalen in de hel genoemd.

externe link
externe link

97 De Archiano mondt uit in den Arno.

116 Pratomagno is een plaats die Valdarno van Casentino scheidt; de groote bergrug is de Appennijnen.

121 de Konings-stroom: de Arno in vergelijking met de andere stroomen.

129 buit, al wat een rivier meevoert.

133 Pia Guastellano, door haren man onder voorwendsel van verdenking van echtbreuk weggevoerd naar de streek Maremma, bekend om haar doodelijke luchtgesteldheid, en daar eenen langzamen dood prijsgegeven.

ZESDE ZANG

22 Pieter dalla Broccia, van geringe afkomst, heelmeester van Lodewijk den Heilige, en onder Philips den Stoute tot hoog aanzien aan het Fransche Hof gestegen, was gehaat bij diens tweede vrouw, Maria van Brabant; hij werd op haar bloot vermoeden van haar zoon vergiftigd te hebben, ter dood gebracht.

30 ergens in uw geschrift, nl. Aen. VI, waar de Sibylle tot Palinurus die bidt medegenomen te worden over de Styx, antwoordt (v. 376): „Houd op te hopen dat door gebeden de lotsbeschikkingen der goden worden veranderd.”

74 Sordello, van de Mantuaansche familie der Visconti, beroemd minnezanger in de Provençaalsche taal. Wat zijne hooghartigheid betreft, wachte men af wat in Zang X en XI over aardschen roem gezegd wordt.

88 Justinianus, die Italië bevrijd had van de Gothen door Belisarius en Narses, gaf het wetten, naar hem genoemd. Italië had zich moeten laten regeeren naar het woord „Geef aan Caesar wat Caesar's is”, maar bij gebrek aan ruiter sloeg het zelf de hand aan den halster.

97 Albrecht van Habsburg in 1299 tot Keizer gekozen, maar wilde nooit naar Italië komen.

106 Alle vier Ghibellijnsche families, de eerste twee van Verona, de tweede twee van Orvieto. De Ghibellijnen, om des Keizers zaak geprangd, werden door hem veronachtzaamd.

111 hoe veilig, ironie. S. is een leengoed des keizers in de Maremma, maar geheel door hem veronachtzaamd.

126 Marcellus, waarschijnlijk de tegenstander van Caesar, bij Lucanus genoemd I, 312: „Marcellusque loquax.”

127 Ironie.

133 den algemeenen last, de overheids-ambten.

ZEVENDE ZANG

15 vastgrijpt, d.w.z. om de knieën.

25 de hooge Zon, God.

33 bevrijd, nl. door den doop.

34 de heilige deugden: geloof, hoop en liefde.

49 Zou het ongegrond zijn om deze vraag aan Dante zelven toe te kennen?

70 Tusschen, ik heb hier opzettelijk het dubbelzinnige van het origineel behouden, dat verklaard kan worden: tusschen den steilen en den vlakken bergrand, en: „half steil, half vlak” dus „glooiend”.

85 Zon, hier als het licht der genade.

94 Rudolf van Habsburg, vader van Albrecht (zie den vorigen zang 97) wien D. hetzelfde verwijt.

100 Waarschijnlijk wordt Rudolf door den aanblik van Ottocar, koning van Bohemen, getroost, omdat hij tegen dezen zijn plicht heeft gedaan.

103 En die met den kleinen neus, Philips III van Frankrijk.

104 met het goedwillig uitzicht is Hendrik III van Navarre.

105 vluchtend, in den oorlog tegen Peter III van Arragon.

107 den andere, d.i. Hendrik III, zie 104.

113 de Vorst, van den mannelijken neus en vs. 124 met den grooten neus genoemd, is Karel van Anjou, koning van Sicilië.

114 het gorden van het kleed beschouwd als bewijs van zorgvuldigheid.

127 vergelijking van de drie vorsten, waarvan de eerste de minste en de derde de beste is.

131 Hendrik III.

133 Den laagsten rang onder deze keizers en koningen neemt Willem in, de Markgraaf van Monferrat, die listig door die van Alessandrië gedood is.

ACHTSTE ZANG

13 Te lucis ante, begin-woorden van het avondgezang waarin gebeden wordt tegen nachtelijke schrikbeelden en verzoekingen.

52 Nino, van het geslacht der Visconti van Pisa, zusterszoon van Ugolino (Hel XXXIII) aan wiens misdaden Dante had gedacht dat hij ook schuldig was. Zijne vrouw, de moeder van zijne Johanna (vs. 71), was hertrouwd (vs. 73) met Galeazzo Visconti, wiens geslacht een slang in het wapenschild voerde, terwijl het wapen van Nino een haan droeg.

externe link
externe link

90 Deze drie heldere sterren zijn Hoop, Geloof en Liefde, de drie geestelijke deugden; vgl. de vier sterren in het eerste boek: de Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Ingetogenheid en Dapperheid.

97 Zie den vorigen zang vs. 72.

112 De lamp der genade moet geholpen worden door den vrijen wil van den begenadigde.

114 bergvlakte, het aardsche paradijs op den top van den Louteringsberg.

118 Currado Malaspina, neef van dien Malaspina, die Dante zeven jaar later (zie vs. 134) gastvrij heeft opgenomen, wiens mildheid hij dus door daden, niet door woorden van anderen, zou ondervinden.

129 beurs en zwaard, mildheid en heerschappij.

131 het slechte hoofd, de Paus.

133 d. w. z. eer zeven jaar verloopen zijn.

NEGENDE ZANG

1 Waarschijnlijk moet men onder „de bijzit van Tithonus” niet Aurora, die zijne echtgenoote is, maar die schemering verstaan, die het opgaan van de Maan vóórafgaat; de maan immers kwam tegen negen uur op (zie vs. 7, waar men de schreden als uren moet opvatten) en stond in den Scorpioen, „dat kille dier”, vs. 5.

4 edelgesteenten, sterren.

12 alle vijf, zie den vorigen zang: dit waren Sordello, Nino, Currado, Virgilius en Dante.

30 tot aan het vuur n.l. de sfeer des vuurs, gelegen boven den dampkring en onder de sfeer of hemel-kring der maan, tot welke de Louteringsberg met zijn top reikt.

55 Lucia, ook genoemd Hel II, evenals hier verpersoonlijking der Genade.

externe link
externe link

94 De eerste trede is de belijdenis der zonden, de tweede de vernedering des harten, de derde de liefde tot God.

97 paers, bedoeld is een kleur samengesteld uit purper en zwart, waarin het zwart den boventoon houdt.

112 Zeven P's (peccata of peccair), de zeven hoofdzonden. De zeven P's geven tegelijk de 7 afdeelingen aan, waarin het eigenlijke Vagevuur en evenzoo het Gedicht tot aan het einde van Boek XXVII is ingedeeld.

115 Het kleed des engels is gelijk aan dat des Priesters, die de absolutie verleent.

118 De gouden sleutel is symbool van de den priester toegekende bevoegdheid tot het geven van absolutie; de zilveren dat van zijn gave des onderzoeks (scientia discernendi).

133 Het geluid dat de poort bij het opengaan maakte, herinnert Dante aan het oogenblik dat op last van Caesar de bewaarplaats van de Romeinsche schatkist, die door Metellus verdedigd was, geforceerd werd. Lucanus III, 155 beschrijft het aldus: Toen dreunde de Tarpejische rots; en de zware dreun getuigde dat de vleugel-deuren waren ontgrendeld.

TIENDE ZANG

8 Hier is sprake van een door de rots kronkelend pad, niet van een bewegende rots.

15 Het is de vijfde dag na volle maan, dus de maan komt met haar donkere helft aan de kim ongeveer 4 uren na zonsopgang.

55 Dit beeldwerk voor wat beschreven is II Samuel, cap. 6.

57 Immers Uza „strekte zijn hand uit naar de arke Gods, en hield ze want de runderen struikelden. Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Uza, en God sloeg hem aldaar bij de arke Gods.” Waarschijnlijk bevatten Dante's woorden eene toespelling op de niet inachtgenomen verdeeling van geestelijke en wereldlijke macht tusschen Paus en Keizer.

66 Immers Daeid antwoordde tot Michol, die hem berispte: „Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen” enz.

73 De Heilige Gregorius, bewogen door den deemoed van Trajanus bij deze gelegenheid betoond, verkreeg diens verlossing uit de Hel door zijn gebed.

100 fluisterde, ook Virgilius wordt door deze tafereelen tot ontzag gestemd, zoodat hij slechts fluisterend durft spreken.

123 ruggewaartsche schreden, zijn de schreden die in zonde gezet worden, maar in het geval van hoovaardigheid gedaan met zelfvertrouwen.

ELFDE ZANG

1 niet daartoe, God is niet beperkt tot den hemel, maar woont daar wegens de grootere liefde, die Hij voor den hemel heeft, daar die behoort tot Gods eerste werken.

30 Nl. van den Louteringsberg.

33 degenen, die menschen op aarde die de goddelijke genade deelachtig zijn.

35 hen helpen te wasschen de merken, het bidden der bovengenoemde begenadigden, moet meehelpen om van de zielen af te wasschen de merken der zonden, die zij hier droegen en waarmee zij in het louteringsoord aankwamen.

37 zoo waarlijk moge gerechtigheid Gods en vroomheid dergenen die leven en voor hen bidden etc.

58 Een Latijner, een Italiaan. Hier spreekt Humbert Aldobrandeschi, Graaf van Santafiore. Hij maakte zich door zijn hoovaardigheid zóó gehaat bij het volk van Siena, dat hij vermoord werd in Campagnatico, een plaats van de Maremma.

81 verluchten, alluminare, d.i. het versieren van handschriften met miniaturen. Oderisi van Agubbio, een stad van het hertogdom Urbinum, miniatuurschilder.

82 meer lachen de papieren = meer bijval in de oogen der menschen vinden de miniaturen.

90 nog kunnende zondigen = nog bij mijn leven.

92 Hij nl. de roem. De roem van den kunstenaar is alleen duurzaam wanneer zijn tijd wordt opgevolgd door onbeschaafde tijden. Anders verduistert weldra de opvolger den voorbijganger.

97–99 Guido Guinicelli stierf in 1276. Guido Cavalcante in 1301. Wellicht bedoelt D. met den volgende zich zelf, en wil daardoor tevens aantoonen dat ook hij niet vrij is van hoovaardigheid.

105 dui-dui-duiten (woordelijk naar het Italiaansch).

108 In het systeem van Ptolemaeüs is de traagst draaiende hemelcirkel die der vaste sterren, welke in zesendertigduizend jaren zijn loop volvoert.

113 de florentijnsche woede, rabbia, misschien beter, schoon ongewoon, gemeen gepeupel.

116 dezelfde, de zon, d.i. de volksgunst.

121 Salvani Provenzano, Ghibellijnen-hoofd te Siena, die zich de gansche regeering had willen toeëigenen en tiran had willen worden.

133–138 Hij droeg de schande van het bedelen om den losprijs, gevergd voor een door Karel van Anjou gevangen-gehouden vriend, in te zamelen; en de schande van het bedelen zal ook Dante, in zijn ballingschap, weldra leeren kennen.

142 grenslanden, de in de eerste negen zangen beschreven Voor-louteringsberg.

TWAALFDE ZANG

25 degene, die edelst geschapen was = Lucifer.

30 Zwaar; weergegeven wordt de indruk, die een dood lichaam zwaarder doet schijnen dan een levend.

32 rond hunnen vader, = Jupiter, die met de hiergenoemde goden, de Giganten (onder wie ook Briareus behoort) overwon.

46 Rehabeam, Salomo's zoon.

48 Koningen III.

49 Alcmeon doodde zijn moeder, die haar man ter wille van een halssieraad had prijsgegeven.

52–54 Koningen 13: 37.

75 Onvrije ziel, wijl ingenomen door gedachten van nederigheid.

80 De zesde dienstmaagd, Twaalf zijn de dienstmaagden of uren des daags, van zons-op- tot zonsondergang gerekend. Dit duidt dus den middag aan.

102 De goed geleide, ironisch gezegd van de stad Florence; de Rubaconte is een brug over de Arno.

105 Ten tijde dat, hier wordt de oude tijd genoemd in tegenstelling met Dante's eigen tijd. Dante zinspeelt op bedrog gepleegd door de regeerders van Florence in het kwatern, het boek der rekeningen en in de uitmeting van het zout.

DERTIENDE ZANG

7 daar is geen schaduw (schilderwerk), nóch beeldwerk dat zich voordoet.

19–21 Langs den Louteringsberg wordt altijd bij dag verder gereisd en zooals wij reeds tweemaal hebben doorgemaakt op den weg over het gedeelte buiten de Poort, des nachts gerust.

28 De ongeziene sprekenden geven hier drie voorbeelden van barmhartigheid: het ook ongevraagd geven van hulp aan degenen, die haar noodig hebben zooals Maria deed, op de Bruiloft van Kana, toen zij tot haren Zoon zeide: „Zij hebben geen wijn;” het zich vrijwillig om eens anders wille in gevaar begeven, gelijk Pylades deed, die voorgaf Orestes te zijn, om dezen van den dood te redden; kwaad met goed te vergelden, gelijk door Christus wordt geleerd: „Hebt uwe vijanden lief.”

37 metaphorisch gezegd voor de voorbeelden van de deugd aan nijd tegenovergesteld. Hiermede worden bedoeld de spreuken die door de lucht vliegende geesten hun doen hooren.

41 De breidel, ook metaphorisch voor de straffen waarmede de nijdigen worden gelouterd. Op twee manieren worden dus evenals op den vorigen ommegang de zielen gelouterd, door voorbeelden ten goede, den geesel, en door straffen, den breidel.

61 bij de biecht, n.l. de bedelaars in de kerk.

93 N.l. om die ziel bekend te maken bij de menschen op aarde opdat die voor haar bidden.

106 Dit is Sapia, eene aanzienlijke burgeres van Siena, die verbannen naar Colle zich overmatig verheugde over de nederlaag, haren medeburgers bij haar woonplaats door de Florentijnen toegebracht.

117 en ik bad God om dat wat hij wilde, n.l. om de nederlaag der Florentijnen waartoe God toch reeds besloten had.

123 gelijk de meerle deed. Toespeling op een volkssprookje, van een meerle, die in den winter binnenshuis gekoesterd, bij het eerste mooie weer in den winter zich liet verlokken om uit te vliegen.

133–135 Dante spreekt hier van zijn verwachting van het volgend leven, wanneer hij zelf gestorven hier zal moeten boeten, slechts weinig voor de zonde der afgunst, maar meer voor die der hoovaardigheid.

152 Voor het laatst lucht de dichter hier op den ommegang der nijdigen, zijn leedvermaak over twee mislukte ondernemingen der zoo gehate Sieneezen (Hel XXIX. 122): hun poging om in Talamone in de ongezonde Maremma, zich een havenplaats te stichten: telkens verloren daar hunne admiraals en manschappen meer dan de hoop, het leven; ten tweede hun poging om door in den grond te graven onder hun stad een water te vinden, dat zij reeds te voren de Diana hadden genoemd.

externe link
externe link

VEERTIENDE ZANG

43 Met de „botte varkens” worden bedoeld de inwoners van het Casentijnsche land.

46 Keffertjes zijn de bewoners van Arezzo.

49 Met „de honden die wolven worden,” worden de Florentijnen bedoeld, die Guelfen (wolven) worden.

52 Veertien mijlen beneden Florence vormt de Arno tusschen de rotsen draaikolken, die nu nog pelaghi, zeeën genoemd worden. De vossen zijn de inwoners van Pisa.

55 een ander = Dante.

58 Uwen kleinzoon, kleinzoon of neef van den toegesprokene, die als podestà van Florence door de zwarten omgekocht, velen der witten liet ombrengen.

64 Met het woud wordt Florence bedoeld, dat hij zóó laat uitmoorden dat het verlies aan inwoners lang onhersteld blijft.

87 Gemeenschap bestaat slechts van hemelsche goederen: zie XV 43 en vlg.

92 Dit zijn de juiste grenzen van het land Romagna.

112 Brettinoro, kleine stad van Romagna, vaderstad van Guido. Stamhuis, de familie van dien Guido.

118 De Pagani, heeren van de stad Imola, wier vader Demon werd bijgenaamd, zullen beter dan hij zijn.

133 Dit zijn de woorden die Kaïn sprak na Abel gedood te hebben uit nijd. (Genes. IV, 14).

139 Aglauros, dochter van een Atheenschen koning Erechtheus, die uit afgunst Mercurius' liefde voor haar zuster in den weg trad.

143 „Het gebit”; zie den vorigen zang vs. 40.

VIJFTIENDE ZANG

3 Die kring die altijd speelt als een kind: de zonneweg, om zijn veranderingen met een spelend kind vergeleken. De dag (de tijd tusschen zons-òp- en -ondergang) is verdeeld in twaalf uur. Het is dus nu drie uur in den namiddag op den Louteringsberg, welken tijd men oudtijds avond noemde.

5 dáár is de Louteringsberg; hier is Italië. Men bedenke dat de Louteringsberg ligt precies aan den tegenovergestelden kant van de aarde als Jerusalem (waar het dus nu 3 uur na middernacht is) en dat Rome wordt gerekend 45° Westelijk van Jerusalem te liggen, dat het dus nu middernacht in Italië is.

8 Toen de Dichters van het strand naar den Berg gingen, hadden zij (zie III 16) de zon in den rug, dus liepen zij van O. naar W. Voorts gingen zij den berg op in Noordelijke richting, maar langs den berg gingen zij Westelijk, dus zijn zij met de zon mede gegaan om den berg heen.

46 Het is natuurlijk dat Guido den menschen hun nijd verwijt: zoo wil hij nu er voor waarschuwen opdat ze later hier op den Louteringsberg er minder voor hoeven te boeten.

58 Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder, d.w.z. nog minder bevredigd in mijn honger naar weten.

67 In den hemel valt het licht van Gods Liefde in elken zalige als in een spiegel.

71 hoe ver, dus over hoeveel personen zij zich uitbreidt.

73 misschien te lezen: zonder „elkander”, dus God verstaan.

94 Deze vrouw is Pisistratus' vrouw, die straf eischte voor een jong Athener, die hunne dochter in het openbaar had gekust.

106 een jonkman is Stephanus.

ZESTIENDE ZANG

24 Dit is een van de weinige metaphorische uitdrukkingen van Dante, die anders altijd geziene beelden gebruikt. De bedoeling is hier: doorstaan zij de moeilijkheden, waarin zij door hunne zonde zijn geraakt.

42 Hel II. 31 worden degenen genoemd, die vroeger levend het rijk der dooden bezochten, nl. Aeneas en Paulus.

externe link
externe link

46 Marco, vriend van Dante, alleen uit deze plaats bekend.

55 Marco's uiting over de verdorvenheid der tegenwoordige menschen, brengt D. in verband met het van Guido del Duca vernomene (XIV).

73 Hier wordt met weinige woorden aangestipt de filosofie, uitvoerig uitéén gezet in het „Convito”, volgens welke elke deugd, die de menschen voortstuwt, haar bijzonderen zetel heeft in één der planeten, terwijl tegelijk wordt aangeraakt het vraagstuk van den vrijen wil.

79 grootere kracht en betere natuur, d.i. God: en die schept enz.

85 Zij, dit is aankondiging van het subject, vs. 88 genoemd.

97 De dichter gaat terstond over tot dat wat hem dunkt de hoofdoorzaak van alle kwaad: de vereeniging van wereldlijke en geestelijke macht in den Paus. Het volgende is toespeling op Mozes' voorschrift aangaande het vleesch, hier toegepast op den Paus, die wel herkauwt, d.i. geleerd is, maar geen gespleten hoeven, d.i. goede zeden heeft.

106 goede wereld: Christendom tegenover Heidendom.

126 De Franken noemden alle Italianen Lombarden. Van de hier genoemden is niets bekend dan dat zij brave edellieden waren.

130 De stam van Levi, den priester, kreeg geen deel van het land Kanaän onder de stammen van Israël: zóó moesten ook de Pausen van het wereldlijk bestuur zijn uitgesloten.

139 Marco zinspeelt ook hier op het verderf onder de adellijke families.

Het is merkwaardig op te merken, dat Dante den vrijen wil handhaaft om dezelfde reden als Kant. Nl. dat de mensch als zedelijk wezen met den vrijen wil staat of valt, of zooals Dante zeer eenvoudig zegt: als er geen vrije wil wordt aangenomen, er ook geen reden is om zich te verheugen over het goede en te rouwen over het kwade.

ZEVENTIENDE ZANG

17 De fabel van Tereus, Procne en Philomela wordt hier zóó gewijzigd, dat niet zooals gewoonlijk Philomela, maar haar zuster Procne in een nachtegaal heet veranderd te zijn.

25–29 Boek Esther.

34 Dit meisje is Lavinia, sprekend tot hare doode moeder Amata, die van kwaadheid stierf daar zij hare dochter niet aan Aeneas maar aan Turnus toegezegd wilde zien. Zie Aeneïs XII.

49 Dit kleine trekje geeft even aan de groote begeerte, die door het geheele gedicht gaat, om het Hoogste Heil te aanschouwen.

73 deugd, in de eigenlijke beteekenis van het woord.

97 Liefde gericht op de eerste, d.i. geestelijke goederen is onschuldig; liefde gericht op de aardsche goederen kan alleen onschuldig zijn wanneer zij het goede beoogt en gematigd is. Als zij het kwade beoogt, dan veroorzaakt zij hoogmoed (vs. 115–117) nijd (vs. 118–120) gramstorigheid (vs. 121–123) voor welke in de eerste, tweede en derde ommegangen geboet wordt. Wanneer zij zich wendt zonder de juiste mate tot het goede, d.w.z. te lauw tot God, en te heftig tot de aardsche goederen, dan voert zij tot de zonden, in de hoogere vier ommegangen geboet, die nog moeten worden beschreven.

114 in uw klei: in de menschelijke natuur.

124 daar omlaag, nl. op de drie reeds doorloopen ommegangen,—afgunst, nijd en wraakzucht. Op de volgende drie ommegangen komen traagheid, gierigheid en gulzigheid.

127 Eén Goed: God.

136 dit goed nl. dat niet het ware geluk geeft, dus het aardsche.

ACHTTIENDE ZANG

27 op nieuw, die liefde wordt als een tweede natuur.

28 Volgens Aristoteles moet men in elk ding onderscheiden tusschen de eigenschaplooze grondstoffen en den vorm of idee, die daaraan eerst het eigenlijke bestaan geeft. Zoo is het de natuur van den vorm of idee om kort in hare stof te blijven en zoo spoedig mogelijk naar den hemelkring der maan op te stijgen waar zij thuis hoort en niet zoo snel verteert [dus langer bij haar grondstof volhardt].

37 Ook hier wordt de liefde op de bij vs. 28 opgegeven wijze verdeeld in de grondstof: d.i. liefde in 't algemeen en de bepaalde idee of vorm die haar tot eene bepaalde liefde maakt.

46 Deze uitspraak van Virgilius herinnert er nogmaals aan dat hij slechts de wetenschap mededeelt welke de Rede geeft, maar dat Beatrice de hoogere, die des Geloofs geeft.

49 Wederom de Scolastiek naar Aristoteles: de zelfstandige [substantieele] vorm of idee, nl. de ziel, die met de stof, het lichaam, vereenigd wordt.

55 eerste begrippen; d.i. de aangeboren begrippen, tot welke alle oordeelen zijn te herleiden, als: het ware, goede, schoone.

62 dàt vermogen, de rede, die na beraadslaging ja en neen zegt tot elk oordeel.

63 Zie Parad. V. 19.

76 Het is nu de zesde avond na volle maan, die begint.

79 De maan staat in het sterrebeeld tegengesteld aan dat van de zon, dus dat waar de zon in October staat, wanneer men te Rome de zon ziet ondergaan als hier staat beschreven.

82 Pietola, vroeger Andes, het dorpje, waar Virgilius is geboren.

100 Lucas 1: 39, Maria spoedt zich tot bezoek bij haar nicht Elisabeth.

101 Caesar enz. ziet op het begin van den burgeroorlog, toen Caesar met de grootste haast Marseille liet belegeren en bij Ilerda in Spanje de legers overwon die zich anders met Pompejus vereenigd zouden hebben.

133 Al de Joden, die de Roode Zee doortrokken, stierven voor dat de Joden hun erfdeel Palestina betraden.

136 Die tochtgenooten van Aeneas die op Sicilië bleven.

NEGENTIENDE ZANG

1 De koude van het oogenblik, dat onmiddellijk vóór gaat de opkomst van de Zon, werd toegeschreven aan den invloed van de Aarde, somtijds versterkt door dien van de planeet Saturnus. De Maan staat hier voor den Nacht.

4 De geomanten, (Aarde-waarzeggers) teekenen in den blinde eene figuur op den grond en beschouwen het als hun grootst geluk, wanneer die figuur gelijkt op den stand der sterren die nu in het Oosten valt waar te nemen: de Waterman geheel, de Visschen gedeeltelijk boven den horizont. Immers dit teeken wordt onmiddellijk gevolgd door den Ram, het teeken waarin nu de Zon staat.

13 hij: mijn blik. Door haar lang te zien, vergat D. hare gebreken.

19 doe verdwalen, dat woord kan ook beteekenen: „verbijsteren.”

22 Ten onrechte, zooals men weet, beroemt zij zich hier.

25 Wie deze heilige vrouw is, wordt niet nader aangeduid, hetzij de heilige Waarheid, hetzij Lucia, de verlichtende genade.

31 Daar het oorspr. hier geen pronomen heeft, kan men ook vertalen: Hij [d.i. Virg.] greep, welke opvatting misschien wel verdedigd wordt door vs. 60. „hoe de mensch zich van haar los maakt.”

37 Zij gaan steeds van O. naar W., dus schijnt de Zon in den ochtend achter tegen hunne lendenen.

49–51 lett.: daar zij hebben de zielen als meesteressen of bezitsters van het troosten.

58 Dit is een van de weinige plaatsen, waar Dante zich niet beeldend maar afgetrokken uitdrukt. Die tooveres is de allegorie van de drie hoofd-zonden, welke in de nu nog volgende, dus hoogere kringen geboet worden, om welke dus boven ons geweend wordt. Virgilius bewijst hierin wederom hoe hij alles gewaar wordt wat in Dante omgaat.

62 lok-aas, de hemel met de sterren.

67–69 Eenigszins omstandig gezegd voor: door de gansche spleet.

82–84 D. had den spreker wel gehoord, maar zijn aangezicht niet gezien.

93 grootere zorg, zijne eigene zaligheid, in vergelijking met de aandacht, aan Dante te schenken.

100 Deze stroom is de Lavagna, in het Land van Genua, waarnaar de Fieschi zich noemden Graven van Lavagna.

137 neque nubent Matthaeüs XXII. 30 „want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, en worden niet ten huwelijk uitgegeven.” Met deze woorden geeft de Paus te kennen dat ook het huwelijk van den Paus met de Kerk [waarop Dante meermalen Hel XIX, Lout. XXIV zinspeelt], in het andere leven hen niets meer boven andere stervelingen verheft.

externe link
externe link

141 zie vs. 91.

145 Alagia was de vrouw van Marcello Malaspina, uit een geslacht aan hetwelk Dante wegens goedheid, in zijn ballingschap hem bewezen, dank schuldig was.

TWINTIGSTE ZANG

4–6 meerlen, Ital. merli, woord dat hier slechts voorkomt, aanduidend een onderdeel van de verschansing.

13–15 Ook hier denkt Dante aan den held, die een einde zal maken aan de wereldlijke macht van den Paus en zoo aan alle gierigheid der menschen.

16–18 jammerden, Ital. lagnarsi: zich scheuren; kan echter niet van eenig rouwmisbaar, met de handen bedreven, bedoeld zijn, daar deze schimmen de handen en voeten gebonden hebben.

31–33 Sint Nicolaas. De bij ons te lande zoo goed bekende Bisschop van Mira, die eens vernomen had dat een vader zijn drie dochters bij gebrek aan een bruidsschat zich aan de prostitutie wilde laten overgeven, en daarom heimelijk 's nachts twee zakken gouds bij haar in het venster liet werpen.

64–69 tot boete,—ironisch bedoeld.

67 Karel, Hertog van Anjou.

70 eenen tweeden Karel, nl. van Valois.

79 Den ander = Karel van Anjou, Koning van Apulië, krijgsgevangen gemaakt door den admiraal van Pieter van Arragon.

87 In 1303 werd Paus Bonifacius VIII gevangen genomen door Philips den Schoone, Koning van Frankrijk. Alagne is in de Romeinsche campagne.

92 In den tempel, dit slaat op de Orde der tempeliers, door Philips den Schoone gewelddadig opgeheven in 1307.

97 nl. Maria zie no. 19.

103 Pygmalion, die uit gouddorst zijnen broeder, Dido's echtgenoot, vermoordde.

109 Acam; op Jozua's bevel gesteenigd om het zich toeëigenen van een gedeelte van den buit van Jericho.

112 Safira, Handelingen V. 113. Heliodorus, op het punt om de tempelschatten te rooven, werd teruggedreven door een gewapend en gespoord man.

115 Polydorus, zie Aen. III.

121 d.w.z. ik was de eenige die luid sprak. Deze eerste regels geven antwoord op 36.

130 Delos, het eiland waarop Latona Apollo en Diana baarde, was volgens de legende vóór die geboorte los van den bodem der zee.

EEN EN TWINTIGSTE ZANG

1 De dorst naar weten.

36 zijne zachte voeten: de zandige kust aan den voet des bergs.

50 de dochter van T. is Iris, de regenboog, die op aarde steeds tusschen zon en toeschouwer staat.

52 Droge damp, als oorzaak der winden in tegenstelling met de vochten, die den regen veroorzaken.

56 door wind, die voor oorzaak der aardbevingen werd gehouden.

61–66 De ziel voelt den wil tot opstijgen reeds eerder, maar deze wordt bestreden door den wil zich te louteren. Is de loutering volbracht dan voelt zij den éénigen wil tot stijgen.

85 den naam, die, enz., d.i. die van den dichter.

91 Statius is de dichter der Silvae, der Thebais en der op lange na niet voltooide Achilleïs.

TWEE EN TWINTIGSTE ZANG

3 een merkteeken, n.l. één van de zeven P's.

5 Het geheele gezang luidt: Welgelukzalig die dorst hebben en die honger hebben. De honger is bewaard voor den hoogeren cirkel in zang XXIV.

40 Zie de Aeneïs III.

en hoe volgens den Zevenden Zang in den 4en omgang der Hel de gierigen worden gestraft.

externe link
externe link

43 één van de weinige plaatsen waar Dante om het rijm een valsch beeld gebruikt.

46 Zie Hel. VII 57.

externe link
externe link

49 Evenals in de Hel wordt hier gierigheid met haar, tegendeel spilzucht te zamen gebracht. Weerkaatst heb ik hier zijn letterlijke beteekenis genomen omdat ook Dante het eigenlijke woord aan het kaatsspel ontleent. „Zijn groenheid droogt” is eene omschrijving van louteren.

55 de dubbele droefenis zijn de beide elkaar vijandige zoons van Iöcaste en Oedipus, van wie de ééne, Polynices, de Grieken (vs. 88) tegen zijn broeder en zijn vaderstad Thebe deed optrekken.

58 „tokkelt” in proza schijnt dit woord eenigszins gezocht, is echter in het origineel geheel in overeenstemming met den luchtigen toon die den ganschen Canto, de ontmoeting der drie Dichters vertellende, kenmerkt.

70 Dit zijn de beginwoorden van één der Herderszangen, door lateren opgevat als voorzegging van het Christendom.

104 dien berg: den Parnassus.

DRIE EN TWINTIGSTE ZANG

10 „Labia etc.” Zie Psalm 51 vs. 17: Heer, open mijne lippen en ik zal uwen lof verkondigen.

25 Erisichthon, die Ceres minachtte; daarom gestraft werd met onverzadigbaren honger zoo dat, door zijn eten van al wat hij bezat, tot volslagen armoede vervallen, hij er toe kwam zijne tanden in zijn eigen vleesch te slaan. Aan dat oogenblik moet hier gedacht worden.

29 Toen Jerusalem door Titus werd belegerd, kwam ééne vrouw, M., ertoe haar eigen kind te verslinden. Zie Vondels Jerusalem verwoest.

45 verwoest: n.l. de kenbare trekken.

48 Forese Donati, broeder van Corso Donati, partijhoofd der zwarten (adel en rijke burgers).

66 loutert, letterlijk: hermaakt zich hier heilig.

73 de begeerte tot verlossing van de zonde die Christus tot het kruis bracht. Eli; één der laatste woorden door Chr. aan het kruis gesproken. Matth. XXVII: 46.

79 Dante verwachtte Forese vóór de poort van den Louteringsberg te vinden, daar deze zich eerst berouwd had op het einde van zijn leven, toen het vermogen om te zondigen hem ontnomen werd.

81 terugbrengt, letterlijk: weder huwelijkt aan God.

84 immers, voor de Póort van den eigenlijken Louteringsberg moeten de tragen even lang wachten als de traagheid in hun leven heeft geduurd.

94 Barbagia, een streek in 't binnenland van Sardinië, waar 't heette dat de vrouwen nagenoeg ongekleed gingen.

109–112 Deze regelen slaan op de vele rampen, die de Florentijnen zullen hebben te doorstaan, voor dat de zuigeling van nu manbaar zal zijn geworden.

119 voor luttel dagen, het origineel heeft eergisteren, doch het was voor-eergisteren. Immers nu is het Paasch-Maandag en het was Goede Vrijdag bij volle maan, wanneer Dante den Tocht begon.

132 Zie XX 127 waar de berg schudt uit vreugde over de voltooide loutering van Statius.

VIER EN TWINTIGSTE ZANG

4 weder gestorven, n.l. ten tweeden male, wegens hunne magerheid.

8 Zij: de schim van Statius, die ter wille van Virgilius langzamer gaat.

10 Piccarda, Forese's zuster, die in een klooster gegaan, gedwongen werd er uit te gaan en te huwen maar weldra stierf.

19 B. de Lucca, een rijmer.

22 dit is Martinus IV bisschop van Tours, later Paus.

30 Bonifazio, bisschop van Ravenna; van welk bisdom de herders-staf den vorm van een spinrokken had.

37 ik hoorde hem „Gentucca” mompelen in zijne tanden, dus waar hij den onbevredigden honger voelde.

43 den hoofd-band, het kenmerk der gehuwden.

51 „Vrouwen—etc.” uit de „Vita Nuova.” Zie Inleiding „Hel.”

externe link
externe link
externe link
externe link

58 degene, eigenlijk dengene, daar Amore in het Italiaansch mannelijk is.

61 de afstand die den gemaniereerden van den geinspireerden stijl scheidt is zoo groot, dat men van uit den een den anderen niet kan zien.

82 Voorzegging van den dood van Forese Donati's broeder Corso Donati, partijhoofd der zwarten. Hij kwam om door een val van het paard, waarbij hij in het tuig verward bleef (15 Sept. 1308).

90 Forese noemt met opzet zijns broeders naam niet.

121 de Centauren, zijn de wezens, in de wolken geformeerd met tweevoudige borst, n.l. die van een paard en van een man. Toen zij met wijn verzadigd waren, begonnen zij op de bruiloft van Pirithous gewelddadigheden, waarvoor Theseus ze boeten deed.

124 Gideon koos diegenen, die bij de bron gekomen niet neerknielden om te drinken, maar staande water met de hand schepten.

148 Zóó voelde. De dichter zegt het wel niet, maar men kan naar anologie met hetgeen op de andere omgangen gebeurt begrijpen dat hij aldus hier de Zesde P van het voorhoofd kwijt raakt.

VIJF EN TWINTIGSTE ZANG

1–3 De zon staat nu in den Ram. De Stier is het beeld volgende op den Ram, dus als deze in den middagcirkel staat is het twee uur na den middag. De nacht is het punt, recht tegenover de Zon, aan het Noordelijk halfrond. Dit valt in de Weegschaal. Het beeld, dat daarop volgt is de Schorpioen. Staat deze in den Meridiaan, dan is het in het Noordelijk halfrond twee uur na middernacht.

31 Of volgens andere lezing: „de eeuwige wraak openbaar”.

63 een wijzere n.l. Averroës of Ibn Rasch (zie Hel IV 152) die in zijn commentaar op Aristoteles het mogelijk verstand (intellectus possibilis, den al-geest, in tegenstelling met intellectus agens, die de zinsindrukken tot het bewustzijn brengt) van de ziel scheidt.

externe link
externe link

79 wat dit in mogelijkheid beteekent kan misschien begrepen worden, indien men de tegenstelling tusschen intellectus possibilis en intellectus agens in het oog houdt.

88 levende leden—het lichaam dat op aarde leefde.

100 dáárvan: van de gevormde lucht.

109 Aankomst op den Zevenden Ommegang.

139 de laatste wonde—de laatste van de zeven P's.

ZES EN TWINTIGSTE ZANG

61 n.l. de begeerte om zich te louteren, die nu nog strijdt met de begeerte om ten hemel te stijgen, zie zang XXI, vs. 64.

94 Lycurgus; zie het verhaal bij Statius in de Thebais vs. 721.

130 tot zóóver: dus met weglating van: en veroordeel ons niet.

ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG

1 Dante neemt Ganges en Ebro als oostelijke en westelijke grens, Jerusalem als middagcirkel van ons halfrond; dus, wanneer voor den Louteringsberg de zon ondergaat, is het noen bij den Ganges, morgen te Jerusalem en staat de nacht in de Weegschaal, het sterrebeeld tegengesteld aan den Ram, waarin nu de Zon staat.

13 Dante wil zeggen dat het afstand doen van die genietingen hem voorkwam gelijk aan den dood te zijn.

22 Gerion. Zie Hel canto 19.

externe link
externe link

58 „Komt, gezegenden mijns Vaders.”

94 Cytherea, Venus, nu staande in het teeken der Visschen, dat vóórgaat aan het teeken van den Ram, waarin nu de Zon is.

101 Lea en Rachel uit het O. T. verbeelden het practische en het beschouwende leven, nog voor het licht van Christus aan Dante is verschenen. In het aardsche Paradijs zullen hem weldra hetzelfde verbeelden de Christinnen Mathilde en Beatrice.

127 het tijdelijk vuur, nl. op den Berg en het eeuwige in de Hel.

129 Uit mijzelven—Virgilius is het licht der goddelijke genade niet deelachtig.

142 Over u zelven—nl. als heer over u zelf, dus: als uw eigen meester.

ACHT EN TWINTIGSTE ZANG

67 Nu recht-op gericht, d.w.z. niet meer bloemen plukkende.

80 Psalm XCII, vs. 5 (Vulgata).

85 Louteringsberg XXI, 52–54 vertelde immers Statius dat vanaf de poort van den Louteringsberg naar boven geen wind of regen meer was.

102 Nl. door de poort van St. Pieter.

103 Dante denkt zich om de stilstaande aarde negen hemelkringen, van oost naar west draaiende, genoemd naar de zeven planeten (de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus). De achtste is die der vaste sterren, de negende het Empyreum. Zie „het Paradijs”.

136 Kransje,—nl. de mededeeling van eene waarheid.

NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG

3 Wier zonden, nl. de 7 P's die nu alle uitgewischt zijn.

27 Onder eenigen sluier, d.w.z. verstoken van de Kennis des Goeds en des Kwaads.

46 het verkeerd geziene: letterl. het gemeene, d.i. wat beiden dingen gemeen is, dus de gelijkenis doet vinden.

75 Penseelen, het Italiaansche pennelli kan ook beteekenen: baniertjes of wimpels. Delia, nl. Diana of de Maan.

79 de zeven kandelaren = de zeven gaven v. d. Heiligen Geest; de tien schreden = de tien geboden.

82 Vierentwintig ouderlingen—vertegenwoordigend 24 boeken van het Oude Testament, zie Apocal. IV. 4.

94 Argus, de duizend-oogige bewaker, verbeeldende den sterrenhemel, door Juno over hare medeminnares Iö tot bewaker gesteld; hij werd door Mercurius Jupiter ten gevalle gedood. Zijne oogen kwamen neer op Juno's vogel, den pauw.

108 De griffoen is een uit twee dieren samengesteld dier. Het voorste deel van het lichaam is van een arend, het achterdeel van een leeuw. Met dit dier wordt Christus voorgesteld, in wien twee naturen zijn: de goddelijke, die zich verheft (de arend) en de menschelijke, die aan de aarde gebonden is (de leeuw).

118 De zonnekar, door Phaëton onkundig bereden, zoodat hij de aarde verzengde, werd verbrand. Dante verbeeldt hierin alle hare rechtmatige grenzen te buiten gaande macht, waarschijnlijk die der Rom. Curie, die, tot de geestelijke heerschappij geroepen, zich ook de wereldlijke aanmatigt.

121 Drie vrouwen: Liefde, Hoop, Geloof.

130 vier: voorzichtigheid, rechtvaardigheid, moed en gematigdheid. Voorzichtigheid leidt den dans; deze heeft drie oogen.

133 twee, Lucas als geneesheer, en schrijver der Handelingen, Paulus met het zwaard der waarheid.

142 Vier, wie der apostelen of kerkvaders is niet zeker; een oude is Johannes, die slapende de Gezichten der Openbaring zag.

154 teekenen: de kandelaren.

DERTIGSTE ZANG

1 Het zevengesternte zijn de zeven kandelaren. Zie XXIX. 49. De eerste Hemel is het aardsche Paradijs.

16 Zóó groot eenen grijsaard—een van de 24, zie canto 29—dus Salomo als schrijver van het Hooglied.

23 Roos-kleurig, misschien beter „vol-daan”.

39 De aangehaalde woorden zijn die, waarmede Virgilius Dido's liefde kenschetst voor haren eersten man. Zoo ook vs. 48.

52 alles wat, nl. al de heerlijkheden van het Paradijs.

57 zwaard, nl. van het berouw.

73 verwaardigdet, dit is met eenige ironie gezegd en met eenige bitterheid over Dante's afdwalingen.

82 Psalm 30. (Vulgata).

85–90 Men lette er op hoe naar waarheid Italië's klimaat wordt beschreven, blootstaande aan de koude winden uit Slavonië, de heete uit Afrika.

109 De groote raderen, de hemelsferen. Het zaad, nl. ieders aanleg.

112 Met de dampen, die oorzaken zijn van de regens, worden hier vergeleken de ondoorgrondelijke oorzaken, die de goddelijke genade, hun gave, doen nederregenen. Hier wordt wederom even als in de Hel het gedrag der menschen afhankelijk gesteld van de inwerking der sterren en de goddelijke genade.

115 In vermogen, in mogelijkheid of aanleg, in tegenstelling met: in werkelijkheid.

116 gewaad genomen als kenmerk van het ambt door iemand bekleed.

133 De inblazingen of inspiratie die, op hare voorbede, God hem zond.

EEN EN DERTIGSTE ZANG

7 Mijne deugd, hier en meermalen elders wordt het woord deugd gebruikt in zijn oorspronkelijken zin van kracht, evenals het Latijnsche virtus, van vir, man. Vergelijk het Oud-Germaansch degen = held.

30 voor hen uit loopen,—bij wijze van huldebetoon.

40 Het zwaard der gerechtigheid wordt gescherpt door een rad. In geval van belijdenis keert het rad zich tegen de snede en wordt het zwaard gestompt.

46 het zaad nl. de oorzaak, hier de zware last van vs. 19.

57 zoodanig, niet meer behoorend tot de sterfelijke zaken.

70–72 door Noord- of Zuid-wind.

76 de eerste schepselen, de engelen.

81 Voor den griffoen. Zie XXIX, 108.

97 Psalm 50.

109 versta: de drie van ginds van de kar, de theologische deugden, die dieper spieden, zullen Uwe oogen scherpen om te zien in het aangename licht, dat daarbinnen, nl. in B.'s oogen is.

121 daarbinnen-in, nl. in B.'s oogen, het ééne en het andere bestier, zijn menschelijke en goddelijke natuur.

TWEE EN DERTIGSTE ZANG

23 De boom verbeeldt Rome of het Romeinsche Rijk.

37 „Adam” wordt geroepen als de eerste zondaar, maar ook wordt met Adam, die in het Aardsche Paradijs geplaatst zich vergreep aan den verboden Boom, verbeeld de Paus, die te Rome geplaatst als ondergeschikte van den Keizer, zich aan diens autoriteit onttrok en zich vergrijpt aan diens wereldlijke macht. Van de ongehoorzaamheid des Pausen komt de verlatenheid van het Romeinsche Rijk, de wanorde en ellende van Italië.

52 In de lente staat de zon in den Ram die volgt op de Visch.

64 Iö werd bemind door Jupiter; Juno had daar erg in; Jupiter herschept de beminde in eene koe; Juno laat de koe bewaken door den honderd-oogigen Argus; Jupiter zendt Mercurius die zoetelijk zingt van Syrinx, de nimf bemind door Pan, zoodat Argus' honderd oogen insluimeren en hij door Merc. wordt gedood.

82 Pia = Mathilde.

73–87 Christus wordt hier vereenzelvigd met den appelboom uit het Hooglied cap. II, en voor de geheele vergelijking zie men Mattheüs XVII. Met den diepen slaap is bedoeld die van Lazarus.

100–102 Vreemdeling, eigenlijk woudbewoner, silvano. Italië wordt als woud of wildernis beschouwd in tegenstelling met den Hemel, hier Rome genoemd, met Christus als burger.

109 De bliksem gedacht als komende (regenende) uit de hoogste luchtstreek, grenzende aan het vuur.

De adelaar verbeeldt de keizers, vervolgers der Christenen, de wolvin de ketterij.

124 Deze vederen verbeelden de wereldlijke macht en goederen aan de Kerk gegeven.

130 De draak verbeeldt Satan.

136 verg. Hel XIX 115.

externe link
externe link

142 De hoofden verbeelden de zonden der Kerk, de Hoer, de Pausen; de Reus, die koningen van Frankrijk die bewerkten dat de Paus zijn zetel te Avignon hield.

154 —naar mij—nl. naar de Ghibellijnen.

157–160 Door het vertrek der Pausen naar Avignon (hier voorspeld en gebeurd in 1305 onder Clemens V) raakt de Paus geheel uit het oog der Ghibellijnen.

DRIE EN DERTIGSTE ZANG

1 De psalm 78, waarin voorzegd worden de rampen die zullen komen over Jerusalem, hier toegepast op die van Italië.

34 Het vat—nl. de wagen die de Kerk verbeeldt.

43 een aanvoerder, een keizer door Dante steeds verwacht als hersteller van het Pausdom binnen de daaraan gestelde grenzen en als hervormer van het geheele Rijk, vooral van Italië.

49 Zonder schade enz. Zooals te Thebe de oplossing van het raadsel der Sfinx door Oedipus.

63 nl. door zich te laten kruisigen.

67 De wateren van den Elsa (in Toscane) overdekken al wat er in valt, met een steenachtige laag. Piramus maakte met zijn bloed de witte moerbei rood.

76 d.i. opdat men wete dat gij hier zijt geweest, gelijk men aan de palm-bladeren om den pelgrimsstaf, de pelgrims herkent die in het Heilige Land zijn geweest.

91 ulieden, de hemelingen.

123 Alleen van het kwade verliest men de heugenis door het drinken van Lethe.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings