← Table of contents
Dante's Louteringsberg

DERTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Zie Beatrice, te midden van de feestelijke toejuichingen en eerbetuigingen der Engelen. Virgilius is vertrokken en Dante weent. Tot hem wendt zich de goddelijke Vrouwe, en gispt hem hevig over zijne vergetelheid en ontrouw. Waardoor de Dichter zoo verbijsterd geraakt, dat de Engelen zelf er erbarmen mede betuigen. Beatrice houdt niettemin aan en, om hem meer te deemoedigen, ontvouwt zij hem zijne ondankbaarheid en zijne dwalingen.

1 Wanneer het zevengesternte van den eersten Hemel, dat noch ondergang ooit kende, noch opgang, noch sluier van eenigen anderen nevel dan schuld,

4 en dat dáár een iegelijk indachtig maakte aan zijnen plicht, gelijk het lagere [zevengesternte een iegelijk], die de roer-pen draait om in de haven te geraken,

7 stille stond, keerde dat waarachtige volk, eerst gekomen tusschen den griffoen en dat gesternte, zich tot de kar, als tot zijnen vrede:

10 en één van hen, of hij ware van den hemel gezonden: „kom mijne bruid van den Libanon,” zingende, riep hij drie malen, en alle de anderen hem nà.

13 Gelijk de zaligen bij den jongsten ban op zullen staan, vlug een iegelijk uit zijne holte, het weer aangenomen vleesch op doende rijzen,

16 aldus op den goddelijken wagen, rezen er honderd, „op de stem van zóó groot eenen grijsaard,” dienaren en boden des eeuwigen levens.

19 Allen zeiden: „Gezegend, gij die komt;” en bloemen werpende van omhoog en in het rond: „Geeft, o geeft met volle handen leliën.”

22 Wel zag ik bij het beginnen van den dag het Oostelijk deel des hemels gansch rooskleurig, en den overigen hemel met schoone wolkeloosheid gesierd,

25 en het gelaat der zon beschaduwd geboren worden, zóó dat door de matiging der dampen het oog haar langen tijd doorstond:

28 aldus, binnen eenen nevel van bloemen, die van de engelen-handen oprees en nederviel binnen en buiten [den wagen]

31 met den olijf-krans boven den witten sluier, verscheen mij eene vrouw, die, onder den groenen mantel, gekleed was met de verwe van levende vlam.

34 En mijn geest,—daar het reeds zóó lang her was, sinds hij in hare tegenwoordigheid van verstomming sidderende, was verbroken—

37 zonder door de oogen meer kennisse van haar te krijgen, voelde door de verborgen kracht, die van haar uit ging, „het groot vermogen der oude liefde.”

40 Zoodra de hooge deugd mij in de oogen trof, die mij had doorschoten vóór ik buiten den knapenleeftijd was,

43 draaide ik mij ter slinker, met dat vertrouwen, waarmede het kindje tot de moederborst snelt, wanneer het vrees heeft of bedroefd is,

46 om te zeggen tot Virgilius: „Minder dan een wichtjen bloed is mij gebleven dat niet siddert: ik herken de teekenen der oude vlam;”

49 maar Virgilius had ons verlaten, zoodat wij van hem verstoken waren, Virgilius, die zoetste vader, Virgilius, wien ik mij tot mijn heil had overgegeven;

52 en dat alles, wat onze Oude Moeder (Eva) had verloren, vermocht niet op mijne wangen, die van tranen vrij waren, zóóveel dat zij niet weenende werden verduisterd.

55 „Dante, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog niet, daar het om een ander zwaard u voegt te weenen.”

58 Gelijk een admiraal, die op vóór- en achter-steven komt om de lieden te zien, die de andere schepen bedienen, en om wèl te handelen hen aanmoedigt,

61 zóó zag ik, op den linkerrand der kar, wanneer ik mij keerde op het geluid van mijnen naam, die noodzakelijkerwijze hier wordt opgeteekend,

64 de Vrouwe, die te voren mij verscheen gesluierd onder den engelen-feesttooi, de oogen te mijwaart richten van gene zijde der rivier.

67 Ofschoon de sluier, die haar daalde van het hoofd, omkranst met het loover van Minerva, haar niet openbaar liet verschijnen,

70 ging zij, koninklijk, in het gebaar nog onmeedoogend, voort, gelijk degene, die spreekt, en het warmere spreken nog achterhoudt:

73 „Aanschouw mij wèl: wèl ben, wèl ben ik Beatrice: hoe verwaardigdet gij u tot den berg toe te komen? Wist gij niet dat hier de mensch gelukkig is?”

76 Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin ziende, trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte bezwaarde mij het voorhoofd.

79 Aldus dunkt de moeder trotsch den zoon, gelijk zij mij docht; omdat bitter smaakt de strenge moederliefde.

82 Zij zweeg, en de engelen zongen plots: „In U Heer heb ik gehoopt;” maar verder dan tot „mijne voeten” kwamen zij niet.

85 Zooals sneeuw te midden der levende balken over den rug van Italië bevriest, als zij wordt beademd en genepen door de Slavonische winden,

88 voorts gesmolten in zich zelve druppelt, mèt dat het land, waar de mensch zijn schaduw kwijt gaat, blaast, zooals men 't vuur de kaars ziet doen smelten;

91 zóó was ik zonder tranen en zuchten vóór het zingen van degenen, die altijd maat-houden, volgende de maten der eeuwige sferen.

94 Maar nadat ik had vernomen in hunne zoete maatgeluiden hun erbarmen met mij, méér dan zoo ze gezegd hadden: „Vrouwe, waarom hem zóó vernederd?”

97 werd de vorst, die me rond het hart was verhard, tot adem en tranen, en met doods-weeën kwam ze door mond en oogen uit de borst.

100 Zij, steeds stille op de gezegde zijde des wagens staande, richtte voorts hare woorden aldus tot de vrome wezens:

103 „Gij waakt in den eeuwigen dag, zoodat nacht noch slaap u eene schrede steelt, welke de eeuw doet op hare wegen;

106 waarom mijn antwoord met meer zorg is, opdat mij versta degene, die daar weent, waardoor zijne schuld en de droefenis daarover van ééne mate zij.

109 Niet maar door de in-werking der groote raderen, die elk zaad tot eenig doel sturen, al naar de starren begeleidsters zijn;

112 maar door mildheid der goddelijke genade, die zóó dichte dampen voor hare regens heeft, dat onze blikken hun niet nabij komen,

115 was deze aldús in zijn jonge leven in vermogen, dat alle passende gewaad hem wonder wel hadde gestaan.

118 Maar zoo veel slechter en meer verwilderd wordt de bodem door het kwade zaad en wanneer hij niet goed is bebouwd, hoe meer eigen goede kracht hij heeft.

121 Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen hem vertoonende, leidde ik hem [zoodat hij was] met mij op het goede doel gericht.

124 Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van leven verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich aan een ander.

127 Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en minder gevallig;

130 en hij richtte de schreden langs den niet waren weg, valsche schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat ze beloofden.

133 Noch dat ik voor hem inblazingen wist te winnen van God, vermocht mij iet, waarmede ik hem in den droom en op andere wijze terugriep; zóó weinig gaf hij er om.

136 Zóó diep viel hij, dat alle middelen tot zijn heil reeds te kort schoten, behalve hem de verdoemden te doen zien.

139 Om hèm bezocht ik den ingang der dooden en tot hèm, die hem tot hier omhoog heeft geleid, werden mijne gebeden weenende gebracht.

142 Het hooge gebod van God zou worden verbroken, als Lethe werd gepasseerd, en zulk een drank werd geproefd zonder eenigen tol van berouw, dat tranen plengt.

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings