NEGENTIENDE ZANG
H. J. Boeken translation
Hierin wordt beschreven het mysterieuze Gezicht, dat kort voor den dageraad aan Alighieri, als hij slaapt, zich vertoont. De Dichters bestijgen den vijfden Ommegang waar de zielen, liggende en met het aangezicht naar de aarde gekeerd, de zonde der gierigheid beweenen. Zij komen tot Adrianus V uit het huis Fieschi, die op de vraag van Alighieri antwoord geeft.
1 Te dier stonde, wanneer de warmte des daags niet meer de koude der maan kan lauw maken, verwonnen door de Aarde of somtijds door Saturnus;
4 wanneer de geomanten hun grootste geluk zien in het Oosten, voor den dageraad, opkomend langs den weg, die nog maar kort donker blijft;
7 kwam mij in den droom te voren eene stamelende vrouw, met de oogen loensch en boven de voeten verdraaid, met de handen verminkt en bleek van kleur.
10 Ik staarde haar aan; en, gelijk de Zon troost de koude ledematen, welke de nacht(koude) bezwaart, zoo maakte mijn blik haar los
13 de tong en voorts maakte hij haar gansch recht in korten tijd en het vervaalde gelaat kleurde hij zóó als liefde het wil.
16 Nadat zij aldus de spraak óntbonden had, begon zij te zingen zóó, dat ik met moeite mijne aandacht van haar zou hebben afgewend.
19 „Ik ben,” zong zij: „ik ben de zoete Sirene, die de zeelieden midden op zee doe verdwalen; zóó vol ben ik van welbehagen om waar te nemen.
22 Ik heb Ulysses van zijn zwerftocht naar mijnen zang afgeleid; en wie met mij zich vergemeenzaamt, zelden gaat hij van mij, zoo zeer paai ik hem gansch.”
25 Nog was haar mond niet gesloten, wanneer eene vrouw verscheen, heilig en vlug, langs mij om gene ontsteld te maken.
28 „O Virgilius, Virgilius, wie is deze?” zeide zij verontwaardigd; en hij kwam, met de oogen stadig gericht op die eerbare.
31 Zij greep de andere en opende haar van voren de kleederen, ze scheurende, en toonde mij haar buik; die wekte mij door den stank, die er van uitging.
34 Ik keerde de oogen [tot hem]; en de goede Virgilius zeide: „Minstens drie [wek]-woorden heb ik tot u gesproken: sta-op en kom, vinden wij de poort, door welke gij binnen-ga.”
37 Ik rees op, en alle de ommegangen van den heiligen berg waren reeds vol van den hoogen dag, en wij gingen met de nieuwe Zon op onze lendenen.
40 Hem volgende, droeg ik mijn voorhoofd gelijk degene, die het beladen heeft met gedachten, en van zich een halven boog van een brug maakt;
43 wanneer ik: „Komt, hier treedt men in,” zeggen hoorde op zachte en welwillende wijze, zooals men het niet hoort in deze sterfelijke streek.
46 Met de vleugelen geopend, die schenen te zijn van een zwaan, richtte ons naar boven degene, die aldus tot ons sprak, tusschen die twee wanden van harde rots-steen.
49 Voorts bewoog hij de vlerken en waaierde ons, verzekerende dat gelukzalig zijn wie treuren [qui lugent], daar hunne zielen het vertroosten zullen vinden.
52 „Wat hebt gij dat gij staêg naar de aarde staart?” begon mijn Gids tot mij te zeggen, en wij beiden waren [slechts] weinig boven den Engel opgestegen.
55 En ik: „Met zóó groote achterdocht doet mij gaan een nieuw gezicht, dat mij tot zich trekt, zóó dat ik mij niet van de gedachte los kan maken.”
58 „Zaagt ge,” zeide hij: „die oude tooveres, die alleen nog boven ons wordt beweend? Zaagt ge hoe de mensch zich van haar losmaakt?
61 Dit zij u genoeg, en zet de hielen op den grond, en richt de oogen weer omhoog naar dat lok-aas, dat de eeuwige Koning doet draaien met de groote raderen.”
64 Gelijk de valk, die eerst op de voeten rondschouwt, voorts zich draait naar den kreet [des valkeniers] en zich uitstrekt, door de begeerte naar het voeder, dat hem daar lokt;
67 zóó maakte ik mij zelven, en zóó, over zoo grooten afstand als waarover de rots zich splijt om doorgang te geven aan wie naar boven gaat, ging ik verder tot daar waar men weer het rondgaan krijgt.
70 Zoodra ik op den vijfden ommegang was naar buiten getreden, zag ik daarop luiden, die weenden, liggende op den grond gansch omlaag gekeerd.
73 „Adhaesit pavimento anima mea” [mijne ziel kleefde aan het plaveisel] hoorde ik dat zij zeiden met zoo diepe zuchten, dat het woord ternauwernood werd gehoord.
76 „O uitverkorenen van God, wier lijden èn gerechtigheid èn hoop minder hard maken, richt ons naar de hooge opstijgingen.”
79 „Indien gij lieden komt, van het liggen vrij-gesteld, en gij den weg ten vroegste wilt vinden, laat uw rechterzijden aan de buiten-zijde zijn.”
82 Zóó bad de Dichter, en zóó werd ons een weinig voor ons uit geantwoord; waarom ik, al sprekende, lette op het overige, dat verborgen was.
85 En ik wendde toen de oogen tot den Heere mijn; waarop hij mij toestond, met blijd gebaarde, dat waarom de aanblik der begeerte [in mij] hem vroeg.
88 Nadat ik met mij handelen kon naar mijnen zin, begaf ik mij boven dat schepsel, welks woorden mij oplettend hadden gemaakt,
91 zeggende: „Geest, in wien het weenen tot rijpheid brengt datgene, zonder het welk men niet tot God kan keeren, staak een weinig voor mij uwe grootere zorg.
94 Wie waart gij, en waarom hebt gij de ruggen naar boven gekeerd, zeg het mij, en of gij wilt dat ik voor u eenig ding gedaan krijge daar, van waar ik levend opging.”
97 En hij tot mij: „Waarom de hemel onze achterdeelen naar zich keert, dat zult gij weten: maar eerst, scias quod ego fui successor Petri [weet dat ik was opvolger van Petrus].
100 Tusschen Siestri en Chiaveri daalt een schoone stroom, en van zijnen naam leidt de titel van mijn bloed zijn oorsprong af.
103 Eene maand en weinig meer ervoer ik hoe de groote mantel weegt hem, die voor het slijk hem bewaart, zoodat een veder lijken alle andere lasten.
106 Mijne bekeering, wee mij! was traag; maar toen ik tot Herder van Rome was gemaakt, ontdekte ik het bedriegelijke leven.
109 Ik zag dat daar het hart niet tot rust kwam, en dat men niet verder kon stijgen in dat leven; waarom naar dit leven in mij de liefde ontbrandde.
112 Tot op dat tijdstip was mijne ziel ellendig en van God vervreemd, naar het al begeerig; en, zooals gij ziet, word ik er voor gestraft.
115 Dat wat gierigheid doet, wordt hier vertoond in de loutering der omgekeerde zielen, en geene bitterder boete heeft de berg.
118 Zooals ons oog zich niet ophief ten hoogen, daar het was gevest op de aardsche zaken, zóó heeft gerechtigheid hier op den grond het ondergedompeld.
121 Gelijk gierigheid onze liefde tot al het goede uitdoofde, waardoor alle arbeid te loor ging, zóó houdt gerechtigheid hier ons bekneld,
124 aan de voeten en aan de handen gebonden en vast gehouden; en hoelang het 't welbehagen zal zijn des gerechten Heeren, zóó lang zullen wij blijven onbewegelijk en uitgestrekt.
127 Geknield had ik mij, en wilde spreken; maar toen ik begon en hij, alleen door te hooren, mijn eerbiedenis gewaar wierd:
130 „Welke oorzaak,” zeide hij: „heeft u aldus gekromd?” En ik tot hem: „Wegens uwe waardigheid noopte mij daartoe mijn geweten.”
133 „Zet de beenen recht en hef u op, broeder,” antwoordde hij: „dwaal niet, ik ben een medeslaaf met u en met de anderen voor ééne macht.”
136 Zoo gij ooit dat heilig evangelie-woord, dat zegt neque nubent, hebt vernomen, kunt gij goed zien, waarom ik aldus redeneer.
139 Ga nu heen; ik wil niet dat gij u meer ophoudt, daar uw blijven mijn weenen bemoeilijkt, waarmede ik tot rijpheid breng dat wat gij gezegd hebt.
142 Eene nicht heb ik in het gindsche leven, die den naam heeft Alagia, goed uit zich zelve, als maar niet ons huis haar slecht maakt door het voorbeeld;
145 en zij alléén is mij daar ginds gebleven.

