EEN EN TWINTIGSTE ZANG
H. J. Boeken translation
Terwijl de Dichters zich haasten naar de trap, zien zij zich begroet door eene Schim, die hun achterop kwam. Deze door Virgilius wederom gegroet, verkrijgt op zijne vragen een antwoord en gevraagd zijnde, openbaart hij de oorzaak van het schudden des bergs en ook eenige zaken van zijn leven.
1 De dorst van onzen aard, die nooit wordt gelescht dan met het water waarvan het Samaritaansche vrouwtje de genade vroeg,
4 pijnigde mij; en noopte mij tot haast over den belemmerden weg, achter mijnen Gids; en medelijden voelde ik met rechtvaardige wraak.
7 En zie, zooals Lucas ervan schrijft, dat Christus verscheen aan twee, die op den weg waren, reeds opgestaan uit de holte van het graf;
10 verscheen ons eene schimme en kwam achter ons, aan hare voeten ziende naar de menigte, die ligt; en wij werden haar niet gewaar, tot ze sprak,
13 zeggende: „Broederen mijn, God geve u vrede.” Wij keerden ons plotseling, en Virgilius gaf hem dàt teeken tot antwoord, dat past bij zulke begroeting.
16 Voorts begon hij: „In de vergadering der gelukzaligen zette in vrede u dat waardige Hof, dat mij tot eeuwige verbanning verwijst.”
19 „Hoe?” zeide hij (en snel gingen wij een stuk verder): „zoo gij schimmen zijt, welke God niet boven eene plaats waardig keurt, wie heeft u op Zijne trap zóó ver geleid?”
22 En de Leeraar mijn: „Zoo gij schouwt naar de teekenen, welke hij draagt en welke de engel teekent, zult ge zien dat het voegt, dat hij met de goeden regeere.
25 Maar omdat zij, die dag en nacht spint, voor hem nog niet het kluwen had afgesponnen, dat Cloto voor een ieder [op het rokken] legt en schikt,
28 kon zijne ziel, die van de uwe en de mijne zuster is, omhoog komende, niet alleen komen; waarom hij ook niet naar onze wijze rond-blikt;
31 vandaar dat ik werd getogen buiten den ruimen muil der hel om hem te wijzen, en ik zàl hem wijzen verder, zooverre als hem mijne leering kan leiden.
34 Maar zeg mij of gij weet waarom zulke stooten zooeven de berg gaf, en waarom allen eenstemmig schenen te schreeuwen overal op den berg tot zijne zachte voeten?”
37 Aldus vragende trof hij mij in het oog van de naald mijner begeerte, zoo dat immers door de hoop mijn dorst minder nuchter begon te worden.
40 Gene begon: „Niets is er wat de heiligheid des bergs gevoelt buiten de orde of wat buiten de gewoonte zij.
43 Vrij is het hier van alle verandering: door wat de Hemel van zich zelven in zich zelven ontvangt, kan hier verandering zijn, maar door geene andere oorzaak:
46 waarom noch regen, noch hagel, noch sneeuw, noch dauw, noch rijp meer naar boven valt dan de korte trap van drie treden.
49 Noch dikke nevelen verschijnen hier, noch ijle, noch 't rossig weerlicht, noch de dochter van Thaumas, die ginds dikmaals van windstreek wisselt.
52 Droge damp rijst nooit verder dan tot de hoogste der drie treden, die ik noemde, waar de stadhouder van Petrus de voetzolen heeft.
55 Meer naar beneden heeft het bij geval weinig of veel, maar door wind, die in de aarde zich verbergt, ik en weet hoe, beefde het hier boven nooit.
58 Het beeft er wanneer eenige ziel zich rein voelt zóó, dat zij oprijst, of zich opmaakt om op te stijgen, en zulk een kreet verzelschapt haar.
61 Van de reinheid geeft het éénig willen het bewijs, dat, gansch vrij om van woonplaats te veranderen, de ziel inneemt; en het willen lust haar.
64 [Ook] eerder wil zij het goede; maar de begeerte laat haar niet [vrij], welke de goddelijke gerechtigheid tegen ['s menschen] wil, gelijk zij tegen het zondigen was, richt op de loutering.
67 En ik die vijfhonderd jaren en meer gelegen heb om dit lijden (der loutering te ondergaan) voelde eerst nu vrijen wil tot betere verblijfplaats.
70 Dáárom voeldet gij de aardbeving en gaven de vrome geesten rondom op den berg lof aan dien Heer, die weldra hen opwaarts zende.”
73 Aldus zeide hij; en omdat men zooveel genot heeft van het drinken als de dorst groot is, zoude ik niet weten te zeggen hoezeer hij mij baatte.
76 En de wijze Gids [zeide]: „Alsnu zie ik het net, dat hier u grijpt, en hoe men het ontkomt, waar om het hier beeft en waarover gij u mede verblijdt.
79 Nu gevalle het u dat ik wete wie gij waart, en uit uwe woorden begrijpe ik, waarom gij hier zóó vele eeuwen gelegen hebt.”
82 „Ten tijde dat de goede Titus met behulp van den hoogsten Koning de gaten wreekte, waar het bloed uitging, door Judas verkocht,
85 was ik daarginds met den naam, die het meest duurt en het meest eert,” antwoordde die geest, „wel befaamd, maar nog zonder geloof.
88 Zóó zoet was de geest mijner zangen, dat Rome mij, den Tolosaan, tot zich trok, en dáár verdiende ik het de slapen met myrte te sieren.
91 Nog noemt het volk daarginds mij Statius; ik zong van Thebe, en voorts van den grooten Achilles; maar ik viel op den weg met den tweeden last.
94 Voor mijnen brand waren het zaad de vonken, die mij warmden, van de goddelijke vlam, waaraan meer dan duizend zijn ontstoken;
97 Van de Aeneïs spreek ik, welke mij moederborst was, en zij was mij zoogster bij het dichten: zonder haar hadde ik niet het wicht van een drachme tot vasten vorm gebracht.
100 En, om ginds geleefd te hebben wanneer Virgilius leefde, zoude ik gaarne toestemmen in éénen zonnegang méér dan ik verschuldigd ben, voordat ik uit mijn ballingschap zoude uitgaan.”
103 Deze woorden wendden Virgilius tot mij, met een aangezicht, dat zwijgende zeide: „Zwijg!” Maar niet alles kan dàt vermogen [in ons] dat wil;
106 daar lachen en geween zoo volgzaam zijn voor de aandoening waarvan elk ontspringt, dat ze het minst den wil volgen in de waarachtigste menschen.
109 Toch glimlachte ik, als een mensch, die een teeken [van verstandhouding] geeft; waarom de schimme zweeg, en mij in de oogen zag, waar de gelijkenis [der ziel] allermeest wordt uitgedrukt.
112 En: „Zoo waarlijk moogt gij zóó groot werk tot een goed einde brengen,” zeide hij: „waarom vertoonde uw gelaat een weerlicht van gelach?”
115 Nu ben ik van den éénen en den anderen kant besprongen: de ééne doet mij zwijgen, de andere bezweert mij dat ik zegge: waarom ik zucht en gegrepen word.
118 „Zeg het,” zeide mijn Meester: „en heb geen vrees te spreken, maar spreek en zeg hem dat wat hij met zóó grooten nadruk vraagt.”
121 Waarom ik: „Wellicht dat gij u verwondert, geest uit de oudheid, waarom ik dat lachen deed; maar meer verwondering wil ik dat u grijpe.
124 Deze, die mijne oogen ten hoogen leidt, is die Virgilius, van wien gij kracht kreegt om te zingen van goden en menschen.
127 Zoo gij gelooft dat er een andere reden was voor mijn lachen, laat haar varen als niet waar; en geloof dat die woorden het zijn die gij over hem zeidet.”
130 Reeds knielde hij om mijnen leeraar de voeten te omhelzen; maar deze zeide: „Broeder, doe dat niet, daar gij eene schimme zijt en gij eene schimme ziet.”
133 En hij opstaande (zeide): „Nu kunt gij de hoe-grootheid vatten van de liefde, die tot u mij verwarmt, wanneer ik onze ijdelheid vergeet, de schimmen behandelende als een ondoordringbare zaak.”
