VIER EN TWINTIGSTE ZANG
H. J. Boeken translation
Forese wijst Dante verscheidene zielen van Gulzigen, onder anderen den dichter Buonagiunta, die den Florentijn eene nieuwe liefde voorspelt, en hem prijst om den te voren nooit gehoorden, zoeten stijl van zijne gedichten. Na in duistere bewoordingen den dood van zijnen broeder Corso te hebben voorzeid, gaat Forese van hen weg. Hunnen weg vervolgende, hooren de Dichters bij een boom voorbeelden ter verschrikking voor de gulzigen, en weinig later ontmoeten zij den Engel en vinden zij den doorgang naar den hoogeren, den Zevenden Omgang.
1 Noch het spreken maakte het gaan, noch het gaan het spreken langzamer, maar redeneerende gingen wij met kracht, zooals een schip, gedreven door goeden wind.
4 En de schimmen, die schenen dingen ten tweeden male gestorven, trokken door de holten hunner oogen bewondering van mij, wanneer zij mijn leven gewaar werden.
7 En ik, mijn gesprek voortzettende, zeide: „Zij gaat wellicht langzamer omhoog dan zij doen zoude, ter wille van den ander.
10 Maar zeg mij, zoo gij weet, waar Piccarda is; zeg mij of ik personen zie, (waardig) om op te merken, onder deze lieden, die zóó naar mij kijken.”
13 „Mijne zuster, die van schoon en goed ik niet weet wat meer was, triumfeert reeds op den hoogen Olympus, blijde om hare kroon.”
16 Zoo zeide hij eerst; en voorts: „Hier is niet verboden een elk te noemen, vermits onze gelijkenis zóó weggeteerd is door de leefwijze.
19 Deze (en hij wees met den vinger) is Buonagiunta, Buonagiunta uit Lucca: en dat aangezicht ginds van hem, meer dan de andere uitgehold,
22 had de heilige Kerk in zijne armen; van Tours was hij en boet door vasten voor de paling van Bolsena en den witten wijn.”
25 Vele anderen noemde hij één voor één, en in het noemen schenen allen tevreden, zóó dat ik daarom geen enkelen donkeren blik zag.
28 Ik zag van honger in het ijle de tanden gebruiken Ubaldijn dalla Pila en Bonifazio, die met het spinrokken velen lieden tot herder was.
31 Ik zag den heer Marchese, die weleer te Forli tijd had om te drinken met minder droogte van keel en nochtans zoo was, dat hij zich niet verzadigd voelde.
34 Maar, gelijk hij doet die kijkt, en dàn het ééne meer prijst dan het àndere, zóó deed ik met dien van Lucca, die meer van mij scheen te willen weten.
37 Hij mompelde; en ik en weet welke „Gentucca” werd ik gewaar daar, waar hij de marteling der gerechtigheid gewaar werd, die hem zoo plukt.
40 „O ziel,” zeide ik: „die zóó begeerig schijnt om met mij te spreken, maak dat ik u versta, en bevredig u en mij door uw spreken.”
43 „Eene vrouw is geboren, en zij draagt nog niet den hoofdband,” begon hij: „die u mijne stad zal doen bevallen, hoe ook de menschen haar bevitten.
46 Gij zult henen-gaan met dit vóórzien: indien mijn mompelen u tot dwalen zal hebben gebracht, zullen de feiten u verlichten.
49 Maar zeg of ik hier zie degene die te voren bracht de nieuwe rijmen, beginnende: „Vrouwen, die begrip van liefde hebt.””
52 En ik tot hem: „Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in mij dicteert, voortga het opteekenende.”
55 „O broeder, nu zie ik;” zeide hij: „den knoop, die den Notaris en Guittone en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten nieuwen stijl, welken ik hoor.
58 Ik zie wèl hoe uwe pennen op den voet dengene die dicteert, volgen, hetwelk met de onze voorzeker niet geschiedde.
61 En degene, die er zich toe zet de zaak verder te bekijken, hij ziet niet meer van den éénen tot den anderen stijl.” En als tevreden gesteld, zweeg hij.
64 Gelijk de vogelen, die langs den Nijl verwinteren, wel eens in de lucht eenen dichten drom van zich maken, dan meer met haast vluchten en gaan in een streep;
67 aldus [deden] de luiden, die daar waren: het aangezicht keerende, verhaastten zij hun schrede, èn door de magerheid èn door de begeerte licht zijnde.
70 En gelijk de mensch, die door draven vermoeid is, de gezellen laat gaan en in stap gaat totdat het snel op en neer gaan van de borstkas tot bedaren komt;
73 zoo liet Forese de heilige kudde voorbijgaan en ging achter mij aan, zeggende: „Wanneer gebeure het dat ik u wederzie?”
76 „Ik weet,” antwoordde ik hem: „niet hoelang ik leef; maar alreede zal mijn keeren niet zoo snel zijn, of met het verlangen zal ik eerder aan den oever zijn,
79 omdat de plaats waar ik geplaatst ben om te leven, van dag tot dag meer van het goede wordt ontdaan, en bestemd schijnt tot droeven ondergang.”
82 „Dan ga,” zeide hij: „daar ik hem, die er het meeste schuld aan heeft, zie aan den staart van een beest getrokken naar dàt dal, waar men nooit de schuld kwijt gaat.
85 Het beest gaat bij elken stap sneller, altijd toenemende, totdat het hem trapt en het lichaam schandelijk verminkt laat.
88 Niet hebben véél meer te draaien deze raderen (en hij richtte de oogen ten hemel) dat u duidelijk zal worden dat wat mijn zeggen niet meer kan verduidelijken.
91 Blijf gij nu achter, daar de tijd kostbaar is in dit rijk zóó, dat ik te veel verlies door zóó gelijk met u op te loopen.”
94 Gelijk wel eens in galop de ruiter uitgaat van de ruiterschare, die optrekt, en gaat om zich de eer te geven van den eersten aanval;
97 zóó scheidde hij van ons met groote schreden: en ik bleef terug met die beiden, die van de wereld zóó groote maarschalken waren.
100 En wanneer hij aldus voor ons was heengetreden, dat mijne oogen hem [evenmin] konden volgen als mijn geest zijne woorden;
103 verschenen mij de bezwaarde en levende takken van eenen anderen appelboom, en niet verre verwijderd, daar wij eerst toen den weg daarheen waren ingeslagen.
106 Ik zag lieden onder hem de handen opheffen en schreeuwen ik en weet niet wat naar het loover, als begeerige en wufte kinderen,
109 die bidden, en de gebedene geeft geen antwoord; maar om hun begeerte wèl hevig te maken, houdt hij wat zij begeeren hoog en verbergt het niet;
112 voorts gaan zij er van weg, als ontgoocheld; ook wij kwamen alsnu tot den grootsten boom, die zoovele beden en tranen afscheept.
115 „Passeert verder zonder hem te naderen; hooger op is een boom, waarin gebeten werd door Eva, en deze plant stamt van gene af.”
118 Aldus tusschen de twijgen zeide er een ik weet niet wie, waarom Virgilius en Statius en ik, op elkaar gedrongen, verder passeerden aan die zijde die opgaat.
121 „Herinnert u,” zeide het: „de gemaledijden, in de wolken geformeerden, die met tweevoudige borst, met wijn verzadigd, Theseus bevochten:
124 en van de Hebreeuwen, degenen, die bij het drinken zich week betoonden, waarom Gideon ze niet tot gezellen wilde, wanneer hij te Madian-waart van de heuvelen daalde.”
127 Aldus, gedrongen tegen den eenen van de beide kanten, passeerden wij, hoorend [voorbeelden van] schuld door gulzigheid, weleer gevolgd door kwalijk bekomende winsten.
130 Voorts, in het ruime gekomen over den vrijen weg, begaven wij ons wel duizend en meer passen verder, ieder beschouwende zonder een woord.
133 „Waarover denkende gaat gij aldus gedrieën alleen?” zeide plotseling eene stem, waarop ik opschrok, zooals beesten doen verschrikt en schichtig.
136 Ik richtte het hoofd om te zien wie het was; en nooit zag men in een oven glas of metaal zoo lichtend en rood,
139 als ik er éénen zag, die zeide: „Zoo gij verlangt naar boven op te gaan, voegt het u hier om te slaan; hier langs gaat al wie wil gaan ten vrede.”
142 Zijn aanblik had mij het gezicht genomen; waarom ik afsloeg achter mijne leeraren, gelijk iemand die gaat volgens wat hij hoort.
145 En gelijk, voorbode van het licht, de Mei-lucht ons aanvaart en geurt, gansch bezwangerd door kruid en bloem;
148 zóó voelde ik me een wind komen midden op het voorhoofd, en wel voelde ik de veder bewegen die me den geur van ambrozijn deed ruiken;
151 en ik hoorde zeggen „Wel-zalig wie zooveel genade verlicht, dat de liefde tot [het genot van] den smaak in hun borst niet te veel verlangen doet walmen, hongerende altijd zóóveel als gerecht is.
