← Table of contents
Dante's Louteringsberg

TWINTIGSTE ZANG

H. J. Boeken translation

Paus Adriaan verlaten hebbende en langs dien Ommegang den weg vervolgende, hooren zij eene ziel eenige beroemde voorbeelden vermelden van deugden, die het tegendeel zijn van Gierigheid. Dante nadert haar, en haar gevraagd hebbende wie zij is en waarom zij alleen die daden verheft, hoort hij van haar dat zij is Hugo Capet èn eenen heftigen uitval op de ondeugden en de ongerechtigheden van zijne nakomelingschap. Voorts dient zij hem op zijn andere vraag, en verhaalt hem voorbeelden, welke in den nacht daar worden herhaald tot verschrikking der gierigen. De Berg schudt en van alle kanten verheft zich een lied van zegepraal; waarom in Alighieri ontwaakt een stekende begeerte om te leeren kennen de oorzaak van zoo groot eene nieuwigheid.

1 Tegen beteren wil strijdt kwade wil, vandaar dat tegen mijn gevallen, om hèm te gevallen, ik de nog niet verzadigde spons uit het water trok.

4 Ik bewoog mij, en mijn Gids bewoog zich over de onbezette plaatsen langs den rotswand, gelijk men over eenen muur gaat strijkelings langs de meerlen;

7 daar de lieden, die drop voor drop uitgieten door de oogen het kwaad, dat de gansche wereld bezet, aan de andere zijde te zeer den buitenkant naderen.

10 Gemaledijd zijt gij, oude wolvin, die meer dan alle de andere beesten buit hebt, wegens uwen bodemloozen honger.

13 O Hemel, door wiens ommegaan men schijnt te gelooven dat de toestanden hier beneden veranderen, wanneer zal komen degene, door wien weggaat deze wolvin?

16 Wij gingen met trage en schaarsche schreden, en ik met de aandacht gericht op de schimmen, die ik bemerkte dat erbarmelijk weenden en jammerden;

19 En bij geval hoorde ik: „Zoete Maria!” vóór ons zóó klagelijk roepen als eene vrouw doet, die in barensnood is;

22 en aldus voortgaan: „Zoo arm waart gij, als men zien kan aan die herberging, waar gij uwe heilige dracht nederlegdet.”

25 Vervolgens hoorde ik: „O goede Fabricius, gij wildet liever deugd met armoede dan grooten rijkdom met ondeugd bezitten.”

28 Deze woorden hadden mij zoo bevallen, dat ik mij verder begaf om kennis te hebben van dien geest, uit wien zij schenen te zijn gekomen.

31 Hij sprak ook van de mildheid, welke Nicolaas den maagden deed om hare jeugd tot eere te leiden.

34 „O ziele, die zoo goed spreekt, zeg mij wie gij zijt,” zeide ik: „en waarom gij alleen deze verdiende loftuitingen hernieuwt?

37 Uw woord zij niet zonder loon, als ik terug keer om den korten weg te voleinden van dat leven, dat naar het einde vliegt.”

40 En hij: „Ik zal het u zeggen, niet om den troost, dien ik van ginds wacht, maar omdat zóó groote genade in U licht voordat gij dood zijt.

43 Ik was de wortel van die kwade plant, die gansch Christen-land overschaduwt, zóó dat goede vrucht schaars er uit ontspruit.

46 Maar zoo Douais, Gent, Rijssel en Brugge vermochten, zoude er weldra wraak over zijn; en ik vraag die aan Hem, die alles richt.

49 Genoemd werd ik daarginds Hugo Capet: van mij zijn geboren de Philippen en Lodewijken, door wie nieuwlings Frankrijk is geregeerd.

52 Ik was de zoon van eenen slachter van Parijs: wanneer het met de oude koningen gedaan liep, allen behalve éénen, die zich gekleed had in de grauwe stof,

55 vond ik in mijne handen gegrepen den toom van het bestuur des rijks, en dat ik zoo groote macht van nieuws gekregen had en zoo rijk was aan vrienden,

58 dat ik tot de verweeuwde kroon het hoofd van mijnen zoon zag bevorderd, bij wien de geheiligde beenderen van genen begonnen.

61 Zoolang nog de groote schenking van Provence niet aan mijn bloed de schamelheid had ontnomen, vermocht het weinig, maar deed het geen kwaad.

64 Sinds dien begon het met geweld en logen zijnen roof; en voorts tot boete, nam hij Ponthieu en Normandië en Gascogne.

67 Karel kwam in Italië en tot boete maakte hij een slachtoffer van Conradijn; en voorts stuurde hij Thomas tot den hemel terug tot boete.

70 Nog niet veel daarna zie ik den tijd, die eenen tweeden Karel uit Frankrijk toog, om nog beter zich en de zijnen te doen leeren kennen.

73 Zonder wapenen ging hij er uit, en alleen met die lans, waarmede Judas zich weerde; en die punt hij zóódanig, dat ze Florence de pens doet barsten.

76 Vandaar zal hij geen land, maar zonde en schande winnen, voor hem te zwaarder als hij lichter zulke schade voor anderen tilde.

79 Den ander, die voorheen als krijgsgevangene ontscheepte, zie ik zijne dochter verkoopen en er verdragen mee bedingen, als zeeroovers doen met andere slavinnen.

82 O hebzucht, wat kunt gij er nog erger van maken, daar gij mijn bloed zoo zeer te uwaart hebt getrokken, dat het niet geeft om zijn eigen vleesch?

85 Dat nog minder schijne het komende en het gedane leed, zie ik de lelie in Alagna binnenkomen en, in zijn Stedehouder, Christus worden gevangen genomen.

88 Ik zie hem andermaal bespot worden; ik zie de edik en gal vernieuwd worden en (hem) tusschen nieuwe boosdoeners dooden.

91 Ik zie den nieuwen Pilatus zóó wreed, dat dit hem niet verzaadt, maar zonder verlof brengt hij in den tempel de begeerige zielen.

94 O Heer mijn, wanneer zal ik blijde zijn te zien wraak, die, verholen, zoet maakt den toorn van uw geheimenis?

97 Dat wat ik zeide van die eenige verloofde van den Heiligen Geest, en die u deed u te mijwaart richten om eenige verklaring,

100 is slechts zóó lang gevoegd naar onze bede, als de dag duurt; maar wanneer het nacht wordt, vernemen we tegengestelden klank ter afwisseling.

103 Dan herhalen wij [de daad van] Pygmalion, wien tot verrader, roover en moordenaar zijne begeerte maakte, op goud belust;

106 en het ongeluk van den begeerigen Midas, dat volgde op zijn hebzuchtige vraag, om welke het wel altijd te lachen voegt.

109 Van den dwazen Acam gedenkt voorts een ieder, hoe zijn buit was, zoodat het schijnt of de toorn van Jozua nog hier hem bijt.

112 Voorts beschuldigen wij met haren man Safira: wij prijzen de speer-stooten, die Heliodorus kreeg; en in kwade faam omwaart den ganschen berg

115 Polymnester, die Polydorus doodde. Ten laatsten roept men ons toe: „Crassus, zeg ons, gij die het weet, van welken smaak het goud is.”

118 Deze spreekt luid, gene zachtkens, volgens de aandoening, die ons te spreken noopt nu tot heftiger, dan tot kalmere uiting.

121 Daarom voor het goed, dat des daags hier zich laat hooren, was ik hier niet alleen; maar hier nabij verhief geen ander de stem.”

124 Wij waren reeds van hem vertrokken om zooverre op den weg verder te komen, als aan ons vermogen was vergund;

127 wanneer ik voelde, als een ding dat valt, den berg beven; van daar dat eene huivering mij beving, als te bevangen pleegt dengene, die ten doode gaat.

130 Voorzeker schudde niet zóó hevig Delos, voordat Latona daar haar nest maakte om de beide oogen des hemels te baren.

133 Voorts begon van alle kanten een kreet zóó dat de Meester zich te mij waart wendde, zeggende: „Wees niet wankelmoedig, zoolang ik u geleid.”

136 „Eere zij God”: zeiden allen, „in den hoogen” naar wat ik van dichte bij vernam, vanwaar de kreet kon verstaan worden.

139 Wij bleven staan onbewegelijk en in afwachting, als de herders, die voor het eerst dien zang hoorden, totdat het beven ophield en die zang werd afgezongen.

142 Voorts hervatten wij onzen heiligen weg, ziende naar de schimmen, die ter aarde lagen, reeds wedergekeerd tot hun gewone geween.

145 Geene onwetendheid maakte ooit met zulk eene kwelling mij begeerig tot weten, als mijne heugenis daarin niet dwaalt,

148 als ik me toescheen toen al denkende te hebben, noch bij het haastig voorwaarts gaan, durfde ik het vragen,

150 noch uit me zelven konde ik er iets van zien. Zóó ging ik verder, beschroomd en peinzend.

NA-SCHRIFT BIJ ZANG XX

Nu Dante, te midden der louterende zielen, al nader en nader zijne eigene loutering komt en de berg weldra, van vreugde over Dante's loutering—zooals in XXI wordt uitgelegd—beven zal, geeft de verschijning van Hugo Capet Dante gelegenheid zijne verbittering te uiten tegen de Fransche Koningen, Hugo's afstammelingen, allermeest tegen Karel van Valois (vs. 70–78) die in 1301 zonder leger in Italië gekomen, door Paus Bonifacius in staat werd gesteld een leger te werven en daarmede Florence bezette, de partij der Witten deed vallen en Dante's ballingschap veroorzaakte.

Ook is merkwaardig hoe Dante zijne verontwaardiging uitspreekt over het gevangen nemen van dienzelfden Bonifacius door Philips den Schoonen. Immers over de handelwijze van dezen Paus was Dante ten zeerst vertoornd; toch deed zijn onwrikbare eerbied voor het Pausdom hem in deze gevangenneming een gruwel-daad zien.

Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Illustration from Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings