ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
402a1—22. Voortreffelijkheid der zielkunde boven andere studieën doordat de ziel overgang vormt tusschen de waarheid in ’t algemeen en de natuur. Haar onderwerp in ’t algemeen. Hare moeilijkheid omdat met het onderwerp tevens de methode van wijsgeerig onderzoek en de grondslagen van het onderzoek moeten gevonden worden.
402 a 23—b 16. Algemeene vragen: 1. Tot welke der kategorieën behoort de ziel? 2. Is zij mogelijkheid of werkzaamheid. 3. Gedeeld of ondeelbaar? 4. Zijn alle zielen gelijksoortig? Zoo niet, geldt het onderscheid het geslacht of alleen de soort? 5. Is er één algemeene bepaling voor ziel, levend wezen en dergelijke algemeenheden? 6. Als de ziel gedeeld is, moet men beginnen met het geheel of met de deelen? 7. Hoe onderscheiden zich de deelen? 8. Moet men eerst de werking der deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen?
402 b 16—403 a 2. (Want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen kennen). Men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van het wezen en de bepaling van het wezen (aanvang van het bewijs) die niets omtrent de eigenschappen leert, is zinledig.
403 a 3—b 19. De aandoeningen, ook wel het denken, zijn in verband met de stof; dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer. Excurs: onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den natuurkundige, den kunstenaar, den wiskundige en den begripskundige.
403b 19—405b 30. De leeringen der vroegeren: de ziel het bewegende, het zichzelf bewegende; Democritus, Leucippus, de Pythagoreërs, Anaxagoras. De ziel uit de elementen, het kennende en waarnemende; Empedocles, Plato. De elementen stoffelijk, onstoffelijk of gemengd, één of meer. Democritus, Anaxagoras, Thales, Diogenes e.a., Heraclitus, Alcmaeon, Hippo, Critias. Samenvatting: de ziel is het bewegende, waarnemende, onstoffelijke, te herleiden tot de elementen, meer of één, uit tegendeelen of een daarvan. Etymologie.
Bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der verlegenheden, die in den voortgang hun oplossing moeten vinden, de meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden. Wij beginnen het onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature ’t meest eigen is. Het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten voornamelijk van het onbezielde, door beweging en gewaarwording. Deze twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de voorgangers geleerd; sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en eigenlijk bewegende. En aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen werd niet iets anders kan bewegen, vatten zij de ziel op als iets dat bewogen wordt.
404b. Anaxagoras is hierover minder duidelijk; dikwijls immers spreekt hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening, doch elders noemt hij den geest de ziel, zeggende dat hij in alle levende wezens aanwezig is, groote en kleine, hooge en lage. Echter schijnt niet de als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig te zijn, ja niet eens bij alle menschen.
Zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten, vatten de ziel als het meest bewegende; die letten op het kennen en waarnemen der dingen, noemen de ziel de elementen, die er meerdere aannemen, die meerderen, die één aannemen dit eene. Zoo stelt Empedokles de ziel samen uit alle elementen zóó dat elk element ook ziel is, in deze verzen:
„Aarde zien we met aarde en water zien we met water
Lucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zien
Liefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”
406 a 1—407b 26. Heeft de ziel van nature eigen (niet bijkomstige) beweging? Neen, want die vooronderstelt plaats; stelt als mogelijk dwangbeweging en rust, maakt haar tot een element en verplaatsbaar, heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf. Kritiek van Democritus en Plato’s Timaeus. De besproken theorieën behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam.
407 b 27—408 a 28. De ziel is geen harmonie, zooals velen gelooven: noch harmonie als samenstelling van deelen noch als de verhouding in de samenstelling. Bezwaren tegen Empedocles, die de ziel uit al de elementen maakt en elk element als verhouding denkt en tevens de φιλία (liefde) oorzaak der verbinding doet zijn, dus iets buiten de verbinding zelve. Maar hoe dan te denken over de scheiding van ziel en lichaam?
408 a 29—b 29. Van beweging der ziel spreekt men minder juist, wanneer het juiste is lichamelijke beweging van haar uitgaande of tot haar strekkende, als bij gewaarwording of herinnering; de werkzaamheid ook van den geest lijdt van ziekte en ouderdom, dus van ’t lichamelijke, maar de geest zelf is een zelfstandigheid.
408 b 30—409 b 18. (Xenokrates’) leer der ziel als zelfbewegend getal.
Uit deze beschouwingen dus blijkt dat het niet mogelijk is dat de ziel bewogen wordt en als zij in ’t geheel niet bewogen wordt, dan natuurlijk ook niet door zich zelf. Verreweg het ongerijmds van de beweringen is die, dat de ziel een zichzelf bewegend getal is; want wie dat zeggen hebben vooreerst de onmogelijkheden die uit de beweging voortkomen en dan nog bizondere uit de stelling dat zij getal is. Hoe toch moet men denken een eenheid, die bewogen wordt, door wat en hoe, daar zij ongedeeld en ononderscheiden is? Is zij immers bewegend en bewogen dan moet er onderscheid in zijn. En dan: aangezien naar men zegt de beweging van een lijn een vlak, die van een punt een lijn maakt, zoo zullen ook de bewegingen van de eenheden lijnen zijn; het punt is nl. een eenheid met plaats en het getal van de ziel is dan zeker ergens en heeft een plaats. Verder: als men van een getal een getal of een eenheid aftrekt, dan blijft er een ander getal over; maar de planten en vele dieren blijven na verdeeling leven en blijken dan soortelijk dezelfde ziel te houden. Men zou ook evengoed als van eenheden kunnen spreken van molekels; want als men de bolletjes van Demokritos terugbrengt tot punten, zoodat slechts de veelheid blijft, moet daarin zijn het onderscheid van bewegen en bewogen worden evenals in het aaneengesloten geheel; dat onderscheid immers hangt niet samen met het verschil van grootte of kleinheid, maar het is er om het aantal. Dus moet er iets zijn dat de eenheden bewegen kan. Wanneer nu in het levend wezen het bewegende de ziel is, dan is zij het ook in het getal en dus zou de ziel niet zijn het bewegende en wat bewogen wordt, maar alleen het bewegende. Hoe kan dat dan een eenheid zijn? Er moet dan toch een onderscheid zijn tusschen haar en de andere (eenheden). En welk onderscheid kan een eenheid-punt hebben behalve van plaats? Zijn nu de punten in het lichaam verschillend van de eenheden, dan zullen de eenheden op dezelfde plaats zijn (met de punten); want elke zal de plaats van een punt innemen. Echter wat belet dat, zoo er twee, dan ook eindeloos vele op dezelfde plaats zijn? Want dingen wier plaats ongescheiden is, zijn zelf ook ongescheiden. En indien de punten in ’t lichaam het getal van de ziel zijn of indien het getal van de punten in ’t lichaam de ziel is, waarom hebben dan niet alle lichamen een ziel? Punten moeten er toch in allen zijn en wel eindeloos vele. En dan hoe is het mogelijk dat de punten gescheiden en afgescheiden worden van ’t lichaam, terwijl toch niet de lijnen zich laten verdeelen in punten?
Zooals gezegd is, stemmen zij eenerzijds overeen met hen die de ziel iets fijns lichamelijks noemen, anderzijds is er een bizondere ongerijmdheid doordat zij als Demokritos de beweging laten uitgaan van de ziel.
409 b 19—410 b 15. De ziel, het waarnemende, uit de elementen, zóó dat het gelijke het gelijke waarneemt. Bezwaren tegen deze theorie en tegen Empedokles.
410 b 16—411 a 23. Deze opvatting omtrent de ziel en die van de ziel als het bewegende omvatten niet alle ziel noch eenige in haar geheel; bij beperking van de eerste tot denken en waarnemen evenmin. Bezwaren tegen de Orphische leer omtrent de ziel als deel van de Alziel door inademing opgenomen. De ziel behoeft om te kennen niet uit alle elementen te bestaan, maar slechts uit de eene helft der tegengestelde. Thales’ Alziel.
411 a 24—b 30. Kritiek van de leer der soortelijk onderscheiden zielsdeelen. De ziel blijft één na verdeeling van het lichaam bij planten en sommige insecten; die ziel is dan het principe dat planten en dieren gemeen hebben.
Einde van boek I.
411 b 31—412 b 9. Algemeene definitie: de ziel is de eerste (voorloopige) werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam. Deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam.
412b 10—413 a 10. De ziel het wezen van het lichaam, als het gezicht het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende lichaam. Het naar mogelijkheid levende is niet het doode, noch is de ziel meer dan in aanleg het werkzame. Scheiding van ziel en lichaam. Ziel en lichaam als schipper en schip?
Wat nu de ziel is, is in ’t algemeen gezegd nl. substantie naar het begrip beschouwd. En dat is het wezen voor het bepaald lichaam. Stel dat een werktuig b.v. een bijl een natuurlijk lichaam was, dan zou immers het bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dàt zijn; van deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn. Maar nu is het een bijl; immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het begrip de ziel, maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het principe van beweging en rust in zichzelf heeft. Men moet het gezegde ook bij de onderdeelen nagaan. Als ’t oog een levend wezen was, dan zou ’t gezicht daarvan de ziel zijn, want dat is de substantie van ’t oog naar het begrip beschouwd. Het oog is de stof van het gezicht; ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam, als ’t steenen oog of ’t geschilderde. Wat nu van ’t deel geldt moet men toepassen op ’t geheele levende lichaam; want zooals ’t deel (van ’t gewaarworden) staat tot ’t (lichaams)deel, zoo de geheele gewaarwording tegenover het heele gewaarwordende lichaam als zoodanig. Niet wat de ziel verloren heeft, heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven, maar wat de ziel heeft; het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam. 413a. En zooals het snijden en het aanschouwen, zoo is ook het waken de werkelijkheid, zooals het gezicht en de kracht van het werktuig, de ziel; en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde; maar zooals het oog de pupil mét het gezicht is, zoo hier een levend wezen de ziel mét het lichaam. Dat nu de ziel niet gescheiden is van ’t lichaam, of als zij deelbaar is, deelen van haar, is duidelijk; want van eenige (zielsdeelen) is de werkelijkheid bij de deelen (des lichaams) zelf behoorend; niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen, doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn. Bovendien is nog niet duidelijk of niet de ziel zóó de werkelijkheid des lichaams is als de schipper van een schip. Zoo nu moeten in ’t algemeen de bepalingen en omtrekken van de ziel zijn.
413 a 11—414 a 3. Eisch voor de ware definitie: zij moet van de ervaring tot het begrip voeren. De ziel is het kenmerk van het leven. Het leven is op zijn minst zelfonderhoud, groei en afname, als bij de planten; bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst de tastzin; beiden om nader te bespreken reden. De vermogens en hun onderdeelen bestaan trapsgewijze, de verderen niet zonder de eersten. Bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel één met hare vermogens; die zijn dus niet zelfstandig, behalve misschien het denkvermogen. Alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden.
Daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het duidelijke en wat naar ’t begrip meer kenbaarheid heeft, moeten wij weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan; immers de definitie moet niet alleen het „dat” uitdrukken, zooals de meeste definities doen, maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken. Nu lijken de definities wel conclusies van de sluitredenen b.v. kwadraatmaken is het maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen. Zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede; maar de (def.) die kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van de zaak. Als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven. Wanneer van de meerdere opvattingen die het woord leven heeft er maar één in het ding aanwezig is, zeggen wij dat het leeft, zooals verstand, gewaarwording, plaatselijke beweging en rust, ook inwerking door voeding en afname en groei. Daarom spreekt men ook van leven bij alle planten; immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen; want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder, maar gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven voortdurend, zoolang zij voedsel kunnen nemen. Dit vermogen kan van de anderen afgescheiden worden, de anderen niet hiervan in de sterfelijke wezens. Dit blijkt bij de gewassen, die geen ander zielsvermogen hebben. 413b. Het leven nu bezitten de levende wezens door dit principe, maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier: immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert, maar gewaarwording heeft, noemen wij dier en niet slechts levend wezen. Van gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin. Zooals het voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle gewaarwording, zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen. Het voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel, dat ook de gewassen toekomt; al de dieren blijken den tastzin te bezitten; door welke oorzaak het eene en het andere zoo is, zal later ter sprake komen.
414 a 4—28. De ziel, als eigenlijke bron van het leven, is vorm, niet stof en vorm van een bepaald lichaam, zooals de vorm in ’t algemeen een eigen stof vooronderstelt.
Datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen bespreken evenals datgene waardoor wij weten (aan de eene kant wetenschap, aan de andere de ziel; want door elk van deze beiden zeggen wij te weten); en evenzeer is datgene, waardoor wij gezond zijn, aan de eene kant gezondheid, aan den anderen een deel of ’t geheel van ’t lichaam. Naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is, de eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte, de andere van het op-de-gezondheid-betrekkinghebbende (daar namelijk in het lijdende en aangedane de werkelijkheid van het werkende is) en de ziel datgene is waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin, is dus de ziel een begrip en gestalte, maar niet stof en substraat. Daar substantie, zooals wij zeiden, drieërlei beteekent, eensdeels vorm, anderdeels stof, eindelijk beider samenstel en hiervan de stof mogelijkheid, de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde is, is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel, maar deze die van een bepaald lichaam. En daarom oordeelen zij juist, die meenen dat de ziel niet zonder lichaam is, maar ook geen lichaam; want zij is geen lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam aanwezig en in een bepaald lichaam, niet zooals de vroegeren haar in een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig lichaam, ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan ook opneemt. Zoo is het ook in overeenstemming met het begrip; want de werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid inhoudt en in de bijbehoorende stof. Dat de ziel nu een werkelijkheid is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te zijn, is hieruit duidelijk.
414 a 29—415 a 13. De vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot het hoogste—van het voedingsvermogen tot het denken—vormen een reeks, waarnaar de levende wezens onderscheiden worden. De algemeene definitie voldoet bij ziel evenmin als bij figuur; de volgorde moet begrepen en elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in ’t bizonder de denkende geest.
Van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij zeiden, anderen eenigen, eenigen slechts één. Als vermogens noemden wij het voedende, het strevende, het gewaarwordende, het plaatselijk bewegende, het denkende.
De planten hebben alleen het voedingsvermogen, anderen dit en het gewaarwordingsvermogen. Hebben zij dit, dan ook het streefvermogen; want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben althans één gewaarwording, den tastzin; voor wat gewaarwording heeft, geldt vreugde en smart en ’t aangename en smartelijke en voor wat die gelden, daarvoor geldt ook de begeerte; want dat is het streven naar ’t aangename. Ook hebben zij gewaarwording van het voedsel; want de tastzin is de gewaarwording van het voedsel; want alle levende wezens worden door ’t drooge, natte, warme en koude gevoed en daarvan is de tastzin de gewaarwording; zij betreft de andere waarneembaarheden bijkomstig. Immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden. Honger en dorst is begeerte, honger naar ’t droge en warme, dorst naar het koude en natte en de smaak is als iets dat dezen kruidt. Later zal dit verduidelijkt worden; nu bepalen wij ons hiertoe, dat de dieren die tastzin hebben ook streven bezitten. Omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en dat moet later nagegaan worden. Eenigen hebben bovendien de plaatselijke beweging, anderen het denkvermogen en den geest, als de menschen en wat verder zoodanig is of hooger.
Dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze één definitie van ziel kan zijn als van figuur; want hier is geen figuur buiten driehoek enz., noch dáár ziel buiten de genoemden. Er is ook bij de figuren een gemeenschappelijke definitie mogelijk, die op allen zal passen maar aan geen figuur eigen zal zijn; evenzoo bij de gezegde zielen. Daarom is het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie te zoeken, die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren, noch betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wèl zoo is, daar te laten. Bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding; steeds is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren en bij de bezielde wezens, zooals in den vierhoek de driehoek, in het gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen. Dus moet men afzonderlijk nagaan wat de ziel van elk wezen is, b.v. wat die van een plant, van een mensch of dier is. En waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden moet men nagaan. 415 a. Want zonder het voedingsvermogen bestaat het gewaarwordingsvermogen niet, maar van het gewaarwordingsvermogen is het voedingsvermogen afgescheiden in de planten. Wederom is zonder den tastzin geen andere gewaarwording aanwezig, wel tastzin zonder de anderen; want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch gewaarwording van reuk. En van die gewaarwording bezitten hebben sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen, anderen niet. Als laatste hebben het kleinste aantal begrip en verstand; want de eindige wezens die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens, maar die elk daarvan bezitten hebben niet allen begrip, maar sommigen niet eens voorstelling, terwijl anderen alleen daarop leven. Over de beschouwende geest geldt een andere redeneering. Het blijkt dus dat de redeneering over elk van deze (vermogens) ook de meest geldige omtrent de ziel is.
415 a 14—b 7. De vermogens komen na hun werkingen en deze na hun uitwerksel. Het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting, die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige.
415 b 8—416 a 18. De ziel is principe van beweging, doel en wezen van ’t levende lichaam. Op een doel wijzen de organen. Verandering en groei en afname betreffen de ziel: kritiek van Empedocles’ mechanisme. Voeding is ook niet verbranding zonder meer, want die mist de zelfbepaling.
De ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer dan één beteekenis; en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie onderscheiden wijzen, want zij is de bron van de beweging, en het doel; en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak. Het laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het zijn, en voor de levende wezens het zijn leven is en daarvan de ziel oorzaak en principe is. Bovendien is de werkelijkheid (de ziel) het begrip van wat naar mogelijkheid is. ’t Is duidelijk dat ook als doel de ziel oorzaak is; want zooals de geest om iets handelt, op dezelfde wijze ook de natuur en dat is haar doel. Zoodanig iets is bij de levende wezens de ziel, ook naar de natuur beschouwd; want al de natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel, en zooals bij de dieren zoo ook bij de planten, als zijnde ter wille van de ziel. Het „terwille van” is tweevoudig, eensdeels de zaak waarom, anderdeels de persoon waarvoor. En verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel; maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen. Ook verandering en groei betreft de ziel; immers de gewaarwording is wel een zekere verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel. Evenzoo staat het met groei en afname; immers niets neemt af of groeit van nature zonder voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft. Hier is Empedokles af te keuren wanneer hij zegt dat door bijvoeging de planten hun groei krijgen, terwijl zij naar onderen wortel schieten doordat zoo de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven (klimmen) doordat het vuur die richting neemt. 416a. Want hij spreekt verkeerd van naar boven en naar onderen; immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde voor elk ding als voor het geheel, maar als het hoofd van de dieren zoo verhouden zich de wortels van de planten, als men de organen anderen of dezelfde moet noemen naar hun werking. En bovendien, wat is het dat het vuur en de aarde, die tegengestelde richtingen zoeken, samenhoudt? Want is er niets dat tegenhoudt, dan zullen ze uiteengerukt worden; is er wèl iets, dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de voeding. Sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak van de voeding en de groei is; immers het blijkt het eenige van de lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten toeschrijven. Echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak, maar niet eenvoudig oorzaak, wat veeleer de ziel is; want de groei van het vuur gaat onbepaald door zoolang er brandstof is, maar alle natuurlijk samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en wasdom; dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van begrip dan van stof.
416 a 19-b 31. Voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk op gelijk? Vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van wasdom, maar leidt tot de voortplanting, die dus doel is van de eerste (eenvoudigste) ziel. Bij voeding is de verwerkende warmte voorondersteld als de hand bij het sturen.
416 b 32—418 a 6. Van voeding tot gewaarwording komende, eerst over deze in ’t algemeen als een verandering. Hierbij dezelfde vraag als bij de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maar objecten vereischt. Zij is alleen naar mogelijkheid. Onderscheidingen in de mogelijkheid, bij doen en lijden of veranderen—veranderen tot vernietiging of tot verwezenlijking. Dit onderscheid is niet met een woord te noemen. De gewaarwording betreft het enkele, anders dan de kennis die het algemeene betreft; dit laatste is in de ziel, het eerste is van buiten. De verhouding van zintuig en waarneembaarheid als tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar ’t gelijke of ’t ongelijke op.
Ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid; nu immers spreken wij er zonder onderscheid over. Er is iets kundig op die wijze, zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort tot de kundigen en de kennis hebbenden; ook op die wijze, zooals wij kundig noemen hem die de spraakleer kent; ieder van deze beiden bezit het vermogen niet op dezelfde wijze, maar de een omdat zijn soort en stof dusdanig is, de andere omdat hij, als hij wil in staat is tot kennisuitoefening, als niets van buiten het belet; die nu aan de uitoefening is, is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin kennende deze A. De beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig, maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde toestand omgeslagen, maar anders die uit het bezitten van de gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen overgaat.
Maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker uiteenzetting. Nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid genoemd wordt niet enkelvoudig is, maar eenerzijds zooals men zegt dat het kind veldheer kan zijn, anderzijds zooals men het van hem, die de militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het gewaarwordingsvermogen verhoudt. 418a. Daar het onderscheid hiervan geen naam heeft, maar het als onderscheid en als welk onderscheid bepaald is, moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de geldige benamingen gebruiken. Het gewaarwordingsvermogen is in mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is, gelijk gezegd is. Het ondergaat inwerking als het niet gelijke, maar na de inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere.
418 a 7—a 25. Waarneembaarheid: algemeene, eigene, bijkomstige. De eigene zijn de eigenlijke, waarnaar het wezen van de gewaarwording bepaald is.
6. Bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst spreken. Van het waarneembare spreekt men in drieërlei zin; hierbij neemt men twee dingen eigenlijk waar, één bijkomstiglijk. Van de twee is het eene eigen aan elke gewaarwording, het andere gemeenschappelijk aan allen. Eigen noem ik dat, wat men met een andere gewaarwording niet kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen, als het gezicht tegenover de kleur, het gehoor tegenover het geluid en de smaakzin tegenover de smaak. De tastzin laat meerdere onderscheidingen gelden; toch oordeelt elke (zin) over déze dingen en vergist zich niet dat er kleur of geluid is, maar wat het gekleurde is of waar, of wat het geluidgevende is of waar. Dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke (zin), gemeenschappelijk zijn beweging, rust, getal, vorm en grootte; want dergelijke zijn aan geen zin eigen, maar gemeenschappelijk aan allen. Immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en voor het gezicht. Van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b.v. wanneer het witte de zoon van Diares is; want dat neemt men bijkomstiglijk waar, omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft, wat men waarneemt. Daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het waarneembare. Van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de waarneembaarheden in waren zin en die, waarop elke gewaarwording in haar wezen betrekking heeft.
418 a 26—419 b 3. Zichtbaarheid: kleur en iets nameloos. Kleur en licht. Licht werkzaamheid van het doorschijnende (aether). Kritiek op Empedocles’ beweging van het licht. Phosforescentie. Kleur is de inwerking op het actueel doorschijnende d.i. op het licht als middenstof. Kritiek op Demokritos. De middenstof is ook vereischt bij geluid en reuk, schijnbaar niet bij tastzin en smaak. Bij reuk iets dat water en lucht gemeen hebben.
Waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in ’t licht gezien wordt, is gezegd. Vuur wordt in beiden, in duisternis en in licht, gezien eveneens met noodzakelijkheid; want het doorschijnende wordt daardoor doorschijnend. Dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk; want niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig aanraakt, maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en daardoor elk van beide zintuigen, maar wanneer men het geluidgevende of riekende op het zintuig zelf plaatst, verwekt het geen gewaarwording. Met tastzin en smaak staat het evenzoo, ofschoon het niet zoo schijnt; later zal blijken waardoor. De middenstof voor geluiden is de lucht, voor reuk heeft zij geen naam; want zooals het doorschijnende voor kleur, zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets bij lucht en water, dat in deze beide aanwezig is; immers ook de waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten. Maar de mensch en de ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen. 419b. De oorzaak ook hiervan zal later besproken worden.
419 b 4—421 a 6. Geluid, gehoor en stem (bezield geluid). Beteekenis van hoog en laag.
421 a 7—422 a 7. De reuk, overeenkomst met de smaak. Onderscheidingen, Middenstof, Bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording. De reuk betreft het droge.
Over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij het behandelde; want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het geluid of de kleur, de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren; want de mensch ruikt slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of genot, daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is. Het is aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat zij al of niet vrees verwekken; zoo neemt ook het menschelijk geslacht de reuken waar. Want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk, maar wij hebben nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die gewaarwording ’t nauwkeurigst heeft; want in de andere gewaarwordingen blijft de mensch bij velen van de dieren achter, maar in den tastzin bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid. Daarom is hij ook het verstandigste der levende wezens. Een bewijs is dat ook onder het menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt en van niets anders; want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor ’t denken, de zachtvleezigen goed. Zooals bij smaken de eene zoet, de andere bitter is, zoo ook bij de reuken. Maar sommige dingen hebben overeenkomstigen reuk en smaak b.v. zoete reuk en zoete smaak, andere omgekeerd. Eveneens is er bittere, wrange, zure en zoete reuk; maar, gelijk wij zeiden, doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer duidelijk zijn, zooals de smaken, hebben zij daaraan hun namen ontleend naar de gelijksoortigheid der zaken; nl. de zoete van saffraan en honig, de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen. 421b. Evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording, deze het hoorbare betreft en het onhoorbare, gene het zichtbare en het onzichtbare, zoo betreft de reuk het reukbare en onreukbare. Het onreukbare is deels gezegd van wat in ’t geheel geen reuk kan hebben, deels van wat weinig of slechte reuk heeft. Evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak heeft.
422 a 8—b 16. Smaak. Geen middenstof, als bij den tastzin. Betreft het vochtige. Onderscheidingen van smaken.
Het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom het niet waarneembaar is door het midden, dat een vreemd lichaam is; immers hetzelfde geldt van den tastzin. En het lichaam waarin de smaak is, het proefbare, is in ’t vochtige als zijn materie en dat is iets tastbaars. Daarom ook indien we in ’t water waren zouden wij het daarin geworpen zoete waarnemen; maar dan zou onze gewaarwording niet gaan door den middenstof, maar doordat het zoete met het natte vermengd werd evenals bij den drank. De kleur wordt niet zoo gezien, door het vermengd worden noch door de uitvloeiingen. Aan de middenstof (bij het zien) beantwoordt (bij de smaak) niets; maar zooals het zichtbare de kleur is, zoo het proefbare de smaak. Niets verwekt smaakgewaarwording zonder vochtigheid, maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid vochtigheid, zooals het zoute; want dat is zelf licht smeltbaar en doet de tong mede aan door ’t smelten. Zooals het gezicht betreft het zichtbare en onzichtbare (immers de duisternis is onzichtbaar, maar ook die onderscheidt het gezicht) en bovendien het te zeer schitterende (want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis) en tevens het gehoor gaat over geluid en stilte, waarvan het eene hoorbaar het andere onhoorbaar is, en over groot geluid, evenals het gezicht over het schitterende (want zooals het geringe geluid onhoorbaar is, zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige) en men eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt, zooals in andere gevallen van het onmogelijke, anderzijds van ’t niet waarneembare dan, wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate bezit, zooals het voet- en pitlooze; zoo betreft dan ook de smaak het proefbare en niet proefbare, dat is hetgeen weinig of slechte smaak heeft of een smaak die den zin vernietigt. De grondslag zal zijn het drinkbare en ondrinkbare; want beiden zijn een smaak, maar het laatste een slechte en die den zin bederft, het eerste naar de natuur. Het gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare. 422b. Daar het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in werkelijkheid vochtig zijn, noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te worden. Want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig. Dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet nat is, maar nat kan worden zonder vernietiging. Een bewijs is dat de tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig is; want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige, zooals wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong vol van dergelijke vochtigheid waarnemen. De soorten van de smaak zijn, zooals bij de kleuren, als enkelvoudig tegengesteld, het zoete en het bittere, aansluitend bij het eerste het vettige, bij het andere het zoute, daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure; dat zijn ongeveer de onderscheidingen van de smaken. Dus het smaakzintuig is wat in mogelijkheid zoodanig is, het proefbare wat het zintuig in werkelijkheid zoo maakt.
422 b 17—424 a 16. Tastzin. Verschil in de waarneembaarheden daarbij en bij de andere zinnen en omtrent het midden—dat bij den tastzin met het lichaam één is; bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde. Er moet bij den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen, wil de werkzaamheid mogelijk zijn. Maar anders dan bij de anderen wordt het zintuig tegelijk met het midden—niet dóór het midden—aangedaan.—De waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke tastzintuig; het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de tastbaarheden en wordt dus oordeelend—en neemt het tastbare en ’t niet tastbare waar.
Over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering; want als de tastzin niet één gewaarwording is maar meerdere, dan moeten ook de tastbaarheden meerdere zijn. Er is te vragen of zij meerdere gewaarwordingen zijn dan wel ééne en wat het zintuig van den tastzin is, het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of niet, maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets anders inwendigs. Want iedere gewaarwording betreft één tegenstelling b.v. gezicht wit en zwart, gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet; maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen, warm en koud, droog en vochtig, hard en zacht enz. Deze vraag vindt een zekere oplossing doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen bestaan, zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en zacht, vloeiend en ruw en andere dergelijke. Ook bij kleur zijn andere dergelijke onderscheidingen. Maar wat het eene is dat de grondslag vormt, zooals bij gehoor geluid, dat is bij den tastzin niet duidelijk.
Hier doet zich een moeilijkheid voor. Als ieder lichaam diepte heeft als derde afmeting, en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is, elkaar niet kunnen aanraken, en het natte niet zonder lichaam is noch het bevochtigde, maar het noodzakelijk water is of water heeft; en wat elkaar aanraakt in ’t water, terwijl de uiteinden niet droog zijn, noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt; zoo dit waar is, dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op dezelfde wijze ook in de lucht (want de lucht is tegenover de in haar zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen, maar wij merken dat minder, evenals ook de dieren in het water, wanneer wat vochtig is het vochtige aanraakt). 423b. Gaat dus de waarneming van alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend, zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en de anderen gescheiden waarnemen? Niet alzoo, maar ook het harde en zachte nemen wij door andere (middenstoffen) waar evenals het geluidgevende, het zichtbare en het ruikbare, maar deze van verre, de eersten van dichtbij. Daarom merken wij het niet, immers wij nemen alles waar door de middenstof, maar bij die gewaarwordingen merken wij het niet. En toch, zooals wij ook vroeger zeiden, ook indien wij door een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het afscheidt, zouden wij ons zoo verhouden als nu in ’t water en in de lucht; want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een middenstof is. Maar het tastbare onderscheidt zich van de zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden door een inwerking van de middenstof op ons, maar de tastbaarheden niet door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk, zooals die een stoot krijgt door zijn schild heen; immers niet het schild krijgt en geeft den stoot, maar beiden (persoon en schild) krijgen hem tegelijk. In ’t geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en ’t gehoor en de reuk. Wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt, kan er noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b.v. wanneer men eenig wit lichaam onmiddellijk op het oog legt. Hieruit blijkt dat het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is. Want dan geldt hetzelfde als voor de andere (zinnen); immers wanneer de waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording plaats, maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden, wèl; dus is het vleesch de middenstof van den tastzin.
424 a 17—b 18. Gewaarwording in ’t algemeen betreft de vormen, niet de materie. Het waarnemende verschilt in wezen van het object, doordat het geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is, die daarom vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt. De waarneembaarheid is er alleen voor het betreffende vermogen, ook bij tastzin en reuk.
In ’t algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de materie, zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud of koper; eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen kleur of smaak of geluid heeft, maar niet in zoover elk van die dingen (iets) maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip. En het zintuig is allereerst datgene, waarin het zoodanige vermogen is. In aanzijn nu is het hetzelfde, maar in begrip iets anders; want het waarnemende is een grootheid, maar het begrip van het waarnemend-zijn en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van de grootheid. Hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der waarneembaarheden de zintuigen vernietigen; immers wanneer de beweging van het zintuig te sterk is, wordt de verhouding (d.w.z. de waarneming) opgeheven evenals ook het accoord en de toon, wanneer de snaren sterk getokkeld worden; en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve, immers zij worden koud en warm; de oorzaak is nl. dat zij geen middentoestand hebben noch zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen, maar zij ondergaan ze met de stof. 424b. Men zou kunnen vragen of datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur wat niet kan zien, en evenzoo bij de anderen. Maar wanneer het ruikbare de reuk is, bewerkt de reuk, zoo iets, het ruiken; dus kan niets wat niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de anderen, noch iets van wat wèl kan, anders dan in zoover elk het bepaalde waarnemingsvermogen heeft. Ook blijkt dit aldus. Noch licht of duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers, b.v. de lucht met donder splijt het hout. Maar wèl doen de tastbaarheden en de smaken de lichamen aan; want waardoor zouden anders de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden? Doen dan soms ook die anderen (nl. licht, geluid, reuk) aan of is niet elk lichaam vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn onbepaald en houden geen stand, zooals de lucht; want die riekt als op eenige wijze aangedaan. Wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan? Of is ruiken ook waarnemen, maar de lucht die aangedaan is, wordt in korten tijd waarneembaar (niet waarnemend.)
Eind van boek II.
424 b 22—425 b 11. Niet meer dan 5 zinnen mogelijk (de tastzin en die wier elementen water en lucht zijn). Geen bizondere zin voor de gemeenschappelijke waarneembaarheden. Waarom meerdere gewaarwordingen.
Dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf—gezicht, gehoor, reuk, smaak, tastzin—kan men hieruit gelooven. Namelijk van alles, waarvan de gewaarwording tastzin is, hebben wij werkelijk gewaarwording (want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door den tastzin waarneembaar); voorts is het noodzakelijk dat, wanneer een gewaarwording ontbreekt, ons ook een zintuig ontbreekt; wat wij door onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar, dien wij werkelijk bezitten, wat wij niet onmiddellijk maar door middenstof waarnemen, nemen wij waar door de elementen als lucht en water. Nu is het zoo gesteld dat als wij door één midden meerdere ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen, hij die het overeenkomstige zintuig heeft, noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen (als b.v. het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor geluid en kleur); als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording zijn b.v. voor kleur lucht en water (want beide zijn doorschijnend), zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft, waarnemen wat door beiden gaat. 425a. En alleen uit deze twee der elementen zijn de zintuigen, uit lucht en water; (want de pupil is van water, het gehoor van lucht, de reuk van elk van beiden); het vuur behoort tot geen zintuig of gemeenschappelijk tot allen (want niets is tot waarnemen in staat zonder warmte); aarde of tot geen zintuig of is ’t meest met den tastzin bizonderlijk gemengd; zoodat er overblijft dat er geen zintuig is buiten water en lucht. Deze bezitten werkelijk eenige levende wezens en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige wezens; want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben. Dus als er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche lichamen behoorende, dan ontbreekt er geen gewaarwording.
Verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen, als beweging, stilstand, vorm, grootte, getal en eenheid; al deze nl. nemen wij door beweging waar, zooals grootte door beweging en dus ook vorm, want de vorm is een grootte; en het rustende door het niet bewegen; het getal door de ontkenning van het aanéén zijn en door de bizondere waarnemingen; want elke waarneming neemt één ding waar. Het is dus duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn kan b.v. van beweging; want het zal zoo zijn, zooals wij nu met het gezicht het zoete waarnemen. Dit komt omdat wij van beiden gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze tegelijk kennen; zoo niet, dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk waarnemen, zooals den zoon van Kleon niet als zoon van Kleon maar als wit en dit (witte) heeft als bijkomstigheid zoon van Kleon te zijn. Van het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke, niet bijkomstige, gewaarwording, die dus niet een eigene is; want anders zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien van Kleon’s zoon. De bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar, niet als die enkelen zoodanig, maar in zoover de gewaarwording één is, wanneer zij tegelijk hetzelfde betreft b.v. van gal als bitter en geel; want het is niet het werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden één zijn; daarom vergist men zich ook en meent men, wanneer iets geel is, dat het gal is. 425b. Men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en niet eene alleen hebben. Wellicht opdat de als algemeenheden met de gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan, als beweging, grootte en getal; want indien alleen het gezicht er was en dat het witte betrof, zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren. Maar daar nu ook in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn, wordt het duidelijk dat elk van dezen iets anders is.
424 b 12—427 a 16. Gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard met die welke zichzelve betreft. Gewaarwording in werkzaamheid is hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar mogelijkheid waarneembare. Dit laatste blijft ook zonder de gewaarwording in werkzaamheid. Gewaarwording is evenals accoord een verhouding van het zintuig en het waarneembare, die verstoord kan worden door overmaat. Het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording dan het eenvoudige. Onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige waarneembaarheden door één gewaarwording, die gelijkheid en verschil tegelijk waarneemt zooals het punt één of twee is.
Daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren, moet men door het gezicht waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording. Maar dan betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de waarneming zal zichzelf betreffen. Neemt men aan dat de gewaarwording van het gezicht een andere is, dan komt men tot eindeloosheid of eenige waarneming zal zichzelf betreffen. Dus moet men dat van de eerste waarneming laten gelden. Hier is de moeilijkheid dat, als gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het kleurhoudende is, wanneer men het ziende ziet, het eerste ziende kleur moet hebben. Dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet één is; immers ook wanneer wij niet zien, oordeelen wij met het gezicht en de duisternis en het licht, maar niet op gelijke wijze. Verder is ook het ziende in zekeren zin gekleurd; want het zintuig neemt elk der waarneembaarheden op zonder de stof. Daarom zijn ook wanneer de waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de zintuigen.
In de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en hetzelfde, in het begrip niet. B.v. het geluid en het gehoor in werkzaamheid; men kan nl. gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid heeft maakt niet steeds geluid. Maar wanneer wat kan hooren en wat geluid kan geven in werkzaamheid is, dan komt tegelijk het gehoor in werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid; het eene kan men hooring ἄκουσις en het andere geluiding ψόφησις noemen.
426a. Indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat bewerkt wordt, moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen in wat de mogelijkheid bezit; want de werkzaamheid van het bewerkende en bewegende ligt in het lijdende; daarom is het niet noodzakelijk dat het bewegende bewogen wordt. De werkzaamheid nu van het geluid hebbende is geluid of geluiding, van het gehoorhebbende gehoor of hooring; want gehoor is tweeërlei en geluid en hetzelfde geldt van de andere waarnemingen en waarneembaarheden. Namelijk zooals de bewerking en de inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende, zoo ligt ook de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het waarneming hebbende. Maar bij eenige is er een woord voor b.v. de geluiding en de hooring, bij eenige is een van beide nameloos; men spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is, maar de werkzaamheid van de kleur is zonder naam, en het smaken is de werkzaamheid van het smaak hebbende, maar die van (’t voorwerp van) de smaak is zonder naam. Daar in werkzaamheid het waarneembare en het waarneminghebbende één is, maar in begrip onderscheiden, moeten noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en behouden blijven, evenzoo ’t voorwerp van smaak en het smaken enz., doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is; maar de vroegere natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder gezicht, noch voorwerp van smaak was zonder smaken. Immers in een zin hadden zij gelijk, in een anderen zin dwaalden zij: want terwijl men in tweeërlei zin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare, deels als van dingen in mogelijkheid, deels in werkzaamheid, geldt het gezegde van de laatsten, maar geldt niet van de eersten. Maar zij spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt.
427 a 17—b 26. Onderscheid tusschen gewaarworden, denken en voorstelling.
427 b 27–429 a 9. Voorstelling, een vermogen van oordeelen, is niet gewaarwording; ook niet kennis of begrip. Evenmin is zij meening met of door gewaarwording of verbinding van ’t eene en ’t andere b.v. voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon. De voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid voortkomende, welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige gewaarwordingen valsch kan zijn, vooral als het voorwerp ver verwijderd is. Naam en werking der voorstelling.
429 a 10-b 9. Het denkvermogen of de geest, onbepaald, vatbaar voor alle vormen, in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver, is in zijn wezen mogelijkheid, en dus niet lichamelijk bepaald. De onbepaaldheid der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt, als die van den geest. Op zichzelf betrokken is de geest ook nog in mogelijkheid.
Over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men ’t onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar grootte maar niet naar ’t begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand komt. Alsnu het denken is als het waarnemen, dan is het iets ondergaan door het denkbare of iets dergelijks. Dus moet het onaangedaan zijn, geschikt om den vorm te vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de denkbaarheden. Dus moet de geest, daar hij alles denkt, onvermengd zijn, zooals Anaxagoras zegt, opdat hij beheersche d.w.z. opdat hij kenne; want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert; dus heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is. Het geest genoemde deel van de ziel (geest noem ik dat waarmee de ziel denkt en opvat) is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te denken. Daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het lichaam; want dan zou hij bepaald worden, koud of warm, of hij zou ook een zintuig hebben, zooals het waarnemingsvermogen, en toch heeft hij er geen. En die de ziel de plaats der vormen noemen, doen niet verkeerd, doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in werkzaamheid maar in mogelijkheid. Dat het onaangedaan zijn van het waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is, blijkt bij de zintuigen en de waarneming. 429b. Want de waarneming kan niet waarnemen na het in hooge mate waarneembare b.v. geluid na sterke geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken; maar de geest, wanneer hij iets zeer denkbaars denkt, denkt niet minder de mindere denkbaarheden maar veeleer meer; want het waarnemingsvermogen is niet zonder lichaam, maar de geest is gescheiden. Wanneer hij zóó alles wordt, zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige (dit gebeurt wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen), zoo is hij ook dan in zeker opzicht in mogelijkheid, maar maar niet zooals voordat hij geleerd of gevonden heeft; en ook zichzelf kan hij dan denken.
429 b 10–430 a 9. Het onmiddellijke, het mathematische, het begrip staan verschillend tegenover den geest. Als onaangedaan en zuiver en zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid, niets in werkelijkheid vóór zijn werking, als een onbeschreven blad. Denken en begrip zijn hetzelfde; het zakelijke is begrip in mogelijkheid, afgezien van de stof.
Daar grootte en het begrip van grootte, water en ’t begrip van water te onderscheiden is (zoo ook bij vele andere dingen, doch niet bij allen, want bij sommigen is het hetzelfde) oordeelt men het begrip van vleesch en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding; want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige, bepaalde vorm in bepaalde materie. Met het waarnemingsvermogen nu oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het vleesch een bepaalde verhouding is; het begrip van vleesch met iets anders óf iets gescheidens óf dat is als de verhouding van de gebroken lijn tot zichzelf als gestrekte. Verder bij de wiskundige dingen het rechte als het stompneuzige, want het is gebonden aan uitgebreidheid; maar het begrip, als het begrip van het rechte en het rechte verschillend zijn, is iets anders; laat het zijn tweeheid. Dus oordeelt men het met iets anders of dat zich anders verhoudt. En zooals dus in ’t geheel de zaken gescheiden zijn van de materie, zoo ook gaat het met den geest. Men kan vragen, als de geest eenvoudig is en onaangedaan en met niets iets gemeen heeft, zooals Anaxagoras zegt, hoe hij dan zal denken, indien het denken is iets ondergaan. Want in zoover twee dingen iets gemeen hebben, is het eene werkend het andere lijdend. Bovendien, (is er de verlegenheid), als hij zelf denkbaar is. Want dan moet of bij de andere dingen geest aanwezig zijn, als de geest zelf niet om iets anders denkbaar is en het denkbare één is in soort, òf de geest moet iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen. Maar het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden, dat de geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is, maar niets in werkelijkheid voordat hij denkt. 430a. Men begrijpe het zoo als op een schrijftafel, waarop niets in werkelijkheid geschreven is; wat het geval is bij den geest. En zelf is hij denkbaar zooals de denkbaarheden. Want bij de dingen zonder materie is het denkende en het gedachte hetzelfde; want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt is hetzelfde. De oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan worden. In de materieele dingen is in mogelijkheid elk der denkbaarheden. Dus bezitten zij geen geest (want de geest is de mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie) maar de geest bezit wel het denkbare.
430 a 10–a 25. Als in de geheele natuur, zoo ook in den geest onderscheiding van materie en vorm, passieve en actieve geest. De actieve een gesteldheid als ’t licht, naar wezen werkzaamheid, zelfstandig, onaangedaan, zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig zichzelf. Die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn, want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn, dat eenheid van lijden en werken is.
Daar er, evenals in de heele natuur, iets is eenerzijds materie voor elk soort (dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is) anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen maakt, (zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie), zoo moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn. En zoodanig is de eene geest door alles te worden, de andere door alles te maken, als een gesteldheid, gelijk het licht; want op een zekere wijze maakt ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid. En deze geest is gescheiden, onaangedaan en ongemengd, van wezen werkzaamheid zijnde. Want altijd is hooger het bewerkende dan het lijdende en het principe dan de stof. En de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak; (de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf bij den enkele, maar in ’t geheel ook niet in tijd) en deze geest denkt niet nu wèl, dan niet. Op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat alleen is onsterfelijk en eeuwig. Wij hebben er geen bewustzijn van, omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en (de actieve geest) zonder deze niets denkt.
430 a 26–b 30. Bij denken van het ongedeelde geen waarheid of onwaarheid; dat komt eerst in de verbinding; het verbindende is de geest. Denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort. Denken van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling heeft. Oordeel is waar of onwaar, begrip van het wezen steeds waar, als het zien van het eigenlijk zichtbare.
6. Het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen, waaromtrent geen onwaarheid is. Die, waarin van waarheid en onwaarheid sprake is, zijn dan een verbinding van begrippen als een éénheid vormende, zooals Empedokles zeide: „gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten” die dan door de liefde verbonden werden, zoo worden ook deze gescheiden zijnde verbonden, zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal; wanneer er sprake is van in ’t verleden of in de toekomst, denkt men er den tijd bij en stelt dien samen. 430b. Want de onwaarheid ligt altijd in de verbinding; immers noemt men het witte niet wit, dan heeft men het niet witte verbonden. Men kan ook alles scheiding noemen. Maar zeker is niet alleen ’t ware of onware dat Kleon wit is, maar ook dat hij wit was of zijn zal. Dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de geest. Aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt, of naar mogelijkheid of in werkzaamheid, belet niets te denken het ondeelbare, wanneer men denkt de lengte (die is nl. ondeelbaar in werkzaamheid) ook in ondeelbaren tijd: want de tijd is deelbaar en ondeelbaar overeenkomstig de lengte. Nu kan men niet zeggen wat men in elk van beide helften denkt; want die bestaan slechts, als de verdeeling niet geschiedt, in mogelijkheid. Denkt men elk van beide helften afzonderlijk, dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men (lengte) als lengten. Denkt men (lengte) als uit beide (helften) dan denkt men ook in den tijd voor beiden. Wat niet als grootte maar soortelijk ondeelbaar is, denkt men in ondeelbare tijd en met ’t ondeelbare van de ziel; maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen, zijn deelbaar waarmee men denkt en de tijd waarin men denkt; want ook in dezen is iets ondeelbaars, maar misschien niet gescheiden, (’t zelfde) dat de tijd en de lengte één maakt. En dat is evenzoo in alle uitgebreidheid van tijd en lengte. Het punt en alle verdeeling en wat zoo ondeelbaar is, wordt verduidelijkt als de ontkenning. En de redeneering is gelijk voor de andere dingen b.v. hoe men het booze of het zwarte kent; nl. men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde. Het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben. Als eenige der oorzaken geen tegendeel heeft, kent zij zichzelf en is in werkzaamheid en gescheiden. Het oordeel spreekt iets uit van iets, zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar; het begrip niet altijd, maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet eenige bepaling omtrent iets; maar zooals het zien van het eigenlijke waar is, maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet, zoo verhouden zich de onstoffelijkheden.
431 a 1–431 b 1. Het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte waarnemingsvermogen, leidt tot streven en vermijden; voor het denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden. Er is een centraliteit van waarneming. Die oordeelt ook over ongelijksoortige eigenschappen in éénen.
431 b 2–19. Denken en voorstelling met of zonder waarneming, met of zonder handeling. Denken van het afgetrokkene. De geest in werkzaamheid is één met zijn objecten.
De begrippen nu denkt het denkvermogen in de voorstellingen en als daarin (verkeerende) onderscheidt zich voor ’t denkvermogen het nastreefbare en vermijdbare en buiten de waarneming wanneer het in de voorstellingen verkeert, wordt het bewogen b.v. van het signaal waarnemende het vuur, erkent het door de algemeene zin de beweging ziende, dat er een vijand is. Anders berekent en overweegt het door de voorstellingen of gedachten in de ziel als ziende de toekomstige dingen tegenover de aanwezige; en wanneer het zooals dààr zegt het aangename of onaangename, zoo vermijdt het hier of streeft na en in ’t geheel bij het handelen. En ook hetgeen zonder handeling is, het ware en onware, is in ’t zelfde geslacht met het goede en kwade, maar het verschilt als volstrekt of betrekkelijk. De afgetrokkenheden denkt het zooals men het wipneuzige zou denken als wipneuzig niet gescheiden, maar als hol, zou men het als men het in werkzaamheid dacht, zonder het vleesch denken waarin de holheid is; zoo denkt het de wiskundige dingen die ongescheiden zijn als gescheiden, wanneer men geene denkt. In ’t geheel is de geest in werkzaamheid de zaken. Of het mogelijk is iets gescheidens te denken zelf niet gescheiden zijnde van grootte of niet, moet later nagegaan worden.
431 b 20–432 a 14. De ziel is als ’t ware de voorwerpen, waarneembaarheden en denkbaarheden als vormen; de ziel is de vorm der vormen als de hand het werktuig der werktuigen. De denkbaarheden zijn in de waarneembaarheden. Waarneming en voorstelling zijn noodzakelijk voor het begrijpen; maar voorstelling en gedachte zijn niet hetzelfde.
8. Wanneer wij nu het gezegde omtrent de ziel samenvatten, zullen wij zeggen dat de ziel zoo te zeggen de dingen is; want al de dingen zijn of waarneembaarheden of denkbaarheden en de kennis is als ’t ware de kenbaarheden, de waarneming de waarneembaarheden; de nadere bepaling hiervan moet men zoeken. De kennis nu en de waarneming verdeelen zich over de dingen, die in mogelijkheid over mogelijkheden, die in werkelijkheid over werkelijkheden. Van de ziel is het waarnemingsvermogen en het kenvermogen in mogelijkheid hetzelfde, het eene het kenbare ’t ander het waarneembare. Dit moeten of de dingen zelf of de vormen zijn. Nu zijn het niet de dingen zelf, want niet de steen is in de ziel, maar de vorm; zoodat de ziel is als de hand; immers ook de hand is als het werktuig der werktuigen en de geest is de vorm der vormen en de waarneming de vorm der waarneembaarheden. 432a. Daar er geenerlei ding is buiten de waarneembare grootheden (en) gescheiden, zijn de denkbaarheden in de waarneembare vormen, de als afgetrokkenheden gezegde en alles wat toestanden en bewerkingen van de waarneembaarheden zijn. En daarom is ’t onmogelijk zonder iets waar te nemen iets te leeren of te begrijpen en wanneer men bespiegelt is het noodzakelijk met voorstelling te bespiegelen; want de voorstellingen zijn als waargenomen dingen doch zonder materie. De voorstelling is iets anders dan beaming of ontkenning; want de waarheid of onwaarheid is een samenvoeging van begrippen. Maar wat zal het verschil zijn tusschen de eerste begrippen en de voorstellingen zijn? Veeleer zijn ook de andere geen voorstellingen, maar niet zonder voorstellingen.
432 a 15–433 a 30. Plaatselijke beweging en zielsdeelen. Streefvermogen met gedachte of voorstelling bron van de plaatselijke beweging en in de eerste plaats het streefvermogen, dat zich richt op het als mogelijk goed zich voordoende.
Het blijkt echter dat deze twee bewegen, of streefvermogen of geest, als men de voorstelling een soort van denken noemt; want velen volgen tegen de kennis de voorstellingen en de andere dieren bezitten geen denken of overweging, maar voorstelling. Dus zijn ’t deze beiden die de plaatselijke beweging geven, geest en streefvermogen, nl. de met een doel overwegende, praktische geest; deze verschilt van de theoretische door het doel. Ook elk streefvermogen betreft een doel; immers het doel van het streven is het begin van de praktische geest en het eind daarvan is ’t begin van de handeling. Dus blijken redelijkerwijze deze twee de bewegenden, streefvermogen en praktische gedachte; want het nagestreefde beweegt en daardoor de gedachte, omdat het nagestreefde haar begin is. Ook wanneer de voorstelling beweegt, doet zij dit niet zonder streven. Dus is het één ding dat beweegt, het streefvermogen. Want indien twee, begrip en streven, bewogen, zouden zij dit uit een gemeenschappelijken vorm doen. Nu echter blijkt het begrip niet te bewegen zonder streven; want de wil is streven, en wanneer men naar de overweging bewogen wordt, wordt men ook naar den wil bewogen. Het streven beweegt tegen de overweging, want de begeerte is een zeker streven. Alle begrip nu is juist; streven en voorstelling zoowel juist als niet juist. Derhalve is het altijd het nagestreefde dat beweegt, maar dit is of het goede of wat goed lijkt, en niet al het goede maar het goede van de praktijk. Dit is wat de mogelijkheid toelaat van anderszijn.
433 a 31–b 30. Weerstrevingen bij streven weerspreken niet de eenheid in het streefvermogen. Verband met het lichamelijke. Rust bij de beweging. Het streefvermogen oorzaak van de plaatselijke beweging in verband met voorstelling uit gedachte of gewaarwording.
433 b 31–434 a 21. Streven en redeneering in wederzijdsche verhouding en weerstreving in het streven. Het bizondere, niet het algemeene, uitgangspunt van het streven.
434 a 22–435 b 25. Rangorde in de zielsvermogens en overeenkomstige bepaaldheid des lichaams. De tastzin als het algemeenste vereischt het samengesteld-zijn van het lichaam en zij is zelf noodzakelijk voor het bestaan, de andere zinnen voor het hoogere.
Verder als het lichaam gewaarwording heeft, moet het of enkelvoudig of gemengd zijn. Maar het kan niet enkelvoudig zijn, want dan kan het geen tastzin hebben, die het noodzakelijk moet hebben. Dit blijkt uit het volgende. Daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle lichaam tastbaar, d.i. waarneembaar voor den tastzin is, moet ook het lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal blijven. Want de andere gewaarwordingen als reuk, gezicht, gehoor gaan door middenstoffen, maar als er aanraking is zonder gewaarwording, zal het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven. Daarom ook is de smaak als een tastgevoel, want zij betreft het voedsel en het voedsel is het tastbare lichaam. Geluid en kleur en reuk voeden niet noch veroorzaken groei of afname. Dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn, omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is; deze nu zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder tastgevoel geen levend wezen kan zijn. De anderen zijn voor het hoogere en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar voor sommigen, als voor het voortgaande; want indien dit zich zal handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand gewaarworden. Dit is mogelijk, wanneer het gewaarwording heeft door de middenstof, doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het levend wezen door de middenstof. Want zooals het plaatselijk bewegende tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder gestooten te worden, het laatste alleen gestooten wordt zonder te stooten en het midden beiden, terwijl het midden veelvoudig is, zoo is het ook met verandering, behalve dat die plaats heeft terwijl het voorwerp zijn plaats bewaart, zooals indien men (iets) in was doopt, de was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat; een steen in ’t geheel niet, maar ’t water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en één is. 435a. Daarom is het betreffende weerkaatsing beter (te zeggen), niet dat het gezicht uitgaande weerkaatst wordt, maar dat de lucht door den vorm en kleur aangedaan wordt tot zoover hij één is. Op het gladde is hij één; daarom beweegt weder deze het gezicht, even alsof het merk in de was doorgevoerd werd tot aan het einde.
EINDE.