← Table of contents
Aristoteles' Zielkunde

Note 53 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation

Naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald, naar plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen. Ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn (want in deze beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding). En de ouden noemen zeker het denken en waarnemen hetzelfde, zooals ook Empedokles heeft gezegd: „naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen” en elders: „van daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken” en hetzelfde bedoelt ook het Homerische: „zoodanig toch is de geest”53. Deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het gelijke, zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet. 427b. Echter hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken, die immers aan de levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten tijd. Dus is het noodzakelijk dat of, zooals sommigen zeggen, alle verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling is, want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het gelijke; en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen hetzelfde. Echter blijkt dat het waarnemen en het denken niet hetzelfde zijn. Want het eerste bezitten alle dieren, het laatste weinigen. Maar ook het begrijpen, dat juist en onjuist kan zijn, juist als verstand, wetenschap en ware meening, onjuist als het omgekeerde daarvan, ook dat is niet hetzelfde als het waarnemen; want de waarneming betreffende de eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren, maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede bezit; want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip, en zij (de voorstelling) wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er geen opvatting. Dat de voorstelling54 niet zelf begrip en opvatting is, is duidelijk. Want dit gebeuren (van de voorstelling) is van onzen wil afhankelijk (want men kan zich iets voor oogen stellen, zooals zij die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden), maar niet het meenen, want (daarbij) moet men òf onwaar òf waar zijn. Bovendien wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen, ondergaan wij onmiddellijk die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende; bij de voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of bemoedigende geschilderd aanschouwden. Er zijn ook van de opvatting zelf onderscheidingen, wetenschap, meening, verstand en hun tegendeelen; over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings