← Table of contents
Aristoteles' Zielkunde

Note 38 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation

Daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen is, is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken, want door die verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen. Men meent dat de voeding is tegendeel met tegendeel, maar niet elk met elk, maar die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook wasdom; immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde grootheden zijn, zooals het gezonde uit het zieke. Ook de bepaalde grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn, maar het water wèl voor het vuur, het vuur echter voedt het water niet. Onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze (tegendeelen) wel eenerzijds voeding, anderzijds wat gevoed wordt. De moeilijkheid doet zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed wordt alsook groeit, de anderen denken, zooals gezegd is, omgekeerd het tegendeel door het tegendeel, daar het gelijke geen werking ondervindt van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt: en de verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden (neutrale). 416b. Verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed wordt, maar niet omgekeerd, evenals de timmerman niet van de stof maar de stof van hem, en de timmerman verandert alleen van rust tot bedrijvigheid. Maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het eerste, dat maakt onderscheid. Zoo beide, maar het eerst bijkomende als onverteerd, het laatste als verteerd, dan kan men in beiderlei zin over het voedsel spreken; in zoover het onverteerd is, wordt het tegendeel door het tegendeel gevoed, in zoover het verteerd is, het gelijke door het gelijke. Dus blijkt dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist spreken. Daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven, is het bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde. Het begrip van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde; in zoover n.l. het bezielde een grootheid is, geldt bewerking van groei, inzoover het een bepaald iets en wezen is, voeding; want deze handhaaft het wezen en iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de wording, niet van hetgeen gevoed wordt, maar van zijnsgelijke; want zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich. Dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot bedrijvigheid. Daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk. Als wij drie onderscheiden, wat gevoed wordt, waardoor het gevoed wordt en het voedende, is het voedende de eerste ziel, wat gevoed wordt het deze bezittende lichaam, waardoor het gevoed wordt het voedsel. Daar men naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van zijnsgelijke, is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken kan. „Waardoor het gevoed wordt” is tweevoudig, evenals waardoor men stuurt, en de hand en het roer, het eene bewegende en bewogen wordende, het andere alleen bewogen wordende. Alle voedsel nu moet noodzakelijk verteerd kunnen worden, en het is de warmte die de vertering bewerkt; daarom heeft elk bezield wezen warmte. In omtrek nu is hiermede gezegd wat voeding is, uitvoeriger moet later de zaak verduidelijkt worden in de daarover handelende geschriften38.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings