Note 42 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Het is het zichtbare, waarop het gezicht betrekking heeft. Het zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen naam heeft; in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen. Het zichtbare dan is de kleur. Dat is wat behoort bij het zelfstandig zichtbare; zelfstandig niet naar ’t begrip42, maar omdat het in zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid. Alle kleur beweegt hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen. 418b. Daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van alles in licht gezien. Daarom moeten wij eerst over het wezen van het licht spreken. Er is dan iets doorschijnends. Doorschijnend noem ik wat wel zichtbaar is, maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd, maar door vreemde kleur. Zoodanig is lucht en water en vele vaste lichamen; want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend, maar omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige bovenaardsche lichaam43. Licht is de werkzaamheid daarvan, van het doorschijnende als zoodanig. Waarin dit in mogelijkheid is, is ook de duisternis44. Het licht is als de kleur van het doorschijnende, wanneer het in werkelijkheid doorschijnend is door vuur of iets zoodanigs als het bovenaardsche lichaam; want ook dit heeft iets dat een en hetzelfde is. Dus, wat het doorschijnende en wat het licht is, is gezegd, dat het noch vuur noch in ’t geheel een lichaam, noch een uitvloeiing van eenig lichaam is (want in dat geval zou het óok een zeker lichaam zijn), maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in het doorschijnende; immers het is niet mogelijk dat twee lichamen tegelijk in dezelfde ruimte zijn. En het licht is het tegendeel van de duisternis; de duisternis is de ontstentenis van dusdanige geaardheid bij het doorschijnende, dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het licht. Empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en ’t hemelruim komt, buiten onze waarneming; want dat strijdt met de klaarheid van het begrip en met de verschijnselen; want in een kleine ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan; maar voor de afstand van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras. Wat kleur aanneemt is het ongekleurde, voor ’t geluid het geluidlooze. Kleurloos is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare, zooals zal zijn het duistere. Zoodanig is het doorschijnende, maar niet wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid doorschijnend is; want ’t zelfde wezen is nu duisternis, dan licht. 419a. Niet alle dingen zijn zichtbaar in ’t licht, maar alleen de eigen kleur van alles; immers eenige dingen worden niet gezien in ’t licht, maar laten zich waarnemen in de duisternis, zooals de vuurachtige en stralende verschijnselen (die gezamenlijk geen naam hebben) als paddestoelen, hoorn, vischkoppen, schubben en oogen; maar van niets daarvan ziet men de eigen kleur. Door welke oorzaak nu deze dingen gezien worden blijft hier onbesproken; nu blijkt zooveel dat wat in ’t licht gezien wordt, kleur is; daarom ook wordt die niet gezien zonder licht; want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende is het licht. Een duidelijk teeken hiervan is dat, als men het gekleurde op het oog zelf houdt, men het niet zal zien, maar de kleur bewerkt het doorschijnende b.v. de lucht en daardoor als samenhangend geheel wordt op het zintuig ingewerkt. Want hierin vergist Demokritos zich als hij meent dat, wanneer de tusschenruimte ledig was, ook een mier in den hemel duidelijk zou gezien worden; want dat is onmogelijk. Immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat, dit kan niet gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt; dus blijft er over dat het door de middenstof gebeurt, zoodat er noodzakelijk een middenstof moet zijn, maar wanneer de ruimte ledig is, zal er niet alleen niet duidelijk, maar in ’t geheel niets gezien worden.