Note 62 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Wij moeten ook nagaan wat het bewegende is bij de onvolmaakte wezens die alleen den tastzin als gewaarwording hebben, of deze voorstelling en begeerte kunnen hebben of niet. 434a. Het blijkt dat zij voor smart en genot plaats hebben. Met deze moeten zij noodzakelijk ook begeerte hebben. Maar hoe zouden zij voorstelling kunnen hebben? Of zooals zij zich onbepaald bewegen, zoo zijn er ook deze vermogens in aanwezig maar onbepaald. De op gewaarwording berustende voorstelling nu is, zooals gezegd is, ook in de andere levende wezens aanwezig, die uit de overweging voortkomt, in de met rede begaafden; want de keus tusschen twee handelingen is ten slotte het werk van redeneering en maakt een maatstaf noodzakelijk, want men zoekt het grootere. Dus kan zij uit meerdere voorstellingen er één maken. En dit is de oorzaak dat zij zonder oordeelskracht lijkt, omdat zij het oordeel uit de sluitrede niet heeft, wel omgekeerd dat haar. Daarom heeft het streven niet de oordeelskracht, soms echter overtreft het die en beweegt den wil; soms deze het streven, soms als de bal het eene streven het andere62, wanneer er losbandigheid is; van nature is altijd de hoogere heerschend en beweegt; zoodat er ten slotte drie bewegingen gelden. Het wetende wordt niet bewogen maar rust. Daar opvatting en begrip deels het algemeene deels het bizondere betreft, (de eerste nl. zegt dat de zoodanige het zoodanige moet doen, de tweede: dit nu is zoodanig en ik ben een zoodanige), is het ten slotte deze meening die beweegt, niet de algemeene; of beiden, maar de eene meer rustende, de andere niet.