Note 33 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Allen zoowel die zeggen dat de ziel uit de elementen is om het kennen en gewaarworden van de dingen, als die haar het allerbewegelijkste noemen, spreken niet over elke ziel. Want eensdeels is niet al wat gewaarwordt bewegend;33 aangezien sommige levende wezens aan hun plaats gebonden blijken; en toch geeft de ziel wel deze beweging in ’t bizonder aan het levende wezen. ’t Zelfde geldt van wie den geest en het gewaarwordingsvermogen uit de elementen doen bestaan; want het blijkt dat de planten leven zonder beweging en waarneming en dat vele dieren geen verstand hebben. Als men dit ook zou toestaan dat men den geest en desgelijks het waarnemingsvermogen een deel van de ziel noemt, dan spreken zij toch niet gemeenschappelijk over alle ziel noch over eenige in haar geheel. Dit geldt ook van de opvatting in de zoogenaamde Orphische verzen: dat de ziel uit het heelal intreedt bij het ademhalen, gedragen door de winden. Dan kan dit niet uitkomen voor de planten en voor eenige dieren, daar niet allen ademhalen; maar dit hebben zij, die zoo meenen, niet opgemerkt. En als men de ziel uit de elementen moet doen bestaan, behoeft het geenszins te zijn uit alle; want van de tegendeelen is de eene helft voldoende om zichzelf te beoordeelen en het tegendeel. Immers door het rechte kennen wij dit zelf en het kromme, want over beiden oordeelt het richtsnoer, maar het kromme noch over zich zelf noch over het rechte. Ook zeggen sommigen dat de ziel in het heelal gemengd is, van waar misschien ook Thales meende dat alles vol van goden was. Dit baart eenige verlegenheden; waarom toch maakt de ziel in de lucht of het vuur geen levend wezen, maar wel in de mengselen en dat nog wel als zij in de eersten beter moet zijn? Verder zou men moeten vragen waarom de ziel in de lucht beter en onsterfelijker is dan die in de levende wezens. In beide gevallen komt men tot iets ongerijmds en onredelijks; immers het vuur of de lucht een levend wezen te noemen is erg onredelijk en geen levende wezens aan te nemen als de ziel er in is, is ongerijmd. Het schijnt dat zij meenen dat de ziel in deze (elementen) is, omdat het geheel gelijksoortig is met de deelen; zoodat zij ook moeten zeggen dat de ziel gelijksoortig is met haar deelen, als de levende wezens bezield worden doordat een deel van de atmosfeer in hen afgezonderd wordt. Maar als de lucht na verdeeling gelijksoortig en de ziel ongelijksoortig van deelen is, zal er blijkbaar iets van haar aanwezig zijn en iets anders niet. Alzoo moet de ziel óf gelijksoortig van deelen zijn of niet in elk willekeurig deel van ’t geheel daar zijn.