Note 37 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet, omtrent elk der (vermogens) te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende en de overige dingen na te gaan. Als men moet zeggen wat elk er van is b.v. wat het denk-, of gewaarwordings- of voedingsvermogen is, moet men nog eerder zeggen wat het denken of gewaarworden is; want vóór de vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen. Als dat zoo is, en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan hebben, moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden, nl. omtrent voeding, het waarneembare en het denkbare. Alzoo moet eerst over voeding en voortplanting gesproken worden, immers de voedende ziel bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste vermogen van de ziel, waarop bij allen het leven berust. De verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken; immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens, voor zoover zij volledig en niet defekten zijn, of van zelf ontstaan, is het maken van een ander naar zijn eigen aard, een dier een dier, een plant een plant, opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen; want daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen volgens de natuur. 415b. Het „daarom” is tweevoudig, eensdeels (de zaak) waarom, anderdeels (de persoon) waarvoor37. Daar het (enkele) nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn doordat geen eindig ding één en hetzelfde kan blijven, neemt alles er aan deel zooals het kan, het eene meer het andere minder en wat blijft is niet het enkele zelf maar het zoodanige, niet naar getal maar naar wezen één.