Note 1 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
402a. Als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat haar onderwerp beter en belangwekkender is, stellen wij met recht om beide redenen de zielkunde voorop. De kennis der ziel zal ook voor alle waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de (kennis der) natuur; want de ziel is, zoo te zeggen, het principe1 der levende wezens. Wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare eigenschappen; sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich zelf eigen, andere zullen door haar ook aan ’t levend geheel behooren. t Is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent haar te erlangen. Want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in vele andere gevallen, zou men allicht denken aan één methode voor alles, waarvan wij het wezen willen leeren kennen—zooals afleiding geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen2—en dan zou men dus die methode moeten zoeken. Wanneer de eene en algemeene methode betreffende het wezen ontbreekt, wordt de behandeling nog moeilijker, want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen. En als het blijkt of die afleiding is of ontleding3, of ook eenige andere methode, brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg, waarvan het onderzoek moet uitgaan; want de elementen van verschillende dingen zijn verschillend, zooals van getallen en vlakken4.