← Table of contents
Aristoteles' Zielkunde

Note 29 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation

Uit het gezegde nu blijkt dat de ziel onmogelijk harmonie kan zijn noch kringbeweging kan hebben. Wel kan zij, zooals gezegd is, bijkomstig bewogen worden en zichzelf bewegen, zoo b.v. dat datgene bewogen wordt, waarin zij is en wel door de ziel bewogen wordt, anders is ruimtelijke beweging voor haar onmogelijk. 408b. Met meer grond zou men over hare beweging kunnen redekavelen uit dergelijke overwegingen, dat men zegt dat de ziel smart en vreugde ondervindt, gerust is of vreest, voorts toornig wordt, waarneemt en denkt; want dat alles zullen bewegingen zijn. En dus zou men meenen dat zij bewogen wordt, maar dat is niet noodzakelijk. Want al zijn ook werkelijk smart, vreugde en denken bewegingen en is elk daarvan bewogen worden, bewogen worden door de ziel—b.v. toornig worden of vreezen zulk een beweging van het hart, denken (beweging) van dit wellicht of van iets anders—en gebeurt dit bij eenige ervan door verplaatsende beweging, bij anderen door verandering van hoedanigheid (bij welke en welke verandering is hier niet de vraag); dan is het zeggen dat de ziel toornig wordt, zoo, alsof men zeide dat de ziel weeft of bouwt. Het lijkt wel beter niet te zeggen dat de ziel medelijden heeft of leert of denkt, maar de mensch met zijn ziel en wel omdat de beweging niet in haar is, maar soms tot aan haar, soms van haar uit b.v. de gewaarwording van deze voorwerpen hier uitgaande tot aan haar, de herinnering van haar uit naar de bewegingen of stilstanden in de zintuigen. De geest schijnt (in den mensch) te zijn een zelfstandigheid, die onvernietigbaar is. Anders moest hij vooral vernietigd worden door de verduistering in den ouderdom; doch denkelijk geldt hier hetzelfde als bij de zintuigen; als de grijsaard eens zúlk een oog kreeg, dan zou hij kunnen zien als een jongeling. Alzoo heeft de ouderdom niet tot oorzaak eenig ondervinden van de ziel, maar van ’t lichaam waarin zij is, zooals bij dronkenschap en ziekte. Zoo kwijnt dan het denken en studeeren doordat iets anders inwendig afbreuk lijdt, maar zelf is het onaantastbaar. Het denken, beminnen en haten tasten niet den geest aan, maar dat bepaalde, dat hem bevat in zoover het hem bevat. Gaat daarom dat (bevattende) te loor, dan houdt herinneren29 en beminnen op; want die behoorden niet aan den geest, maar aan het geheel, dat verloren is. De geest echter lijkt wel iets goddelijkers en onaangedaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings