Note 63 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
De voedende ziel moet noodzakelijk alles hebben wat leeft en ziel heeft63 van de geboorte af en tot den ondergang; want het is noodzakelijk dat het geborene groeit en hoogtepunt en ondergang heeft en dit is onmogelijk zonder voeding; dus moet noodzakelijk de voedingskracht aanwezig zijn in alles wat groeit en afneemt. Gewaarwording is niet noodzakelijk in alle levende wezens; want alle wier lichaam enkelvoudig is, kunnen geen tastzin hebben, noch die de vormen niet kunnen opnemen zonder de materie. Maar het dier moet noodzakelijk gewaarwording hebben, indien de natuur niets doelloos maakt. Want alle natuurlijke dingen strekken tot iets of zijn bijkomstigheden van de doelbeoogende dingen. Indien dus elk lichaam dat loopen kan, als het geen gewaarwording bezat, zou omkomen en zijn voltooiing niet zou bereiken, wat het werk van de natuur is; immers hoe zal het zich voeden? 434b. De rustende immers hebben datgene waaruit zij gegroeid zijn (als voedingsbodem). Ook is het niet mogelijk dat een lichaam een ziel en oordeelende geest heeft maar geen gewaarwording bezit, wanneer het niet rustend is en iets gewordens is. Want waarom zou het die hebben? Of is ’t belang van de ziel of van ’t lichaam. In ’t gestelde geval geen van beiden; want de ziel zal toch niet kunnen denken en ’t lichaam niet meer kunnen bestaan daardoor. Dus heeft geen lichaam, dat niet rustend is, een ziel zonder gewaarwording.