← Table of contents
Aristoteles' Zielkunde

Note 34 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation

Uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel niet goed of waar gesproken wordt. Daar nu het kennen tot de ziel behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen en de neigingen in ’t geheel en ook de plaatselijke beweging voor de levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei, rijpheid en neergang, komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort, of wij met de heele ziel denken, gewaarworden, bewegen en al ’t andere doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking zijn? 411b. En het leven eindelijk, ligt dat in een van de deelen of in meer of in allen of heeft het nog een anderen grond? Sommigen dan zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt, een ander begeert. Wat is het dan toch wel, dat de ziel samenhoudt als zij gedeeld is? Toch wel niet het lichaam; omgekeerd zal veeleer de ziel het lichaam samenhouden; immers als de ziel uitgetreden is, „verwaait en vergaat”34 het lichaam. Als dus iets anders haar één maakt, dan is dàt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het één of meerledig is. Is het één, waarom dan niet van ’t begin af ook de ziel één? Is het gedeeld, dan moet de redeneering weer naar het samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in ’t eindelooze. Men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel, welk vermogen elk deel in het lichaam heeft. Immers indien de heele ziel het geheele lichaam samenhoudt, moet ook elk deel een deel van het lichaam samenhouden. Dat lijkt iets onmogelijks; welk deel toch de geest samenhoudt of hoe, valt moeilijk zelfs te verzinnen. Het blijkt ook dat de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenige insecten, zóó dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk, ofschoon niet numeriek; want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging een tijd lang. Dat het niet blijvend is, is niet vreemd; want zij hebben niet de organen om hun wezen te handhaven. Maar desniettemin hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn soortgelijk onderling en met de geheele ziel, tegenover elkaar als of zij (de deelzielen) niet zelfstandig zijn, tegenover de geheele ziel zóó dat die deelbaar is. Ook lijkt het principe in de planten een soort ziel; want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording, maar niets heeft gewaarwording zonder dit principe.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings