Note 55 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Het denken, iets anders dan het waarnemen, is deels voorstelling deels opvatting; na de bepaling van de voorstelling, moeten wij spreken over het andere. 428a. Als dan de voorstelling datgene is dat in ons een beeld doet opkomen, en niet overdrachtelijk is bedoeld, dan is zij een vermogen of gesteldheid van diegenen, volgens dewelke wij oordeelen, waar of onwaar. Dezulke zijn gewaarwording, meening, wetenschap, begrip. Dat de voorstelling nu niet gewaarwording is, blijkt hieruit dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b.v. gezicht en aanschouwing, maar voorstelling is dààr, ook zonder dat een van beiden aanwezig is, zooals bij droomen. Verder is gewaarwording altijd aanwezig, voorstelling niet. Als zij in werkzaamheid hetzelfde waren, zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben, doch dit is niet aan te nemen b.v. bij een mier, bij of worm. Verder zijn de gewaarwordingen altijd waar, de meeste voorstellingen onwaar. Vervolgens zeggen wij ook niet, wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn „dit schijnt ons een mensch”, maar veeleer wanneer wij niet duidelijk gewaarworden. En ook zooals wij vroeger zeiden, verschijnen gezichten ook als men de oogen sluit. Maar ook kan zij geen zijn van die altijd waar zijn, als wetenschap of begrip; want er is ook onware voorstelling. Er blijft dus over na te gaan of zij meening is; want meening is en waar en onwaar. Maar met meening gaat geloof samen (want het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent) en geloof heeft geen dier, maar in velen is voorstelling. [Verder gaat elke meening vergezeld van geloof, geloof van overtuigd zijn, overtuiging van rede; van de dieren hebben sommigen wel voorstelling, maar geen rede]. Het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om genoemde redenen en hierom: natuurlijk betreft de meening niet iets anders, maar datgene dat ook de waarneming betreft nl. uit de meening en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de voorstelling, immers niet uit de meening van het goede en de waarneming van het witte: zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men niet bijkomstig waarneemt. 428b. Maar in de voorstelling zijn ook onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b.v. de zon stelt men zich voor als van één voet middellijn, maar men is overtuigd dat zij grooter is dan de aarde; waaruit dus volgt dat men òf zijn ware meening heeft verloren, die men had, terwijl het voorwerp onveranderd blijft, zonder die vergeten te zijn of bewustelijk veranderd te hebben òf als men haar nog heeft, dan moet noodzakelijk dezelfde meening waar en onwaar zijn. Maar zij werd onwaar, zoo dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg55. Alzoo is de voorstelling noch een van deze noch uit deze (gewaarwording, meening) voortkomend.