← Table of contents
Aristoteles' Zielkunde

Note 49 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation

423a. Of het zintuig inwendig is of niet, maar onmiddellijk het vleesch, dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk met de aanraking komt. Immers ook wanneer men om het vleesch iets van een vlies spande, merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de aanraking; en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is; en ware het aangegroeid, dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen. Daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de lucht in een kring om ons heen gegroeid was; want dan zouden wij meenen met één midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en reuk zouden één gewaarwording schijnen: Maar nu doordat datgene, waardoor heen de bewegingen geschieden, gescheiden is (van het lichaam), blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn. Bij den tastzin is dit nu onduidelijk; immers het is onmogelijk dat het bezielde lichaam uit lucht of water bestaat, want er moet iets vasts zijn. Er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen49, zooals het vleesch, en wat daarmee overeenkomstig is, bedoelt te zijn; zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin, dat aangegroeid is, waardoor de gewaarwordingen gaan, die meerderen zijn. Dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong; want zij neemt alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak. Als nu ook het overige vleesch de smaak waarnam, dan zou de smaak en de tastzin een en dezelfde gewaarwording schijnen; nu zijn zij twee doordat zij niet onderling te verwisselen zijn.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings