← Table of contents
Aristoteles' Zielkunde

Note 45 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation

Nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen. Geluid is tweevoudig, eensdeels geluid in werkzaamheid, anderdeels in mogelijkheid; want sommige dingen noemen wij geluidloos, als spons, wol, andere niet geluidloos b.v. koper en al wat vast en glad is, omdat het het vermogen heeft geluid te geven. Dat is tusschen zich en het gehoor een geluid in werkzaamheid te maken. Het geluid in werkzaamheid gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets; want het is de slag die ’t geluid maakt en daarom is ’t ook onmogelijk dat er geluid ontstaat wanneer er maar één ding is; immers hetgeen slaat is iets anders dan wat geslagen wordt; dus wat geluid geeft doet dat tegen iets (slaande) en ’t slaan is niet zonder beweging. Zooals wij zeiden ontstaat geluid niet door den slag van willekeurige dingen; immers wol die geslagen wordt maakt geen geluid, maar wel koper en al wat glad en hol is; koper omdat het glad is; het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na de eerste, daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan. Ook hoort men in lucht en water, maar minder. Niet van de lucht of het water hangt het geluid af, maar er moet een slag van vaste lichamen zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt, wanneer de lucht die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit. Daarom, wanneer de lucht snel en hard wordt geslagen, geeft zij geluid; want de beweging van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen, zooals wanneer men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan, die in snelle beweging is. Weerklank ontstaat, wanneer van de lucht die bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert gebroken te worden, de lucht teruggestooten wordt als een bal. Het lijkt dat er altijd weerklank is, maar niet duidelijk; immers het gaat met het geluid als met het licht; want ook het licht wordt altijd weerkaatst—anders zou er niet overal licht zijn, maar duisternis buiten wat de zon beschijnt—maar het wordt niet zóó weerkaatst als van water of koper of iets anders glads, dat het schaduw maakt, waardoor wij het licht onderscheiden. Terecht acht men het ledige datgene, waarvan het hooren afhangt. Immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men hoort, wanneer zij als één en samenhangend bewogen wordt. Maar doordat zij ijl is, klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is. In dat geval wordt zij één [en] in samenhang45 door het oppervlak; want het oppervlak van het gladde is één.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings