Note 23 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Op dezelfde wijs beschouwt ook de natuurleer van den Timaios23 de beweging die de ziel aan ’t lichaam meedeelt; door haar eigen beweging beweegt zij het lichaam, waarmede zij verbonden is. Terwijl zij samengesteld is uit de elementen en ingedeeld naar harmonische verhouding, opdat zij aangeboren gewaarwording van harmonie hebbe en het heelal zich harmonisch bewege, heeft (de demiurg) haar rechte baan tot een kring omgebogen en den eenen kring in twee gesplitst hebbende, die bij twee punten verbonden zijn, heeft hij weder den eenen in zeven kringen gesplitst, daar (volgens Plato) de hemelbewegingen die der ziel zijn. 407a. Vooreerst nu is het niet behoorlijk de ziel een grootte te noemen; blijkbaar nl. bedoelt hij met de Alziel zooiets als wat men wel24 den geest noemt en niet iets als de gewaarwordende of de begeerende ziel, want hun beweging is geen kringloop; de geest is één en aaneen als het denken en het denken is de gedachten, welke één zijn bij opeenvolging als het getal maar niet als de grootte; daarom is ook de geest niet zóó aaneen, maar óf ondeelbaar óf niet als een grootte aaneen. En hoe ook zal hij denken als hij grootte is? Met eenig deel van zichzelf? Een deel dat grootte heeft of puntsgewijze is, als men een punt ook een deel moet noemen. Gaat het puntsgewijze, dan komt blijkbaar de gedachte nooit tot stand, daar de punten eindeloos zijn; en gaat het met grootte dan zal men dikwijls of eindeloos veel malen hetzelfde denken, maar het blijkt dat het ook eenmaal mogelijk is25. Als voldoende is de aanraking met eenig deel, waartoe is dan kringbeweging noodig of moet er in ’t geheel van een grootte sprake zijn? Wanneer het denken aanraking door den geheelen kring vereischt, wat doet dan de aanraking met de deelen? En verder hoe kan men het gedeelde denken met het ongedeelde of omgekeerd? Het is noodzakelijk dat de geest de gezegde kring is, want de beweging van den geest is het denken, van den kring de draaiing; is nu het denken de draaiing, dan moet de geest de kring zijn welks zoodanige draaiing het denken is. Maar wat zal het zijn dat de geest altijd door denkt?—immers de draaiing duurt altijd door. Maar de gedachten van toegepaste wetenschap hebben grenzen, want zij allen beoogen iets buiten zich; en de theoretische overwegingen hebben eveneens hun grenzen in de redeneeringen, zijnde allen òf definitie òf bewijs; het bewijs nu gaat van een onderstelling uit en heeft op eenige wijze zijn einde in de sluitrede of de gevolgtrekking; en als zij niet afloopen, zoo keeren zij toch niet terug tot het uitgangspunt, maar gaan voorwaarts met toevoeging telkens van middenterm en conclusie; terwijl de draaiing weer tot ’t begin ombuigt. De definities zijn allen begrensd. Gebeurt verder dezelfde draaiing dikwijls dan zal men dikwijls hetzelfde moeten denken. Verder lijkt de gedachte meer op een rust en halt dan op beweging; desgelijks de sluitrede. 407b. Voorzeker is ook niet gelukzalig wat niet gemakkelijk gaat maar met geweld; indien nu de beweging der ziel haar wezen niet is, dan wordt zij tegen haar natuur bewogen26. Bezwaarlijk is het ook (voor den geest) onafscheidelijk gemengd te zijn met het lichaam; ja zelfs verwerpelijk, als het werkelijk voor den geest beter is zonder het lichaam te zijn, zooals Plato pleegt te zeggen, waarmee dan velen instemmen. Onduidelijk blijft ook de oorzaak van de kringbeweging des heelals, want noch is het wezen der ziel oorzaak der kringbeweging, maar die is haar bijkomstig, noch is het lichaam oorzaak, maar veeleer is de ziel oorzaak voor ’t lichaam. En eindelijk ontbreekt ook het bewijs waarom het dienstig is, terwijl toch de godheid daarom de kringbeweging aan de ziel moest geven omdat het haar dienstiger is te bewegen dan te rusten en zóó te bewegen en niet anders.