Note 10 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf eigen is; dit is wel noodzakelijk na te gaan, maar niet gemakkelijk. De ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te ondergaan of te doen, als bij toorn, gerustheid, begeerte en gewaarwording in ’t algemeen. Het denken lijkt wel het meest het eigene te zijn, maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling vergezeld moet zijn, kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen. Is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen, dan zou zij gescheiden kunnen worden; is er niets haar eigen, dan is zij niet scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte (lijn) die, als recht onder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te raken; het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt, immers het is onscheidbaar, daar het altijd met eenig lichaam verbonden is10. Ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te betreffen, drift, zachtzinnigheid, vrees, medelijden, gerustheid, ook vreugde en liefde en haat, want hun optreden werkt tegelijk op ’t lichaam in. Een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid van krachtige en zich opdringende aandoeningen in ’t geheel niet geraakt wordt of ontstelt, men soms door geringe en zwakke gedreven wordt, wanneer het lichaam tiert en in een toestand is als bij toorn. Nog duidelijker (teeken) is dit, dat zonder dat iets vreeswekkends aanwezig is, de verschijnselen van vrees getoond worden11. Als het zoo is, dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in stoffelijkheden. Dus moeten de definities zóó luiden, dat bijv. toorn is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking. En daarom is het de taak reeds van den natuurkundige de ziel, althans de zoodanige, na te gaan.—De definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in elk van deze gevallen verschillen, bijv. toorn zal de een definieeren als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks, de ander als verhitting van het warme hartebloed. 403b. De laatste geeft het stoffelijke aan, de eerste ’t wezen en het begrip. Want dit is ’t begrip van de zaak, maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde stof. Zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen ondergang door wind en regen en hitte; de ander noemt het steenen, tichels en hout, de derde noemt het: in deze materialen de vorm12 met een bepaalde strekking. Wie van dezen heeft de natuurkundige te heeten? Die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die alleen het begrip behandelt? Veeleer die beiden vereenigt. Hoe dan met elk van de twee anderen? Geen behandelt de van de stof onscheidbare eigenschappen als ongescheiden13, maar de natuurkundige alle doen en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof; van die bepaalde stof afziende werkt niet hij, maar ten deele soms de kunstenaar, bijv. de timmerman of de dokter; eveneens het onscheidbare, wat bij wijze van afgetrokkenheid, maar niet aan een bepaald lichaam verbonden gedacht wordt, behandelt de wiskundige, en als gescheiden (het wezen op zichzelf) de metaphysicus. Maar laat ons terugkeeren van deze uitwijding. Wij zeiden dat de aandoeningen der ziel, in zooverre zij eigenschappen heeft als moed en vrees, niet af te scheiden zijn van de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak.